Rechtspraak 2026-02-24
ECLI:NL:OGHACMB:2026:33
Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: CUR202204959 - CUR2024H00008 Uitspraak: 24 februari 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: de vennootschap naar buitenlands recht SOCIÉTÉ JAS HENNESSY & CO, gevestigd te Cognac, Frankrijk, in eerste aanleg eiseres, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. L.F. Herben, tegen 1. de besloten vennootschap BOTTLES B.V., 2. de naamloze vennootschap BRANDS IMEX CURAÇAO N.V., beide gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. P.M. Noordhoek en E.R. de Vries. Partijen worden hierna Hennessy, Bottles en Brands Imex genoemd. Bottles en Brands Imex worden gezamenlijk Bottles c.s. genoemd. 1 De zaak in het kort In dit geding verzet een merkhouder van alcoholhoudende drank zich ertegen dat detailhandelaars gedecodeerde flessen drank onder het merk van de merkhouder aanbieden aan het publiek. Het Gerecht heeft alle vorderingen van de merkhouder afgewezen met verwijzing naar eerdere rechtspraak over parallelimport in het Caribisch deel van het Koninkrijk. In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw. 2. Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 5 januari 2024 ingekomen akte van appel is Hennessy in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 27 november 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. 2.2 Bij op 16 februari 2024 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Hennessy vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Bottles c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties. 2.3 Bij op 8 mei 2024 ingekomen memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, hebben Bottles c.s. ontvankelijkheidsverweren gevoerd, de grieven van Hennessy bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld en één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, behoudens de begroting van de proceskosten, en Hennessy, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de volledige proceskosten van Bottles c.s. in beide instanties, met nakosten en rente. 2.4 Bij op 28 juni 2024 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft Hennessy de grief van Bottles bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het incidenteel hoger beroep afwijst, met veroordeling van Bottles c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incidenteel hoger beroep, met rente. 2.5 Op 9 september 2025 is in de volgende zaken een gelijktijdige pleitzitting gehouden ten overstaan van het Hof: BON2024H00050 Hennessy, MHSC en Polmos/[naam] en Zhung Kong CUR2024H00005 Hennessy, MHCS en Polmos/Penha CUR2024H00006 Hennessy, MHCS en Polmos/Lunapark CUR2024H00007 Hennessy, MHCS en Polmos/Goisco CUR2024H00008 Hennessy/Bottles en Brands Imex (deze zaak) SXM2024H00007 MHCS/[naam] SXM2024H00008 Hennessy en MHCS/Penha Windward, Fresh Pond en Johnnie Supermarket 2.6 Vooraf is van de zijde van Hennessy toegezonden: - producties 1 tot en met 8 (zonder producties 3E en 3F, die ook later niet zijn toegezonden), met een usb-stick; - akte houdende herroeping deel van grief 3. In deze zaken zijn bij het pleidooi van 9 september 2025 verschenen: Zijdens Hennessy: mr. Herben, mr. N. Mulder, advocaat te Amsterdam, [directeur], directeur bij Hennessy en [deskundige], deskundige. Zijdens Bottles c.s.: mr. Noordhoek. Zijdens Hennessy en zijdens Bottles c.s. is de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Zijdens Hennessy is een filmpje getoond. Vragen van het Hof zijn beantwoord. Een tweede spreektermijn is gegeven en benut. 