Rechtspraak 2026-07-28
ECLI:NL:OGHACMB:2026:214
Sint Maarten. Aanrijding. De ene autobestuurder verleent geen voorrang en de andere rijdt onder invloed van alcoholhoudende drank. Burgerlijke zaken over 2026 Zaaknummers: SXM202301389 – SXM2024H00083 Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao) GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [BESTUURDER VOLKSWAGEN], wonende in Sint Maarten, in eerste aanleg eiser/geopposeerde, thans appellant, procederende in persoon, tegen [BESTUURDER TRUCK], wonende in Sint Maarten, in eerste aanleg verweerder/opposant, thans geïntimeerde, procederende in persoon. Partijen worden hierna [bestuurder Volkswagen] en [bestuurder truck] genoemd. 1 De zaak in het kort Dit geding heeft betrekking op een aanrijding tussen twee auto’s. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de bestuurder van de ene auto ten onrechte geen voorrang heeft verleend en dat de bestuurder van de andere auto heeft gereden onder invloed van alcoholhoudende drank. In dit hoger beroep beoordeelt het Hof de vorderingen opnieuw. 2 Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 12 juli 2024 ingekomen geschrift, met bijlage, is [bestuurder Volkswagen] gemotiveerd in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 25 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. 2.2 Bij op 1 oktober 2024 ingekomen geschrift heeft [bestuurder Volkswagen] de motivering van het hoger beroep aangevuld. 2.3 Bij op 12 februari 2025 ingekomen memorie van antwoord heeft [bestuurder truck] het hoger beroep bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen en de vordering van [bestuurder Volkswagen] geheel zal afwijzen. 2.4 Bij e-mail van 26 september 2025 heeft de griffie van het Hof partijen bericht dat de zaak naar de zitting van 22 oktober 2025 is verwezen voor schriftelijk pleidooi. Op 22 oktober 2025 hebben partijen geen pleitnotities ingediend. 2.5 Vonnis is bepaald op vandaag. 3 De beoordeling Feiten 3.1 Het Hof gaat uit van de feiten als vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis. Kort gezegd gaat het om het volgende. 3.2 Op 15 oktober 2022 is op [weg] in Sint Maarten een door [bestuurder Volkswagen] bestuurde Volkswagen in botsing gekomen met een door [bestuurder truck] bestuurde truck. De Volkswagen heeft hierdoor schade opgelopen. De politie is ter plaatse geweest, evenals een of meer medewerkers van Caribbean Accident & Road Service N.V. (hierna: C.A.R.S.). Vorderingen en beslissingen van het Gerecht 3.3 In dit geding heeft [bestuurder Volkswagen] betaling van NAf 10.000 gevorderd als kosten van herstel van de Volkswagen, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Bij betalingsbevel van 31 oktober 2023 heeft het Gerecht de vordering toegewezen. Tegen die beslissing heeft [bestuurder truck] verzet ingesteld. Bij het bestreden vonnis van 25 juni 2024 heeft het Gerecht het betalingsbevel vernietigd en [bestuurder truck] veroordeeld tot betaling van NAf 2.000 met rente en de proceskosten gecompenseerd. 3.4 Het Gerecht heeft, verkort weergegeven, als volgt geoordeeld. Het ongeval is voor 80% te wijten aan [bestuurder Volkswagen] en 20% van de schade moet aan [bestuurder truck] worden toegerekend. [bestuurder Volkswagen] had voorrang moeten verlenen en heeft dat niet gedaan. [bestuurder truck] was onder invloed van alcohol. Beoordeling door het Hof 3.5 [ [bestuurder Volkswagen] heeft aangevoerd dat aannemelijk moet worden geacht dat [bestuurder truck] ten tijde van de aanrijding een bloedalhocolpromillage had van ongeveer 1,65 promille. Hij heeft dit berekend op basis van de verklaring van [bestuurder truck] ter zitting van het Gerecht dat hij twee magnums had gedronken. [bestuurder Volkswagen] acht dat leugenachtig en gaat uit van vier flessen magnum tonic wijn (200 ml per fles, alcoholpercentage 16%). 