Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2026-05-06
ECLI:NL:OGHACMB:2026:87
Bestuursrecht
Bodemzaak
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 text/xml public 2026-05-07T12:02:45 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-05-06 CUR2025H00032 Uitspraak Bodemzaak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 text/html public 2026-05-07T12:00:31 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 06-05-2026 / CUR2025H00032 uitblijven van een beschikking op een Lob-verzoek, Gerecht heeft zich terecht onbevoegd verklaard. Niet de Gouverneur maar de minister is het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat onder de Lob. De Lbh attribueert geen bevoegdheid aan de Gouverneur, maar aan de regering. CUR2025H00032 Datum uitspraak: 6 mei 2026 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [naam appellante], wonend in Nederland, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 15 januari 2025 in zaken nrs. CUR202403597 en CUR202404299, in het geding tussen: appellante en de Gouverneur van Curaçao (hierna: de Gouverneur) Procesverloop Op 25 februari 2024 heeft appellante op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: Lob) verzocht om openbaarmaking van documenten (hierna: het Lob-verzoek). Op 12 april 2024 heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op het Lob-verzoek en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij de uitspraak van 15 januari 2025 heeft het Gerecht het beroep aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het Lob-verzoek door de Gouverneur en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. Het Gerecht heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De Gouverneur, vertegenwoordigd door mr. P.T. Benschop, heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 8 oktober 2025. De behandeling ter zitting is op verzoek van appellante geannuleerd. Met instemming van beide partijen is de behandeling schriftelijk voortgezet. Partijen hebben door het Hof gestelde vragen schriftelijk beantwoord en hebben ingestemd met afdoening van de zaak zonder zitting. Overwegingen Hoger beroep tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening 1. Appellante heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. Daartegen kan echter, gezien de artikelen 75, eerste lid, en 95, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar), geen hoger beroep worden ingesteld. Het Hof zal zich daarom in zoverre onbevoegd verklaren om van het hoger beroep kennis te nemen. Hoger beroep tegen de beslissing op het beroep Inleiding 2. Appellante heeft in haar Lob-verzoek gevraagd om: - Kopieën van vergunningen tot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt, als bedoeld in de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (hierna: Lbh), met kopieën van het publiceren daarvan; - Een inventarislijst van de partijen die handelen onder de bestaande online-gaming licenties; - Kopieën van de stukken die zien op het middels (onder-)mandaat bevoegd maken van de ministers van Algemene Zaken, Justitie en/of Financiën en/of de Gaming Control Board Curaçao om vergunningen te verstrekken; - Een inventarisatie van de nulmeting uit artikel 1, tweede lid, van het Landsbesluit 19-1376 van 16 juni 2019, en - Kopieën van de rapporten over beslissingen ten aanzien van de trustsector vanaf januari 2000. 2.1. Appellante stelt zich, voor zover in deze zaak van belang, op het standpunt dat de Gouverneur het bestuursorgaan is dat op het Lob-verzoek moet beslissen. Om die reden heeft het Gerecht in deze zaak de Gouverneur als verweerder aangemerkt. De uitspraak van het Gerecht 3. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep tegen het uitblijven van een beschikking van de Gouverneur op het Lob-verzoek kennis te nemen. Volgens het Gerecht is de Gouverneur geen bestuursorgaan in de zin van de Lar, zodat een reactie op het Lob-verzoek geen beschikking zou zijn in de zin van de Lar en tegen het uitblijven daarvan dus ook niet bij de bestuursrechter kan worden geprocedeerd. Daarbij heeft het Gerecht, kort gezegd, van belang geacht dat de Gouverneur als orgaan van het land Curaçao geen zelfstandige bevoegdheden heeft en dat, als in een wettelijk voorschrift een bevoegdheid aan de Gouverneur wordt geattribueerd, daarmee steeds de regering wordt bedoeld. Betoog in hoger beroep 4. Appellante betoogt in de eerste plaats dat het Gerecht zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat de bevoegdheid om vergunningen te verlenen en in te trekken in de Lbh aan de Gouverneur is geattribueerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij vergunningen uit 1996 bijgevoegd waarin de Gouverneur deze bevoegdheid ook (zelf) zou hebben uitgeoefend. In dit kader verwijst appellante ook, a contrario, naar de Lbh van 10 oktober 2010 van het land Sint Maarten, waarin de desbetreffende bevoegdheid aan de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie is geattribueerd in plaats van aan