2.7 Vo 2.23 lid 3 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (BVIE) en art. 13 lid 8 Eenvormige Beneluxwet op de merken (Benelux-Merkenwet) bevatten een uitzondering voor het geval er gegronde redenen zijn zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de waren, met als expliciet wettelijk voorbeeld de omstandigheid dat de toestand van de waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, gewijzigd of verslechterd is. 3.11 Naar aanleiding van prejudiciële vragen in HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1864, NJ 1999/215 is HvJ EG 11 november 1997, ECLI:EU:C:1997:530, NJ 1999/216 gewezen (hierna: de zaak [naam]/Ballantine). In die zaak ging het om verzet van de merkhouder tegen het heretiketteren van whiskyflessen, waarbij etiketten met identificatienummers werden vervangen door etiketten zonder zulke nummers. Het oordeel van het HvJ EG in die zaak komt erop neer dat het verwijderen van identificatienummers een geldige reden voor de merkhouder kan zijn om zich tegen verkoop van waren door parallelimporteurs onder zijn merk te verzetten. Daarvoor is nodig dat die identificatienummers zijn aangebracht met het oog op legitieme belangen, zoals een wettelijke ‘identificatieplicht’, product-recall of de bestrijding van namaak. Daaraan kan niet afdoen dat de merkhouder met het gebruik van die nummers ook tracht te voorkomen dat zijn afnemers de merkproducten in strijd met hun verplichtingen als lid van een gesloten verkooporganisatie aan parallelimporteurs doorverkopen. Dit laatste wordt anders als komt vast te staan dat het gebruik van het merkrecht door de merkhouder om zich te verzetten tegen de verhandeling van opnieuw geëtiketteerde producten onder dit merk, zal bijdragen tot kunstmatige afscherming van de markten van de Lid-Staten. 3.12 De Europese uitputtingsregel is meer recentelijk besproken in een conclusie van advocaat-generaal Vlas in de zaak EPAL/PHZ, ECLI:NL:PHR:2019:918 (2.5-2.8) en in conclusies van advocaat-generaal Van Peursem in de zaken La Roche/4 EW, ECLI:NL:PHR:2020:687 (2.3-2.12), Hennessy, ECLI:NL:PHR:2020:1011 (2.3-2.16), [curator] q.q./Converse, ECLI:NL:PHR:2022:181 (2.3-2.16) en Coty/Easycosmetic, ECLI:NL:PHR:2022:1022 (4.3-4.8). Merkenlandsverordening Nederlandse Antillen 1961 / Merkenlandsverordening Nederlandse Antillen 1995 3.13 Voorheen, onder de Merkenwet 1893, huldigde de Hoge Raad het principe van de wereldwijde uitputting. Aanvankelijk was het merkenrecht in de Nederlandse Antillen zo goed als identiek aan het in Nederland op de Merkenwet 1893 gestoelde recht. Vanaf 1961 traden er enkele verschillen op. Een grote discordantie ontstond toen Nederland in 1971 de Benelux-Merkenwet invoerde. Een verdere discordantie trad aan de dag toen in Nederland onder vigeur van de Merkenrichtlijn de wereldwijde uitputting beperkt werd tot Europese uitputting. In de jaren tachtig ontstond er in de Nederlandse Antillen belangstelling voor vernieuwing van het merkenrecht. Dit leidde in 1988 en 1995 tot ontwerpen die in overwegende mate geschoeid waren op de leest van de (toenmalige) Benelux-Merkenwet. De Nota van Wijziging van 1996 maakte echter een geheel andere keuze: de ontwerpers keerden terug naar wereldwijde uitputting. 3.14 Art. 23 van de Merkenlandsverordening Nederlandse Antillen 1995 (PB 1996 nr. 188, in werking getreden op 1 januari 2001 bij PB 2000 nr. 166; hierna: Mlv) luidt (onder meer): 1. Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen: a. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk wordt gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven; b. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven of voor soortgelijke waren of diensten, indien daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wo Opzettelijk handelen in strijd met die verboden is een misdrijf; zonder opzet is het een overtreding (art. 24). Het Landsbesluit etikettering van levensmiddelen (van 18 januari 2005, ingevoerd met terugwerkende werking tot en met 11 november 2004) bevat een algemene verbodsbepaling (art. 2 lid 1) en bepaalt dat bij de verhandeling van voorverpakte drinkwaren de produktiepartij moet worden vermeld (art. 5 lid 1, aanhef en onder i) in de vorm van een nummercode (art. 22) op de verpakking of op een daaraan gehecht etiket (art. 25 lid 1) (en als dat niet mogelijk is, op het handelsdocument dat de drinkwaar vergezelt (art. 27)). 