Rechtspraak
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2022-05-04
ECLI:NL:ORBAACM:2022:36
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,548 tokens
Inleiding
Uitspraakdatum: 4 mei 2022
Zaaknummer: AUA2020H00159
RAAD VAN BEROEP
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante],
wonend in Aruba,
appellante,
gemachtigde mr. R.P. Lee,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 5 oktober 2020, zaaknummer GAZA AUA202001311 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
appellante
en
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
Procesverloop
Appellante heeft op 28 maart 2018 het verzoek gedaan haar te bevorderen.
Bij landsbesluit van 6 februari 2019 (Landsbesluit) is op dat verzoek een besluit genomen. Omdat met dit besluit appellantes verzoek maar ten dele is gehonoreerd, heeft appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 28 oktober 2019 heeft het Gerecht dat bezwaar gegrond verklaard en het Landsbesluit vernietigd. Verder heeft het Gerecht bepaald dat geïntimeerde binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak opnieuw op het verzoek van 28 maart 2018 beslist, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van de door appellante gemaakte proceskosten, begroot op Afl. 1.000,-, aan gemachtigdensalaris.
Op 25 mei 2020 heeft appellante vanwege het niet gevolg geven aan die uitspraak, op de voet van artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dit door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante was sedert 2004 in ambtelijke dienst bij de Sociale Verzekeringsbank en vanaf 1 april 2012 bij de Dienst Sociale Zaken. Lopende een bezwaarprocedure betreffende de afwijzing van verzoeken om herinschaling en bevordering - waarin de Raad inmiddels op 2 juni 2021 uitspraak heeft gedaan - heeft appellante op 28 maart 2018 het verzoek gedaan haar met ingang van achtereenvolgens 1 juli 2009, 1 juli 2011, 1 juli 2013, 1 juli 2015 en 1 juli 2017 te bevorderen tot de rang van respectievelijk adjunct-commies, adjunct-commies 1ste klas, commies, commies 1ste klas en hoofdcommies.
1.2.
Bij landsbesluit van 6 februari 2019 is appellante met ingang van 1 april 2015 bevorderd tot adjunct-commies 1ste klas en met ingang van 1 april 2017 tot commies. Omdat hiermee appellantes verzoek maar ten dele werd gehonoreerd, heeft appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij uitspraak van 28 oktober 2019 heeft het Gerecht dat bezwaar gegrond verklaard en het Landsbesluit vernietigd. Verder heeft het Gerecht bepaald dat geïntimeerde binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak opnieuw op het verzoek van 28 maart 2018 beslist, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van de door appellante gemaakte proceskosten die zijn begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.
1.4.
Op 25 mei 2020 heeft appellante vanwege het niet gevolg geven aan die uitspraak, op de voet van artikel 96 van de La, een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht dit door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Het Gerecht heeft overwogen dat appellantes verzoek om bevorderingen gedeeltelijk is afgewezen en dat bij uitspraak van 28 oktober 2019 is overwogen dat die gedeeltelijke afwijzing onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Dat was reden voor het Gerecht om aan geïntimeerde de opdracht te geven een nieuwe beslissing te nemen. Daarmee is (nog) niet gezegd dat appellante aanspraak heeft op de door haar verzochte bevorderingen.
2.2.
Omdat daarmee ook nog niet vaststaat dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het niet uitvoeren door geïntimeerde van de hem gegeven opdracht, kon naar het oordeel van het Gerecht het verzoek van appellante om schadevergoeding niet worden toegewezen.
3. Appellante kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak.
3.1.
Zij heeft gewezen op het wettelijk kader waarvan niet alleen artikel 96 van de La van belang is, maar ook artikel VI.6 van de Staatsregeling van Aruba en artikel 40 het Statuut van het Koninkrijk. Verder beroept appellante zich op artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze laatste voorschriften strekken ertoe, aldus appellante, dat rechterlijke beslissingen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd en dat die uitvoering afgedwongen kan worden.
3.2.
Nu het voorschrift van artikel 96 van de La kennelijk tekortschiet, vraagt appellante de Raad artikel 96 van de La onverbindend te verklaren en zelf nieuwe normen vast te stellen.
