Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2022-04-06
ECLI:NL:ORBAACM:2022:46
Bestuursrecht
Herziening
833 tokens
Inleiding
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
Uitspraak
op het verzoek om herziening van de uitspraak
van de Raad van 16 april 2020, CUR2019H00076, in de zaak van:
[verzoeker]
wonend in Curaçao,
verzoeker,
en
de Regering van Curaçao,
de Regering,
gemachtigde: mr. S.I. da Costa Gomez, advocaat
Procesverloop
De Raad heeft op 16 april 2020 uitspraak gedaan in het geding tussen partijen.
Op 16 juli 2020 heeft verzoeker de Raad verzocht deze uitspraak te herzien.
De Raad heeft het verzoek behandeld op de zitting van 24 maart 2022. Betrokkene is verschenen. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 135, eerste lid, van de RAr is ieder die partij was in een geding, bevoegd, binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid als in het tweede lid bedoeld is gebleken, de herziening van een onherroepelijke of onherroepelijk geworden uitspraak te verzoeken. In het tweede lid is bepaald dat de herziening wordt verzocht op grond dat gebleken is van enige omstandigheid die bij de behandeling van het beroep aan de Raad niet bekend was en die op zich zelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad.
2. De Raad heeft de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao van 8 februari 2019, CUR201602072, bij uitspraak van 16 april 2020 vernietigd en het bezwaar van verzoeker tegen het landsbesluit van 23 december 2015 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft de Regering verzoeker met ingang van 1 januari 2014 benoemd in de functie van Senior Medewerker Noodhulp/Handhaving, bezoldigd naar schaal 7p en per 1 maart 2015 naar schaal 8p. Anders dan het Gerecht had overwogen, heeft de Raad geoordeeld dat de Regering verzoeker per 1 maart 2015 en dus niet eerder, heeft kunnen bevorderen naar schaal 8p.
3. Ter zitting heeft verzoeker de gronden voor zijn verzoek om herziening uiteengezet. Hij heeft er allereerst op gewezen dat de Raad het onderzoek ter zitting heeft gesloten en uitspraak heeft gedaan terwijl de Regering niet adequaat had gereageerd op de vraagstelling van de Raad, die juist de aanleiding voor de schorsing was. Verder stelt verzoeker dat het onbegrijpelijk is dat hij bij zijn benoeming per 1 januari 2014 niet gelijk is bevorderd naar salarisschaal 8p.
4. Verzoeker heeft met de onder 3 genoemde gronden slechts inhoudelijke argumenten tegen het oordeel van de Raad aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:31) is het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om het geschil waarover is beslist bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, opnieuw aan de Raad voor te leggen. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Raad wijst het verzoek om herziening af
Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. L.J.J. Rogier en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede, leden, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.