3.18 Na de staatkundige wijziging van 10 oktober 2010 zijn deze voorschriften van kracht gebleven (in Curaçao en Sint Maarten) of vervangen door gelijkluidende voorschriften (op Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Wet merken BES en het Besluit etikettering levensmiddelen BES). 3.19 In de zaak Diageo/[naam] hebben Diageo c.s. in cassatie onder meer geklaagd dat het Hof ten onrechte ervan was uitgegaan dat het Landsbesluit Etikettering geen verplichting bevat om identificatienummers aan te brengen (klacht 3). Hierover heeft advocaat-generaal Verkade onder meer opgemerkt dat de klacht niet tot cassatie kan leiden, omdat een – al dan niet op een wettelijke regeling gebaseerd – legitiem belang niet zonder meer als een gegronde reden als bedoeld in art. 23 lid 8 Mlv moet worden gekwalificeerd. De Hoge Raad heeft deze klacht verworpen met toepassing van art. 81 RO. Het concordantiebeginsel 3.20 Het in art. 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel strekt ertoe het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen. Dit concordantiebeginsel brengt niet zonder meer mee dat ontwikkelingen die zich in de Nederlandse rechtspraak voordoen, in de Caribische rechtspraak dienen door te werken, onder meer niet indien de eerstbedoelde ontwikkelingen worden bepaald of beïnvloed door Europese regelgeving of door rechtspraak van het HvJ EU. Er bestaat met name dan aanleiding niet overeenkomstig dat beginsel te beslissen indien sprake is van een duidelijk verschil in maatschappelijke opvattingen of de wetgever van het betrokken land een welbewuste keuze heeft gemaakt voor een afwijkend regime (zie de zaak Diageo/[naam]). Indien de wetgever heeft gekozen voor een afwijkende wettelijke regeling, geldt het beginsel van concordantie van rechtspraak dus niet (HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104). 3.21 De Merkenlandsverordening 1995 is in hoofdopzet gebaseerd op dat van de Benelux-Merkenwet, als geharmoniseerd door de Europese Merkenrichtlijn 89/104/EEG, maar de wetgever van de Nederlandse Antillen heeft uitdrukkelijk gekozen voor handhaving van wereldwijde uitputting, in plaats van territoriaal/regionaal beperkte uitputting. Het concordantiebeginsel brengt mee dat deze keuze gerespecteerd moet worden. 3.22 De bewoordingen omtrent de uitzondering op de (wereldwijde) uitputting, te weten ‘gegronde redenen (…), met name wanneer de toestand van de waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, gewijzigd of verslechterd is’ zijn in art. 23 lid 8 Mlv 1995 zo goed als identiek aan die in de Benelux-merkenwetgeving en in Merkenrichtlijn 89/104/EG. Het concordantiebeginsel brengt echter niet mee dat die uitzonderingsbepalingen door de Caribische rechter in die zin uitgelegd zouden moeten worden, dat die uitleg geheel concordant is met de uitleg die door het HvJ EG, het Benelux Gerechtshof en de Hoge Raad voor Europa, respectievelijk voor de Benelux, respectievelijk voor Europees Nederland gegeven wordt aan de Richtlijn respectievelijk de Benelux-merkenwetgeving. Hetgeen door Benelux- respectievelijk EU-organen in Europa (mede) voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk wordt beslist, is voor het Caribische deel van het Koninkrijk slechts maatgevend, voor zover de Hoge Raad bij de uitleg van Caribische rechtsregels tot het oordeel komt dat óók die (Brusselse Het leerstuk heeft van oudsher in belangrijke mate vorm gekregen in jurisprudentie over verkoop van producten die (zouden) zijn verkregen van partijen die deze in strijd met hun contractuele verplichtingen in het verband van een gesloten verkooporganisatie hebben doorverkocht. De conclusie dat het doorverkopen van producten die afkomstig zijn van een ‘lek’ in een gesloten verkooporganisatie onrechtmatig is, mag niet licht worden getrokken. 