3.6 Over het alcoholgebruik van [bestuurder truck] bevat het dossier (naast de verklaringen en betogen van partijen) de volgende informatie: a. Een politierapport van 31 oktober 2022 vermeldt dat [bestuurder truck] in overtreding was van art. 6 sub a van de Wegenverkeersverordening (rijden onder invloed). b. Een ongedateerd “patrol special observation sheet” van C.A.R.S. vermeldt dat de bestuurder van de Volkswagen zei dat de bestuurder van de truck onder invloed was en dat de medewerker van C.A.R.S. de bestuurder van de truck niet heeft aangetroffen. c. Een schriftelijke verklaring van 9 mei 2023 van een zekere [getuige] vermeldt dat de medewerker van C.A.R.S. zei dat [bestuurder truck] “clearly intoxicated” was en dat [getuige] gezien heeft dat [bestuurder truck] bijna niet rechtop kon blijven staan en zich moest vasthouden aan een lantaarnpaal en dat het rond de truck zwaar naar alcohol rook. d. Een schriftelijke verklaring van 5 maart 2024 van [politiechef], politiechef, vermeldt: While talking to [bestuurder truck], the police noted that he smelled of internal consumption of alcohol. Further caracteristics of intoxication were absent. [bestuurder truck] was told by the police not to drive any further and to ask another driver to drive the vehicle. [bestuurder truck] called a friend to pick up the vehicle. 3.7 [ [bestuurder truck] heeft op de zitting bij het Gerecht verklaard dat hij twee magnums tonic wine heeft gedronken. Naar het oordeel van het Hof kan uit de informatie in het dossier niet worden afgeleid dat deze verklaring in strijd met de waarheid is. Het past weliswaar niet goed bij de schriftelijke verklaring van [getuige], maar niet is toegelicht wie dat is. Zij verklaart dat zij na de aanrijding is gebeld en ter plaatse is gegaan, maar niet is toegelicht wie haar heeft gebeld. Verder is haar verklaring meer dan een half jaar na de aanrijding afgelegd, kennelijk op verzoek van [bestuurder Volkswagen]. Haar verklaring moet daarom met behoedzaamheid worden gehanteerd. De vermelding in het politierapport van 31 oktober 2022 moet worden gelezen in het licht van de nadere schriftelijke verklaring van de politiechef van 5 maart 2024. Daarin staat dat [bestuurder truck] rook naar inwendig gebruik van alcohol, maar dat verdere kenmerken van alchoholgebruik afwezig waren. Ook bij consumptie van weinig alcoholhoudende drank kan iemand naar alcohol ruiken. De stelling van [bestuurder Volkswagen] dat [bestuurder truck] de neiging heeft de waarheid te verdraaien, vindt onvoldoende steun in het dossier. 3.8 Het Hof zal daarom aannemen dat [bestuurder truck] twee flessen magnum tonic wine heeft gedronken. Het is best mogelijk dat dit bij een geschat gewicht van 90 kg overeenkomt met een bloedalhocolpromillage van ongeveer 0,825 promille, zoals [bestuurder Volkswagen] heeft betoogd. Het maakt in elk geval voldoende aannemelijk dat de aanrijding mede is veroorzaakt door de aan [bestuurder truck] toe te rekenen omstandigheid dat hij na consumptie van twee flessen magnum tonic wine met de truck over de weg heeft gereden. 3.9 [ [bestuurder Volkswagen] heeft in hoger beroep aandacht gevraagd voor de hoek en de plaats van de schade aan de Volkswagen. Kennelijk meent hij dat die hoek en plaats steun geven aan zijn betoog als vermeld in zijn e-mail van 21 oktober 2022 aan de politie, inhoudende dat de aanrijding niet heeft plaatsgehad op de weghelft van de truck, maar op de weghelft van de Volkswagen. Bij zijn gedingstuk van 19 oktober 2023 heeft hij onder meer foto’s van de Volkswagen overgelegd. Foto 21 heeft als onderschrift “avond van de aanrijding”. 3.10 Over de precieze plaats van de botsing bevat het dossier (naast de verklaringen en betogen van partijen) de volgende informatie: a. Het politierapport van 31 oktober 2022 vermeldt dat [bestuurder Volkswagen] in overtreding was van art. 13 lid 2 sub a (geen voorrang verlenen) en art. 5 (gevaarlijk rijden) van de Wegenverkeersverordening. Verder vermeldt dat rapport: [De Volkswagen] (…) verzuimde (…) de doorgang voor zich vrij te laten voor het verkeer op de doorgaande weg ([de truck]). Het gevolg hiervan is dat [de truck] met de voorzijde botste tegen de linkerzijde van [de Volkswagen]. Deze botsing vond plaats (…) op het weggedeelte welke voor [de truck] gevolgd werd. b. De “patrol special observation sheet” van C.A.R.S. vermeldt: For reasons unknown to C.A.R.S. Patrol the driver of [Volkswagen] made a left turn and collided with the driver of [truck]. c. De schriftelijke verklaring van [getuige] vermeldt: When I arrived at the scene the first thing I noticed was debris from the Volkswagen on the right side of the road (the side of the road which is going towards Philipsburg). d. De schriftelijke verklaring van de politiechef vermeldt: When taking the left turn, [Volkswagen] failed to give the right of way to traffic on the through road. 3.11 Naar het oordeel van het Hof maken deze gegevens, in samenhang beschouwd, voldoende aannemelijk dat de botsing plaatshad op de weghelft van de truck en dat [bestuurder Volkswagen] dus geen voorrang heeft verleend en de weg niet vrij heeft gehouden voor de truck, die voorrang had. Dit is wat de politie heeft geconstateerd. C.A.R.S. is er minder duidelijk over. De “debris” die [getuige] verklaart te hebben gezien, geeft geen aanwijzing voor het tegendeel, omdat de “debris” best op de andere weghelft terechtgekomen kan zijn. Foto 21 van de Volkswagen in het gedingstuk van 19 oktober 2023 levert ook geen aanwijzing op van het tegendeel; daaraan kan het Hof niet zien vanuit welke hoek de schade precies is ontstaan. 3.12 Aldus is voldoende aannemelijk dat de aanrijding mede is veroorzaakt door de aan [bestuurder Volkswagen] toe te rekenen omstandigheid dat hij de doorgaande voorrangsweg is opgereden zonder voorrang te verlenen. 3.13 Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (art. 6:101 BW). 3.14 Aangenomen moet worden dat de aan [bestuurder Volkswagen] toe te rekenen omstandigheden in wat grotere mate tot de schade hebben bijgedragen dan de aan [bestuurder truck] toe te rekenen omstandigheden. [bestuurder Volkswagen] heeft gevaar veroorzaakt door de weg op te rijden op een moment dat de truck zo dicht genaderd was dat een aanrijding zou plaatsvinden, tenzij [bestuurder truck] tijdig zou ingrijpen. [bestuurder truck] heeft gevaar veroorzaakt door te rijden na consumptie van alcoholhoudende drank, hetgeen in het algemeen meebrengt dat de reactiesnelheid vermindert. Bij een afweging van deze omstandigheden komt het Hof tot de uitkomst dat de schade voor 40% aan [bestuurder truck] wordt toegerekend. Het Hof ziet geen aanleiding om op deze uitkomst een billijkheidscorrectie toe te passen. 3.15 Blijkens de toelichting die [bestuurder Volkswagen] bij het Gerecht heeft gegeven, meent hij dat hij meer schade heeft geleden dan Cg 10.000, maar heeft hij zijn vordering tot dat bedrag beperkt. Niettemin heeft het Gerecht het percentage van 20% berekend over Cg 10.000. Nu [bestuurder Volkswagen] in hoger beroep daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal het Hof het door het Hof gehanteerde percentage ook over Cg 10.000 berekenen. Voor zover [bestuurder truck] heeft willen betogen dat de schade van [bestuurder Volkswagen] op minder dan Cg 10.000 moet worden begroot, heeft hij dat standpunt onvoldoende onderbouwd in het licht van de door [bestuurder Volkswagen] gegeven onderbouwing van zijn schade. 3.16 Het Hof acht het niet nodig om een deskundigenbericht te gelasten om het schadebeeld aan de Volkswagen te onderzoeken. Ook zal het Hof [bestuurder Volkswagen] niet toelaten tot verhoor van politieagenten als getuigen, aangezien [bestuurder Volkswagen] niet concreet heeft gesteld welke feiten hij met die getuigenverhoren wenst te bewijzen en ook niet heeft vermeld in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan al blijkt uit het politierapport van 31 oktober 2022, zoals aangevuld met de verklaring van de politiechef van 5 maart 2024. 3.17 Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Gelet op deze uitkomst zal het Hof de proceskosten in beide instanties compenseren. B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt het vonnis van 25 juni 2024; vernietigt het bevel van betaling van 31 oktober 2023; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt [bestuurder truck] tot betaling aan [bestuurder Volkswagen] van Cg 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2023 tot aan de dag van de betaling; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.