Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-01-21
ECLI:NL:OGHACMB:2025:78
Civiel recht
Hoger beroep
7,764 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR201904575 – CUR2023H000358
Uitspraak: 21 januari 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
wonende in [woonplaats],
appellant, in eerste aanleg eiser,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
tegen
de naamloze vennootschap
ENNIA CARIBE SCHADE N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna [appellant] en Ennia genoemd.
1De zaak in het kort
[appellant] is gewond geraakt aan zijn voet toen hij werd aangereden door een verzekerde van Ennia. Ennia heeft aansprakelijkheid erkend. In de procedure bij het Gerecht hebben partijen getwist over de hoogte van de schade ter zake vervangend vervoer, verlies arbeidsvermogen en smartengeld. In hoger beroep gaat het alleen over verlies arbeidsvermogen en beoordeelt het Hof dit opnieuw.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 27 december 2023 per e-mail ingediende akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 november 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 7 februari 2024 per e-mail ingediende memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog (naar het Hof begrijpt integraal en zoals vermeerderd) zal toewijzen, met veroordeling van Ennia in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij memorie van antwoord, met een productie, heeft Ennia de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant]– uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
2.4
Op 3 december 2014 heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden. Aanwezig waren [appellant] met zijn gemachtigde, de gemachtigde van Ennia en namens Ennia [medewerker ENNIA 1] en [medewerker ENNIA 1], werkzaam op de juridische afdeling van Ennia. De gemachtigden hebben aan de hand van pleitnota’s hun pleidooi gehouden. Voorafgaand aan het pleidooi heeft [appellant] de producties 19 tot en met 22 overgelegd en Ennia heeft foto’s overgelegd als productie 16.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Feiten
3.1
Op 1 april 2019 is [appellant] aangereden door een verzekerde van Ennia. Ennia heeft aansprakelijkheid erkend voor de door het ongeval veroorzaakte schade.
3.2
Als gevolg van het ongeval heeft [appellant] letsel opgelopen aan zijn linkervoet. De door het Gerecht benoemde deskundige dr. A. van Kampen (hierna: de deskundige) heeft onder meer het volgende geconstateerd:
“BESCHOUWING
Als gevolg van een voetbeklemming links bij een auto-ongeval heeft betrokkene facturen(Hof: fracturen) ter hoogte van de basis van de grondfalanx dig 2, 3 en 4 opgelopen. (…)Bij het huidige lichamelijk onderzoek valt op dat de tenen in stand de grond niet raken en dat de geringe klauwstand licht toeneemt bij maximale dorsoflexie van de enkel. De bevindingen bij lichamelijk onderzoek duiden in de 1e plaats op een consolidatie van de fracturen in een geringe dorsaalflexie stand, hetgeen de verklaring is voor het feit dat in stand de tenen de grond niet raken. In de 2e plaats is er sprake van geringe contractuurvorming van de flexoren (=teenbuigers), hetgeen zich uit door de toename van de klauwstand bij toenemende dorsaalflexie van de enkel, als gevolg van de destijds opgetreden weke delen zwelling en hematoomvorming.
Als gevolg van bovenstaande zijn de blijvende pijnklachten ter plaatse van de voorvoet te verklaren en dus het directe gevolg van het hem overkomen ongeval. Hierbij teken ik aan dat de pijnaangifte van betrokkene met behulp VAS pijnscore naar mijn mening erg hoog is voor de vastgestelde
afwijkingen. De pijnklachten worden veroorzaakt door de relatieve overdruk ter plaatse van de kopjes van de metatarsalia (= middenvoetsbeentjes). (…)
Conclusie
Ik stel de diagnose op een status na fractuur proximale phalanx dig 2, 3 en 4
linkervoet, genezen in niet anatomische positie.”
3.3
De deskundige heeft verder geconstateerd dat [appellant] bij het staan en lopen lichte beperkingen heeft door de afwijkende stand (klauwstand) van zijn tenen en de daardoor optredende pijnklachten in de linker voorvoet.
3.4 [
[appellant] is na het ongeval behandeld door [orthopedisch chirurg], orthopedisch chirurg. [orthopedisch chirurg] heeft meerdere (gedateerde en ongedateerde) briefjes geschreven over de (mate van) arbeidsgeschiktheid van [appellant]. Daarin is onder meer opgenomen dat [appellant] arbeidsongeschikt is tot en met zes maanden na het ongeval, zijnde oktober 2019, in relatie tot zijn werk hetgeen zwaar tillen inhoudt. In een ander briefje (gedateerd 31 juli 2019) staat dat de arbeidsongeschiktheid duurt tot zes maanden na 31 juli 2019.