3.29 In Diageo/Esperamos heeft het Hof, verkort weergegeven, geoordeeld dat het voorshands onvoldoende aannemelijk is dat verwijdering van de identificatienummers leidt tot verwarring bij de consument omtrent de herkomst van het product of tot aantasting van de reputatie van het merk, zodat van onrechtmatig handelen niet is gebleken. In die zaak heeft de Hoge Raad klachten tegen dit oordeel verworpen, onder meer op de grond dat de stellingen van Diageo onvoldoende feiten inhouden waaruit zou kunnen volgen dat Esperamos c.s. wanprestatie van de leden van de verkooporganisatie hebben uitgelokt, dan wel onrechtmatig van eventuele wanprestatie hebben geprofiteerd. 3.30 Ook in Diageo/[naam] heeft het Hof het beroep van Diageo c.s. op onrechtmatige daad verworpen. Daartegen hebben Diageo c.s. in cassatie als klacht 5 een motiveringsklacht aangevoerd. Die klacht heeft de Hoge Raad verworpen met toepassing van art. 81 RO. Latere rechtspraak van het Hof 3.31 Het Hof heeft naar zijn eerdere rechtspraak over parallelimport verwezen en eraan vastgehouden in GHvJ 17 mei 2013 (Rémy Martin/Cardinal), ECLI:NL:OGHACMB:2013:80, en GHvJ 31 januari 2014 (niet 31 januari 2013, zoals ten onrechte boven het vonnis staat; de juiste datum staat onder het vonnis), ECLI:NL:OGHACMB:2013:69 (Bacardi/Cardinal) (het ECLI-nummer gaat uit van een onjuiste uitspraakdatum). Beschouwing naar aanleiding van het juridische kader 3.32 Voor zover Hennessy zich kritisch heeft uitgelaten over de uitspraken van de Hoge Raad in Diageo/Esperamos en Diageo/[naam], baat haar dat niet: het Hof neemt de juistheid van beide uitspraken tot uitgangspunt. 3.33 Hetgeen hiervoor onder 3.15 is geciteerd, geeft niet alleen de mening weer van de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, maar ook de opvatting van de wetgever (regering en Staten) van de Nederlandse Antillen ten tijde van de invoering van de Mlv. Aangenomen moet worden dat het ook de huidige opvatting is van de wetgevers van alle Caribische gebiedsdelen in het Koninkrijk. De wet is immers in geen van die gebiedsdelen gewijzigd. De schriftelijke verklaring van 27 augustus 2025 van [minister], voormalig minister van justitie van Sint Maarten en het nieuwsbericht van 14 juli 2019 op een website over [statenlid], destijds statenlid in Sint Maarten, zijn onvoldoende voor een ander oordeel. Ook de strafbaarstelling in 2011 in Curaçao van doorvoer van namaakgoederen via de Vrije Zone (wat daarvan zij) wijst er niet op dat de opvatting van de wetgevers is gewijzigd over uitputting van merkrechten en de daarbij betrokken belangen, zoals die ten grondslag liggen aan de Mlv. Hetzelfde geldt voor de regelgeving inzake etikettering (die overigens deels in 1998 in werking is getreden en in zoverre ouder is dan de Mlv die in 2001 in werking is getreden). Acties van de gezondheidsinspectie, de douane en het Openbaar Ministerie zijn geen acties van de wetgever en wijzen dus ook niet op een wijziging van opvatting van de wetgever. 3.34 Aangenomen moet worden dat de maatschappelijke opvattingen over wereldwijde uitputting van merkrechten en de belangen die gediend worden met parallelimport, ten tijde van de invoering van de Mlv niet afweken van de opvattingen van de wetgever daarover. Ook moet worden aangenomen dat zij sindsdien niet daarvan zijn gaan afwijken. Onvoldoende is gesteld om anders aan te nemen. De omstandigheid dat er in het Caribische deel van het Koninkrijk congressen worden georganiseerd over de bestrijding van counterfeit, is onvoldoende voor een ander oordeel. Zie hierna voor Voor zover het beroep van Hennessy op een uitspraak van de Franse rechter in Guadeloupe van 13 november 2018 bedoeld is om deze en vergelijkbare betogen te onderbouwen, geldt daarvoor hetzelfde. Het geldt ook voor de stelling van Hennessy dat parallelimport tot oneerlijke en verstoorde marktwerking en frauduleus handelen leidt of kan leiden. 