de Gouverneur. Ook voert appellante aan dat de Lbh ziet op buitenlandse betrekkingen, nu het gaat om vergunningen voor het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt. Buitenlandse betrekkingen zijn een aangelegenheid van het Koninkrijk volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut). In artikel 1 van de Lbh is aan de Gouverneur dan ook een Koninkrijksaangelegenheid geattribueerd. Verder verwijst appellante nog naar artikel 12 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen waarin stond dat de Gouverneur de uitvoerende macht heeft. Dit alles maakt hem in deze kwestie wel een bestuursorgaan in de zin van de Lar, aldus appellante. Beoordeling door het Hof 5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Statuut voert de Koning de regering van het Koninkrijk en van elk van de landen van het Koninkrijk. De Koning is daarbij onschendbaar en (alleen) de ministers zijn verantwoordelijk. Op grond van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, wordt de Koning in de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) bepaalt dat de regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. Op grond van artikel 28, tweede lid, wordt de Koning vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, derde lid, bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn aan de Staten. 5.1. Aldus is de Gouverneur als landsorgaan onderdeel van het samengestelde ambt de regering. Dat blijkt ook uit artikel 34 van de Staatsregeling, waarin is bepaald dat landsbesluiten worden ondertekend door de Gouverneur én een of meer ministers. Alleen al uit dit samenstel van bepalingen volgt dat het niet mogelijk is om in een landsverordening bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden te attribueren aan de Gouverneur als landsorgaan. Dit brengt mee dat een in een landsverordening aan “de Gouverneur” geattribueerde bevoegdheid steeds moet worden begrepen als een bevoegdheid van: de regering. Dit wordt ook bevestigd door de bestuurspraktijk. Gebleken is dat eerdere beschikkingen op grond van de Lbh bij landsbesluit en dus door de regering zijn genomen. 5.2. Aan de Gouverneur als Koninkrijksorgaan kunnen wel bevoegdheden worden geattribueerd, ook met betrekking tot landsaangelegenheden. Dat laatste kan alleen als toepassing wordt gegeven aan artikel 52 van het Statuut en artikel 23 van het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao. Bij de totstandkoming van de Lbh is aan deze bepalingen echter geen toepassing gegeven. 5.3.
Volledig
ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 text/xml public 2026-05-07T12:02:45 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-05-06 CUR2025H00032 Uitspraak Bodemzaak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 text/html public 2026-05-07T12:00:31 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2026:87 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 06-05-2026 / CUR2025H00032 uitblijven van een beschikking op een Lob-verzoek, Gerecht heeft zich terecht onbevoegd verklaard. Niet de Gouverneur maar de minister is het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat onder de Lob. De Lbh attribueert geen bevoegdheid aan de Gouverneur, maar aan de regering. CUR2025H00032 Datum uitspraak: 6 mei 2026 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [naam appellante], wonend in Nederland, appellante, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 15 januari 2025 in zaken nrs. CUR202403597 en CUR202404299, in het geding tussen: appellante en de Gouverneur van Curaçao (hierna: de Gouverneur) Procesverloop Op 25 februari 2024 heeft appellante op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (hierna: Lob) verzocht om openbaarmaking van documenten (hierna: het Lob-verzoek). Op 12 april 2024 heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beschikking op het Lob-verzoek en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij de uitspraak van 15 januari 2025 heeft het Gerecht het beroep aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het Lob-verzoek door de Gouverneur en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. Het Gerecht heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De Gouverneur, vertegenwoordigd door mr. P.T. Benschop, heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 8 oktober 2025. De behandeling ter zitting is op verzoek van appellante geannuleerd. Met instemming van beide partijen is de behandeling schriftelijk voortgezet. Partijen hebben door het Hof gestelde vragen schriftelijk beantwoord en hebben ingestemd met afdoening van de zaak zonder zitting. Overwegingen Hoger beroep tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening 1. Appellante heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. Daartegen kan echter, gezien de artikelen 75, eerste lid, en 95, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar), geen hoger beroep worden ingesteld. Het Hof zal zich daarom in zoverre onbevoegd verklaren