3.5
Voorafgaand aan het ongeval was [appellant] werkzaam als “independent contractor” bij Lovers Industrial Corporation B.V. (hierna: Lovers). Hij bezorgde met een door Lovers ter beschikking gestelde auto producten aan ambulante verkopers. Lovers heeft verklaard dat [appellant] voor dit werk een maandelijkse vergoeding ontving van NAf 2.600. Sinds april 2019 heeft [appellant] van Lovers geen inkomen ontvangen (op basis van het beginsel: no work, no pay). Op 20 augustus 2019 heeft Lovers het volgende over [appellant] bericht:
“By means of this letter we confirm that Mr. [appellant] was appointed a company vehicle since he did not have his own vehicle available and needed to be at a specific time at work. Due to his accident on April 1st we were forced to retrieve the vehicle and assign it to a new person since he was not capable of driving and the vehicle needed to be used by the company. ”
Vervolgens heeft Lovers op 20 november 2019 het volgende bericht:
“Mr. [appellant] worked for our company as an Independent Service Provider in the period of (January 9, 2018) till (April 1, 2019). However, due to his prolonged absence as a result of the accident that occurred on April 1, 2019, we were forced to fill his workplace with another employee. Due to this circumstance, there is currently no workplace available for Mr. [appellant] in our company, so that we were forced to end our work relationship with him”.
3.6
Ennia heeft tijdens de procedure bij het Gerecht in totaal NAf 16.068,73 aan [appellant] uitgekeerd en heeft vervolgens ook voldaan aan de veroordeling in het bestreden vonnis.
Procesverloop
4.1 [
[appellant] heeft bij inleidend verzoek gevorderd Ennia te veroordelen tot betaling van NAf 58.740 aan schadevergoeding. [appellant] heeft zijn eis vermeerderd, eerst door verlies arbeidsvermogen te vorderen van NAf 2.600 per maand tot en met augustus 2020 (in plaats van tot december 2019). Daarna heeft [appellant] in zijn conclusie na deskundigenbericht van 19 juni 2023 nogmaals zijn eis vermeerderd, waarbij hij heeft gevorderd Ennia te veroordelen tot NAf 300.000 inzake verlies arbeidsvermogen, met aftrek van wat hij reeds heeft ontvangen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het inleidend verzoek (9 december 2019).
4.2
Na tussenvonnissen van 30 november 2020, van 6 september 2021 en van 5 september 2022 heeft het Gerecht bij eindvonnis van 20 november 2023 Ennia veroordeeld tot betaling van NAf 6.550 (aan extra kosten vervangend vervoer) en tot betaling van het netto equivalent van vier bruto maandsalarissen van NAf 2.600 (aan verlies arbeidsvermogen minus het al door Ennia ter zake van deze post betaalde bedrag).
Beoordeling
5.1
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellant] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
omvang hoger beroep
5.2
Partijen hebben bij het Gerecht gestreden over de hoogte van de schade wat betreft vervangend vervoer, verlies van arbeidsvermogen en smartengeld. De grieven van [appellant] vallen in feite alleen de beslissing van het Gerecht aan inzake het verlies van arbeidsvermogen; [appellant] betoogt dat inzake deze post meer moet worden toegewezen. Ook Ennia heeft geen bezwaar gemaakt tegen de toewijzende beslissingen van het Gerecht inzake vervangend vervoer (het Gerecht heeft een vergoeding toegekend van NAf 6.750 voor een periode van drie maanden) en inzake de hoogte van het smartengeld (NAf 5.000). Het Hof zal de hoogte van de schade door verlies van arbeidsvermogen opnieuw beoordelen.
verlies van arbeidsvermogen
5.3 [
[appellant] heeft in processtukken en tijdens de zitting in hoger beroep (samengevat) het volgende aangevoerd. Hij heeft nog steeds veel pijn aan zijn linkervoet, hij loopt op de bal van die voet en het voelt alsof er een steen in zijn schoen zit. De tenen van die voet staan in een klauwstand en daarom gebruikt hij steunzolen. Die klauwstand zorgt voor een onstandvastige balans. Lang lopen en lang staan levert meer pijn op.
5.4
Voordat hij bij Lovers werkte had [appellant] een eigen schildersbedrijf en heeft hij ook in de beveiliging gewerkt (onder meer als uitsmijter). Die werkzaamheden kon hij niet meer uitvoeren wegens rug- en nekklachten, mede als gevolg van een eerder auto-ongeluk dat hem in 2017 is overkomen. In 2018 is hij bij Lovers gaan werken, waar hij ijs bezorgde in een auto van de zaak. Door het ongeval in 2019 kon hij dat werk niet meer doen en verloor daarmee de auto van de zaak, die hij ook privé gebruikte. [appellant] kon niet terugkomen bij Lovers, zijn plaats daar was al vergeven. Hij heeft geprobeerd ander werk te krijgen maar dat is op zijn leeftijd niet makkelijk. Hij doet nu klusjes en krijgt financiële ondersteuning van een vriend en van zijn broer.