3.39 Bij de door het Hof te maken belangenafweging weegt het door de wetgever vooropgestelde (aan te nemen) belang bij het mogelijk maken van parallelimport dus zwaar. 3.40 Het betoog van Hennessy dat het bevorderen van parallelimport mogelijk de alcoholconsumptie bevordert en daarmee de volksgezondheid schaadt, legt nauwelijks gewicht in de schaal. Er is geen reden om aan te nemen dat flessen die via parallelimport op de markt komen in de Caribische gebiedsdelen tot meer overmatig alcoholgebruik aanleiding geven dan flessen die via de afzetkanalen van Hennessy op die markt komen (en evenmin om aan te nemen dat gedecodeerde flessen tot meer alcoholgebruik aanzetten dan gecodeerde flessen; de eventuele waarschuwingen op de flessen tegen overmatig alcoholgebruik worden niet afgeplakt of weggevijld of verwijderd met een vloeistof). Als het toestaan van parallelimport ertoe leidt dat de totale alcoholconsumptie toeneemt, dan is die omstandigheid van weinig gewicht. 3.41 Het betoog van Hennessy dat er in de loop van de tijd in veel landen meer aandacht is gekomen voor de gevaren van alcohol voor de volksgezondheid, legt ook nauwelijks gewicht in de schaal. Indien die aandacht is toegenomen, moet aangenomen worden dat die vooral is gericht op de gevaren van (overmatige) consumptie van alcoholhoudende dranken in het algemeen en niet zozeer speciaal op gevaren van consumptie van alcoholhoudende drank uit gedecodeerde flessen of speciaal op gevaren van consumptie van alcoholhoudende drank waarmee ‘geknoeid’ is (in de zin dat de samenstelling van de drank zodanig is veranderd dat bij consumptie de gezondheidsschade groter is dan zonder die verandering). Zoals hierna zal worden toegelicht, is niet aannemelijk dat op relevante schaal is ‘geknoeid’ (in die zin) met de drank in gecodeerde flessen. De rol van decodering voor de mogelijkheid om parallelimport te bedrijven 3.42 Hennessy heeft gesteld dat het mogelijk is om parallelimport met flessen alcoholhoudende drank te bedrijven zonder gebruik te maken van gedecodeerde flessen. Bij pleidooi in hoger beroep hebben zij aangeboden deze stelling te bewijzen. 3.43 Het Hof zal Hennessy niet toelaten tot het aangeboden bewijs. De stelling is daarvoor te algemeen en onvoldoende ter zake doende. Waar het om gaat, is dat parallelimport van gedecodeerde flessen kan bijdragen aan de verkrijgbaarheid van goedkopere partijen alcoholhoudende drank op de Caribische markt. Voor zover Hennessy dat heeft betwist, heeft zij die betwisting onvoldoende onderbouwd. Functies van de identificatiecodes 3.44 Hennessy heeft aangevoerd, verkort weergegeven, dat de door hen gebruikte identificatiecodes een praktische en tastbare uitwerking zijn van de wezenlijke functie van hun merken, namelijk de herkomstfunctie, omdat zij het enige middel zijn aan de hand waarvan de herkomst kan worden achterhaald van flessen, waar ter wereld zij ook worden aangetroffen. Daarnaast hebben de identificatiecodes een kwaliteitsgarantiefunctie, die direct voortvloeit uit de herkomstfunctie, en vormen zij een instrument ter bescherming van de consument. Hennessy is ook wettelijk verplicht om haar waren van een identificatiecode te voorzien, aldus Hennessy. 3.45 Dit is een algemeen betoog dat op zichzelf nog niet de conclusie rechtvaardigt dat het belang bij parallelimport (met de rol van decodering daarbij) moet wijken voor de belangen van Hennessy. De uitwerking die Hennessy aan dit betoog heeft gegeven, zal hieronder nader beoordeeld worden. Problemen en gevaren met gedecodeerde flessen Kwaliteit van de drank in het algemeen 3.46 Hennessy heeft gesteld dat van flessen waarvan de identificatiecodes v Voor deze lijm (volgens Hennessy van onbekende compositie) geldt hetzelfde als voor de hiervoor besproken ingespoten vloeistof: Hennessy heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er een meer dan theoretisch gevaar bestaat dat gevaarlijke lijm wordt gebruikt en/of dat deze lijm de alcoholhoudende