3.3.
Appellante heeft gesteld dat zij niet alleen materiële schade lijdt wanneer komt vast te staan dat zij in aanmerking komt voor de verzochte bevorderingen, maar dat zij ook immateriële schade ondervindt door het feit dat zij in tegenspraak een zaak heeft gewonnen en de regering van Aruba geen uitvoering wenst te geven aan de door het Gerecht gegeven opdracht; zij is daardoor in een onzekere toestand gebracht die zij niet behoeft te dulden.
4. Geïntimeerde heeft - daartoe opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen - ter zitting verklaard dat in deze zaak de wet van Murphy van toepassing is: wat mis kan gaan, zal misgaan. Erkend is dat onterecht geen uitvoering is gegeven aan de opdracht van het Gerecht.
Omdat nog niet vaststaat dat appellante in aanmerking komt voor alle door haar geambieerde bevorderingen, kan aan haar op grond van artikel 96 van de La geen schadevergoeding worden toegewezen.
4.1.
Wel zou appellante, aldus geïntimeerde, in aanmerking kunnen komen voor een schadevergoeding voor immateriële schade aangezien het te lang duurt voordat een beslissing is genomen op haar verzoek. Desgevraagd heeft geïntimeerde een bedrag genoemd van Afl. 500,00 voor elk verstreken half jaar.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1.
Hij begrijpt de onvrede bij appellante over de weigerachtige houding van geïntimeerde.
5.2.
Artikel 96 van de La voorziet in een - op zichzelf staande en eenvoudig aanhangig te maken - procedure bij de rechter waarin die afkeurenswaardige houding aan de kaak kan worden gesteld. In een daarvoor in aanmerking komend geval, wanneer kan worden vastgesteld dat schade wordt ondervonden van de weigering om aan een rechterlijke opdracht uitvoering te geven, kan de rechter het weigerachtige administratieve orgaan veroordelen tot vergoeding van die schade. Artikel 96 van de La behelst daarmee een bij landsverordening vastgestelde regel als bedoeld in de door appellante onder de aandacht gebrachte Staatsregeling en Statuut. Het kan ook een daadwerkelijk rechtsmiddel zijn tegen een schending van een in het EVRM vermeld recht en vormt als zodanig een ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.
5.3.
De Raad ziet daarom geen grond om in het algemeen te bepalen dat artikel 96 van de La onverbindend moet worden geacht. Hij wijst erop dat artikel VI.4 van de Staatsregeling bepaalt dat de rechter, behoudens het bepaalde in artikel I.22, niet treedt in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling.
5.4.
Het ligt op de weg van de regelgever om nieuwe normen vast te stellen, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan de mogelijkheid om aan het administratief orgaan een dwangsom op te leggen.
5.5.
Met het buiten toepassing laten van artikel 96 van de La zou appellante overigens ook niet zonder meer geholpen zijn. De plicht om uitvoering te geven aan de opdracht behelst in dit geval niet meer en niet minder dan het draagkrachtig motiveren van een in het bestreden Landsbesluit neergelegde beslissing die met de huidige onderbouwing in rechte geen stand kon houden.
5.6.
Het Gerecht heeft in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de door appellante gestelde materiële schade de juiste maatstaf gehanteerd en het is tot een juist oordeel gekomen. De Raad volstaat met verwijzing naar het gestelde onder 2.2.
5.7.
Onder schade als gevolg van het niet gevolg geven aan een uitspraak kan ook worden begrepen immateriële schade. De Raad verwijst in dit verband naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 januari 2022, ECLI :NL:ORBAACM:2022:15. Om in aanmerking te kunnen komen voor een vergoeding van immateriële schade is vereist dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op enige andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het moet gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.
Dictum
De Raad:
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het bezwaar gegrond;
veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van Afl. 2.000,00 (tweeduizend Arubaanse guldens);
veroordeelt de Gouverneur van Aruba tot betaling aan appellante van haar proceskosten tot een bedrag van Afl 1.400,00 (eenduizend vierhonderd Arubaanse guldens).
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mr. J. Sybesma en drs. P.J. Thijssen, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2022.