Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2026-03-18
ECLI:NL:OGHACMB:2026:51
Civiel recht
Hoger beroep
2,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 text/xml public 2026-03-23T09:43:46 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-03-18 SXM2024H00021 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 text/html public 2026-03-23T09:42:29 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 18-03-2026 / SXM2024H00021 Sint Maarten. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2025:213. Geschil tussen erfgenamen en vrouw die langdurig met de erflater heeft samengewoond. Bewijsopdracht. Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: SXM202101549 – SXM2024H00021 Uitspraak: 18 maart 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [DE VROUW], wonende in Sint Maarten, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: R.E. Duncan, tegen [ZUS 1], wonende in Nederland, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok, en tegen [ZUS 2], wonende op het Franse deel van Sint Maarten, in eerste aanleg gevoegde partij aan de zijde van gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans eiseres tot voeging (in reconventie) in het principaal hoger beroep, voorwaardelijk appellante in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok. Partijen worden hierna [de vrouw] en [zus 1] c.s. genoemd. 1 De zaak in het kort Dit geding betreft de financiële afrekening tussen enerzijds een vrouw die langdurig in Sint Maarten heeft samengewoond met een in 2018 overleden man en anderzijds de erfgenamen van die man. In dit hoger beroep geeft het Hof na een eerder tussenvonnis nu bewijsopdrachten. 2 Het verdere verloop van de procedure Bij vonnis van 27 augustus 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:213 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. [de vrouw] heeft een akte ingediend op 22 oktober 2025. [zus 1] c.s. hebben een antwoordakte ingediend op 21 januari 2026. Vonnis is bepaald op vandaag. 3 De verdere beoordeling 3.1 Het Hof zal bewijsopdrachten verstrekken aan [de vrouw]. Na de getuigenverhoren kan nader aan de orde komen in hoeverre [de vrouw] haar vorderingen voldoende heeft gespecificeerd. Ook loopt het Hof nu niet vooruit op de bewijswaarde van de nog af te leggen getuigenverhoren. 3.2 [ [zus 1] c.s. hebben in hun antwoordakte onder 4-6 gesteld dat in het tussenvonnis de adressen van de onroerende zaken zijn verwisseld. Het Hof zal bij het eerste getuigenverhoor de vraag aan de orde stellen of dit zo is. B E S L I S S I N G Het Hof: laat [de vrouw] op te bewijzen: a. dat zij de begrafeniskosten uit eigen vermogen heeft betaald; b. dat zij in de periode van 1 december 2016 tot 7 februari 2018 uit eigen vermogen investeringen heeft gedaan in de woning en de appartementen; bepaalt dat, indien [de vrouw] daartoe getuigen wil doen horen, zij deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag en uur voor mr. Lewin, lid van het Hof, waarbij de getuigen zullen worden gehoord in een zittingszaal in Sint Maarten, in aanwezigheid van de advocaten en hun cliënten aldaar, terwijl de rechter en de griffier zich in een zittingszaal in Curaçao bevinden en de getuigen via videoverbinding horen; verzoekt partijen om binnen veertien dagen na heden per e-mail aan griffiehofciviel@caribjustitia.org opgave te doen van verhinderdata in de maanden april tot en met juli 2026; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 text/xml public 2026-03-23T09:43:46 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-03-18 SXM2024H00021 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 text/html public 2026-03-23T09:42:29 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2026:51 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 18-03-2026 / SXM2024H00021 Sint Maarten. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2025:213. Geschil tussen erfgenamen en vrouw die langdurig met de erflater heeft samengewoond. Bewijsopdracht. Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: SXM202101549 – SXM2024H00021 Uitspraak: 18 maart 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [DE VROUW], wonende in Sint Maarten, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: R.E. Duncan, tegen [ZUS 1], wonende in Nederland, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok, en tegen [ZUS 2], wonende op het Franse deel van Sint Maarten, in eerste aanleg gevoegde partij aan de zijde van gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans eiseres tot voeging (in reconventie) in het principaal hoger beroep, voorwaardelijk appellante in het incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok. Partijen worden hierna [de vrouw] en [zus 1] c.s. genoemd. 1 De zaak in het kort Dit geding betreft de financiële afrekening tussen enerzijds een vrouw die langdurig in Sint Maarten heeft samengewoond met een in 2018 overleden man en anderzijds de erfgenamen van die man. In dit hoger beroep geeft het Hof na een eerder tussenvonnis nu bewijsopdrachten. 2 Het verdere verloop van de procedure Bij vonnis van 27 augustus 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:213 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. [de vrouw] heeft een akte ingediend op 22 oktober 2025. [zus 1] c.s. hebben een antwoordakte ingediend op 21 januari 2026. Vonnis is bepaald op vandaag. 3 De verdere beoordeling 3.1 Het Hof zal bewijsopdrachten verstrekken aan [de vrouw]. Na de getuigenverhoren kan nader aan de orde komen in hoeverre [de vrouw] haar vorderingen voldoende heeft gespecificeerd. Ook loopt het Hof nu niet vooruit op de bewijswaarde van de nog af te leggen getuigenverhoren. 3.2 [ [zus 1] c.s. hebben in hun antwoordakte onder 4-6 gesteld dat in het tussenvonnis de adressen van de onroerende zaken zijn verwisseld. Het Hof zal bij het eerste getuigenverhoor de vraag aan de orde stellen of dit zo is. B E S L I S S I N G Het Hof: laat [de vrouw] op te bewijzen: a. dat zij de begrafeniskosten uit eigen vermogen heeft betaald; b. dat zij in de periode van 1 december 2016 tot 7 februari 2018 uit eigen vermogen investeringen heeft gedaan in de woning en de appartementen; bepaalt dat, indien [de vrouw] daartoe getuigen wil doen horen, zij deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag en uur voor mr. Lewin, lid van het Hof, waarbij de getuigen zullen worden gehoord in een zittingszaal in Sint Maarten, in aanwezigheid van de advocaten en hun cliënten aldaar, terwijl de rechter en de griffier zich in een zittingszaal in Curaçao bevinden en de getuigen via videoverbinding horen; verzoekt partijen om binnen veertien dagen na heden per e-mail aan griffiehofciviel@caribjustitia.org opgave te doen van verhinderdata in de maanden april tot en met juli 2026; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.