drank bereikt. Ook hier kan dus geen relevant gevaar voor de volksgezondheid worden aangenomen. Het aanbrengen van stickers 3.53 Hennessy heeft niet gesteld dat het aanbrengen van een (zwarte) sticker om een code onleesbaar te maken, op zichzelf een gevaar voor de volksgezondheid of veiligheid van personen oplevert. Beschadiging van het glasoppervlak 3.54 Bij Bottles c.s. zijn geen gedecodeerde flessen champagne aangetroffen. Ontploffingsgevaar speelt in de zaak tegen Bottles c.s. dus niet. Ten overvloede gaat het Hof toch in op de gestelde gevaren van beschadiging van het glasoppervlak. 3.55 Hennessy heeft foto’s overgelegd van flessen, en bij het mondelinge pleidooi flessen getoond (Belvedere en Moët & Chandon), waarvan de lasercodering ( laser engraved) is verwijderd door aantasting van het glasoppervlak van de fles. Met betrekking tot flessen Moët & Chandon (die koolzuur bevatten) heeft Hennessy gesteld dat er ontploffingsgevaar bestaat. Hiertoe hebben zij een beroep gedaan op (onder meer) het volgende geschrift. Productie 35 voor het pleidooi in hoger beroep is een Engelstalig rapport van 11 pagina’s (inclusief bijlage) van 21 februari 2024 van [senior scientist], senior scientist bij het bedrijf American Glass Research (hierna: [senior scientist]). Productie 34 voor het pleidooi in hoger beroep is een Nederlandstalige samenvatting van 4 pagina’s van [senior scientist] van 23 of 24 februari 2024. Deze samenvatting vermeldt onder meer: SAMENVATTING VAN RESULTATEN Na een statistische analyse van de resultaten is gebleken dat het verwijderen van de lasermarkeringen, en het daarbij aanbrengen van schuurmarkeringen op de flessen, een reductie in de drukbestendigheid van 60% kan veroorzaken. In een grotere populatie met flessen waarbij de lasercodering is verwijderd, is de laagst verwachte drukbestendigheid 9.7 kg/cm2 (9.5 bar). Voor een grotere populatie van flessen waarbij de lasercodering niet is verwijderd, is de laagst verwachte drukbestendigheid 23.7 kg/cm2 (23.2 bar). Men kan dus concluderen dat het verwijderen van de lasercodering door middel van de beschreven technieken een significant negatief effect heeft op de drukbestendigheid van de flessen. 3.56 Blijkens het rapport (p. 3) is één door de opdrachtgever aangeleverde gedecodeerde fles onderzocht waarop schuurmarkeringen waren aangebracht op twee plaatsen: bij de hals en onderin (dus niet op één plaats en niet op drie plaatsen, anders dan Hennessy in de pleitnota in hoger beroep onder nr. 11 heeft gesteld). De rapporteur acht aannemelijk dat deze schuurmarkeringen zijn aangebracht met ‘a linear grinding tool/material such as emery paper’ en dat het gebuikte schuurmateriaal waarschijnlijk siliconcarbide was. De drukbestendigheid is gemeten van dertig flessen met door de onderzoeker op dezelfde twee plaatsen aangebrachte schuurmarkeringen (met schuurpapier met een korrelgrootte van 150 grit) en een referentiegroep van dertig flessen zonder schuurmarkeringen (p. 4). Op p. 6 van het rapport staat een ‘discussion of results’. Een statistische berekening die uitgaat van een worst case scenario, namelijk langdurige opslag bij hoge temperatuur (in de samenvatting van het rapport aangeduid als: de laagst verwachte drukbestendigheid in een grotere populatie) leidt tot het in de samenvatting genoemde resultaat van een mogelijke reductie van de drukbestendigheid van 60%. 3.57 Bij pleidooi in hoger beroep zijn ook nadere rapporten van [senior scientist] van American Glass Research in het geding gebracht. Bij het pleidooi is een filmpje getoond waarin deze onderzoeker een tekst voorleest ter ondersteuning van zijn rapporten. 