om van het hoger beroep kennis te nemen. Hoger beroep tegen de beslissing op het beroep Inleiding 2. Appellante heeft in haar Lob-verzoek gevraagd om: - Kopieën van vergunningen tot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt, als bedoeld in de Landsverordening buitengaatse hazardspelen (hierna: Lbh), met kopieën van het publiceren daarvan; - Een inventarislijst van de partijen die handelen onder de bestaande online-gaming licenties; - Kopieën van de stukken die zien op het middels (onder-)mandaat bevoegd maken van de ministers van Algemene Zaken, Justitie en/of Financiën en/of de Gaming Control Board Curaçao om vergunningen te verstrekken; - Een inventarisatie van de nulmeting uit artikel 1, tweede lid, van het Landsbesluit 19-1376 van 16 juni 2019, en - Kopieën van de rapporten over beslissingen ten aanzien van de trustsector vanaf januari 2000. 2.1. Appellante stelt zich, voor zover in deze zaak van belang, op het standpunt dat de Gouverneur het bestuursorgaan is dat op het Lob-verzoek moet beslissen. Om die reden heeft het Gerecht in deze zaak de Gouverneur als verweerder aangemerkt. De uitspraak van het Gerecht 3. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep tegen het uitblijven van een beschikking van de Gouverneur op het Lob-verzoek kennis te nemen. Volgens het Gerecht is de Gouverneur geen bestuursorgaan in de zin van de Lar, zodat een reactie op het Lob-verzoek geen beschikking zou zijn in de zin van de Lar en tegen het uitblijven daarvan dus ook niet bij de bestuursrechter kan worden geprocedeerd. Daarbij heeft het Gerecht, kort gezegd, van belang geacht dat de Gouverneur als orgaan van het land Curaçao geen zelfstandige bevoegdheden heeft en dat, als in een wettelijk voorschrift een bevoegdheid aan de Gouverneur wordt geattribueerd, daarmee steeds de regering wordt bedoeld. Betoog in hoger beroep 4. Appellante betoogt in de eerste plaats dat het Gerecht zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat de bevoegdheid om vergunningen te verlenen en in te trekken in de Lbh aan de Gouverneur is geattribueerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij vergunningen uit 1996 bijgevoegd waarin de Gouverneur deze bevoegdheid ook (zelf) zou hebben uitgeoefend. In dit kader verwijst appellante ook, a contrario, naar de Lbh van 10 oktober 2010 van het land Sint Maarten, waarin de desbetreffende bevoegdheid aan de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie is geattribueerd in plaats van aan de Gouverneur. Ook voert appellante aan dat de Lbh ziet op buitenlandse betrekkingen, nu het gaat om vergunningen voor het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt. Buitenlandse betrekkingen zijn een aangelegenheid van het Koninkrijk volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut). In artikel 1 van de Lbh is aan de Gouverneur dan ook een Koninkrijksaangelegenheid geattribueerd. Verder verwijst appellante nog naar artikel 12 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen waarin stond dat de Gouverneur de uitvoerende macht heeft. Dit alles maakt hem in deze kwestie wel een bestuursorgaan in de zin van de Lar, aldus appellante. Beoordeling door het Hof 5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Statuut voert de Koning de regering van het Koninkrijk en van elk van de landen van het Koninkrijk. De Koning is daarbij onschendbaar en (alleen) de ministers zijn verantwoordelijk. Op grond van artikel 2, tweede lid, eerste volzin, wordt de Koning in de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) bepaalt dat de regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. Op grond van artikel 28, tweede lid, wordt de Koning vertegenwoordigd door de Gouverneur. Artikel 28, derde lid, bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn aan de Staten. 5.1. Aldus is de Gouverneur als landsorgaan onderdeel van het samengestelde ambt de regering. Dat blijkt ook uit artikel 34 van de Staatsregeling, waarin is bepaald dat landsbesluiten worden ondertekend door de Gouverneur én een of meer ministers. Alleen al uit dit samenstel van bepalingen volgt dat het niet mogelijk is om in een landsverordening bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden te attribueren aan de Gouverneur als landsorgaan. Dit brengt mee dat een in een landsverordening aan “de Gouverneur” geattribueerde bevoegdheid steeds moet worden begrepen als een bevoegdheid van: de regering. Dit wordt ook bevestigd door de bestuurspraktijk. Gebleken is dat eerdere beschikkingen op grond van de Lbh bij landsbesluit en dus door de regering zijn genomen. 5.2. Aan de Gouverneur als Koninkrijksorgaan kunnen wel bevoegdheden worden geattribueerd, ook met betrekking tot landsaangelegenheden. Dat laatste kan alleen als toepassing wordt gegeven aan artikel 52 van het Statuut en artikel 23 van het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao. Bij de totstandkoming van de Lbh is aan deze bepalingen echter geen toepassing gegeven. 5.3.