3.58 Het voorgaande levert op zichzelf een legitiem belang v 3.62 Ook is niet duidelijk wat de proef zegt over de kans op ‘ontploffen’ (met glasfragmenten die zich met hoge snelheden in alle richtingen verspreiden) in plaats van het ontstaan van een enkele breuklijn (met enig weglekkende drank). Voor zover in het rapport wordt gesteld dat iedere breuk van een champagnefles tot een ontploffing leidt, is die stelling niet onderbouwd. Het roept ook de vraag op hoe die stelling zich verhoudt met de omstandigheid dat bij de tweemaal dertig flessen die in de proef zijn gebruikt, telkens is vastgesteld waar de (eerste) breuk is opgetreden, hetgeen bij een ontploffing minder goed mogelijk lijkt. Ook wordt niet ingegaan op: - de kans dat de breuk ontstaat dan wel de ‘ontploffing’ plaatsvindt in de aanwezigheid van omstanders (op een drukbezocht feest in plaats van in een slecht bezochte opslagruimte); - hoe groot de kans is op letsel van verschillende ernst (een snee in de hand vergeleken met het verlies van een oog). 3.63 Onvoldoende duidelijk is of de fles die in het rapport als voorbeeld is gebruikt en volgens de rapporteur mogelijk met schuurpapier met korrels van siliconcarbide is bewerkt, representatief is voor de flessen die in het Caribische gebied worden aangetroffen, laat staan of de fles vergelijkbaar is met de flessen die bij Bottles c.s. zijn aangetroffen. 3.64 Evenmin is duidelijk wat het onderzoeksresultaat zegt over het risico van flessen waarbij een ander instrument voor de decodering is gebruikt dan het in deze proef gebruikte schuurpapier. Hennessy noemt als mogelijke instrumenten: - ‘ grof gereedschap’, memorie van grieven nr. 36, - ‘ slijptol voor de amateurklusser of voor de bouw’, memorie van grieven nr. 129, - hobby-freesapparaat, pleitnota nr. 4. Bij memorie van grieven heeft Hennessy gesproken van ‘diep slijpen’ en ‘diepe deuken’ (memorie van grieven nr. 18) 3.65 Het Hof heeft geen diepe deuken waargenomen op de in het geding gebrachte foto’s van flessen (bijvoorbeeld memorie van grieven nr. 49) en ook niet op de flessen die bij het pleidooi aan het Hof getoond zijn. De flessen die aan het Hof getoond zijn, vertonen weliswaar een dof en ruw oppervlak op de (kleine) plaats(en) waar de code behoort te staan, maar, voor zover het Hof dat kan waarnemen, geen diepe deuken en geen sporen van gebruik van grof gereedschap. Hennessy heeft haar stelling dat er diepe deuken worden aangebracht, in het geheel niet onderbouwd, laat staan dat gesteld of gebleken is op welke schaal dat volgens Hennessy gebeurt. 3.66 De statistische kans op (ernstig) letsel kan nooit nihil zijn, ook niet bij flessen die niet zijn gedecodeerd. Het gaat erom of het risico dat letsel ontstaat zo klein is dat het verantwoord is dat risico te nemen. 3.67 Het is een feit van algemene bekendheid dat het met enige regelmaat voorkomt dat consumenten teksten en plaatjes graveren op flessen champagne. Dat maakt het minder aannemelijk dat de schuurmarkeringen die gebruikt worden om een codering onleesbaar te maken in hun algemeenheid een onverantwoord risico voor de volksgezondheid opleveren. 3.68 De verschillende producties waaruit blijkt dat entiteiten zoals Verallia en Saint Gobain-emballage spreken van gevaar en personeel van Hennessy zelfs van ‘bommetjes’ e.d. (producties 4 en 5 bij memorie van grieven) maken het voorgaande niet anders. 3.69 Bij pleidooi in hoger beroep is nog een rapport van 23 april 2015 overgelegd van Critt Materiaux Alsace, maar zonder toelichting, die ontbreekt, maakt dat rapport het voorgaande evenmin anders. 3.70 Al met al komt het Hof tot de slotsom dat Hennessy onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het risico dat schuurmarkeringen op een champagnefles leiden tot ontploffing van de fles en, daaraan gekoppeld, tot verwondingen, zo onverantwoord hoog is dat het de doorslag moet geven voor de beoordeling in deze zaak. Andere wijzen van decodering 3.71 Hennessy spreekt nog van het wegsnijden van codes en etiketten en het zwartmaken van etiketten (memorie van grieven nrs. 16 en 31), Decodering dient echter ook het zwaarwegende belang van vrije parallelhandel. De aangebrachte wijzigingen bij het decoderen zijn gering en doen slechts in beperkte mate afbreuk aan de goede faam van de merken van Hennessy. Niet is gebleken dat de diverse gebruikelijke wijzen van decodering een onverantwoord risico voor de volksgezondheid en veiligheid van personen opleveren. De herkomstfunctie van de merken is slechts in beperkte mate in het geding. De afweging leidt tot de slotsom dat Hennessy geen gegronde reden heeft voor verzet als bedoeld in art. 23 lid 8 Mlv. De grondrechten 3.81 Bij de belangenafweging die het Hof hierboven gemaakt heeft, heeft een belang dat verband houdt met de veiligheid (gezondheid) van personen het afgelegd tegen een belang dat verband houdt met de economie (de welvaart). Dat is op zichzelf niet in strijd met art. 2 EVRM of art. 8 EVRM of met enige andere bepaling uit het EVRM. Het voorgaande brengt mee dat het Hof Hennessy niet volgt in hun stelling dat het toestaan van decodering een reëel en direct gevaar oplevert dat bepaalde personen rechtstreeks bedreigt. Andere landen 3.82 Hennessy heeft een beroep gedaan op rechtsregels en maatregelen in China, Turkije en de Verenigde Staten van Amerika. Die zijn voor deze beoordeling niet van belang. Onrechtmatige daad 3.83 Hennessy heeft (met een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad uit 1961 en 1995) aangevoerd dat de verwijdering van identificatiecodes onrechtmatig is op grond van art. 6:162 BW. Zij heeft echter niet gesteld dat Bottles c.s. in deze zaak zich zelf schuldig hebben gemaakt aan de verwijdering van identificatiecodes. Zij heeft ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de wijze waarop Bottles c.s. ervan profiteren dat anderen de identificatiecodes hebben verwijderd, onrechtmatig jegens Hennessy is. Hierbij is van belang dat blijkens voorgaande oordelen Hennessy zich niet op grond van haar merkrechten kan verzetten tegen de verkoop van de bij Bottles c.s. aangetroffen flessen, juist omdat de wetgever belang hecht aan de mogelijkheid van parallelimport ten behoeve van dergelijke verkoop. 3.84 Indien Bottles c.s. door gedecodeerde producten te koop aan te bieden en te verkopen, verbodsbepalingen uit het Landsbesluit etikettering overtreden, brengt dat nog niet mee dat die handelwijze ook onrechtmatig is jegens Hennessy, dus dat voldaan is aan het relativiteitsvereiste. Weliswaar strekken die verbodsbepalingen onder meer tot bescherming van de volksgezondheid en de veiligheid van personen, maar daarmee strekken zij tot bescherming van belangen van het publiek en niet tot bescherming van belangen van merkhouders. Uit de omstandigheid dat in de Nota van toelichting de fabrikant en de producent genoemd worden, kan het tegendeel niet worden afgeleid. Ook kan het tegendeel niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de functies van merkrechten meebrengen dat merkhouders legitieme belangen (kunnen) hebben die verband houden met de volksgezondheid en de veiligheid van personen. Niet van belang is in hoeverre de Caribische regelgeving over etikettering concordant is met de Europees-Nederlandse regelgeving daarover en evenmin in hoeverre die Europees-Nederlandse regelgeving een Europeesrechtelijke oorsprong heeft. Overig 3.85 Bij vonnis van 2 december 2022, zaaknummer SXM202201216, heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten in kort geding overwogen voorshands van oordeel te zijn dat eiseres in die zaak door beschadigde en gedecodeerde flessen Veuve Clicquot te verkopen onrechtmatig heeft gehandeld jegens MHCS, dat zij hierdoor gewijzigde en verslechterde waar heeft verkocht en dat hiermee de kwaliteitsgarantiefunctie van het merk is aangetast. Deze uitspraak levert echter geen jurisprudentie op die het Hof bindt, reeds niet omdat het een vonnis in kort geding is. 3.86 Het Hof ziet niet in dat het met voorgaande oordelen de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend of regels van bewijslastverdeling heeft geschonden. Het Hof ziet ook niet in