5.5
Op grond van de processtukken acht het Hof het redelijk om uit te gaan van een verlies van arbeidsvermogen van in totaal negen maanden (van 1 april 2019 tot 1 februari 2020). Het Hof acht het op grond van de overgelegde verklaringen van Lovers voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn werk daar heeft verloren als gevolg van het ongeval en ook dat hij daarna niet kon terugkeren omdat iemand anders zijn plaats had ingenomen. Het Hof hecht verder enige waarde aan de verschillende verklaringen van [orthopedisch chirurg], ook al sluiten die niet geheel op elkaar aan. [orthopedisch chirurg] was kennelijk van mening (zo blijkt ook uit zijn verklaring van 19 augustus 2020) dat orthopedische schoeisel behulpzaam kon zijn om de klachten van [appellant] te verminderen en dat het gebrek daaraan de arbeidsongeschiktheid van [appellant] zou verlengen. [appellant] mocht afgaan op deze opinie van zijn behandelende arts. Dat de deskundige hier achteraf bezien anders over denkt doet daar niet aan af. Negen maanden acht het Hof bovendien een redelijke periode voor het vinden van ander passend werk door [appellant]. Dit werk zal gelet op zijn leeftijd, voorervaring en de beperkingen bij (lang) staan en lopen, die ook uit het rapport van de deskundige volgen, niet makkelijk te vinden zijn. Anderzijds heeft [appellant] geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat dit onmogelijk is en dat hij ook echt geprobeerd heeft passend werk te vinden. Voor een hogere vergoeding inzake verlies van arbeidsvermogen, zoals bepleit door [appellant], ziet het Hof daarom geen aanleiding.
Conclusie
5.6
De conclusie luidt dat het Hof Ennia zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van het netto-equivalent van negen bruto maandsalarissen (van NAf 2.600), uiteraard met aftrek van hetgeen Ennia inmiddels al betaald heeft ter zake deze post en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019 over het nog niet betaalde bedrag.
5.7
Dit betekent dat onbesproken kan blijven of [appellant] na 1 februari 2020 heeft meegelopen in een carnavalsoptocht dan wel in een sportschool is gesignaleerd. Hetzelfde geldt voor de discussie of de laatste eisvermeerdering van [appellant] moet worden toegestaan.
5.8
De grieven 1 en 3 gaan deels op. De andere grieven kunnen onbesproken blijven. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor wat betreft onderdeel 4.3 inzake verlies van arbeidsvermogen (die vordering zal worden toegewezen zoals hiervoor aangekondigd en hierna te melden) en ter zake de compensatie van proceskosten (onderdeel 4.5).
5.9
Het Hof beschouwt Ennia als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in beide instanties. Ennia zal daarom worden veroordeeld in de kosten van die beide instanties, waarbij het salaris van de gemachtigde zal worden bepaald op basis van het toegewezen bedrag.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent [appellant] toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissing inzake het verlies van arbeidsvermogen (onderdeel 4.3) en de beslissing over de proceskosten (onderdeel 4.5), met bevestiging van het vonnis voor het overige;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Ennia tot betaling aan [appellant] van het netto-equivalent van negen bruto maandsalarissen van NAf 2.600, met aftrek van hetgeen Ennia inmiddels al betaald heeft ter zake deze post, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019 over het nog niet betaalde bedrag tot aan de algehele voldoening;
veroordeelt Ennia in de kosten van de procedure bij het Gerecht, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op NAf 972,50 aan verschotten en NAf 5.000 aan salaris voor de gemachtigde en in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op NAf 1.839,73 aan verschotten en NAf 6.000 aan salaris voor de gemachtigde en in de kosten van het hoger beroep;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR201904575 – CUR2023H000358
Uitspraak: 21 januari 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
wonende in [woonplaats],
appellant, in eerste aanleg eiser,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
tegen
de naamloze vennootschap
ENNIA CARIBE SCHADE N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.
Partijen worden hierna [appellant] en Ennia genoemd.
1De zaak in het kort
[appellant] is gewond geraakt aan zijn voet toen hij werd aangereden door een verzekerde van Ennia. Ennia heeft aansprakelijkheid erkend. In de procedure bij het Gerecht hebben partijen getwist over de hoogte van de schade ter zake vervangend vervoer, verlies arbeidsvermogen en smartengeld. In hoger beroep gaat het alleen over verlies arbeidsvermogen en beoordeelt het Hof dit opnieuw.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 27 december 2023 per e-mail ingediende akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 november 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 7 februari 2024 per e-mail ingediende memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog (naar het Hof begrijpt integraal en zoals vermeerderd) zal toewijzen, met veroordeling van Ennia in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij memorie van antwoord, met een productie, heeft Ennia de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant]– uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
2.4
Op 3 december 2014 heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden. Aanwezig waren [appellant] met zijn gemachtigde, de gemachtigde van Ennia en namens Ennia [medewerker ENNIA 1] en [medewerker ENNIA 1], werkzaam op de juridische afdeling van Ennia. De gemachtigden hebben aan de hand van pleitnota’s hun pleidooi gehouden. Voorafgaand aan het pleidooi heeft [appellant] de producties 19 tot en met 22 overgelegd en Ennia heeft foto’s overgelegd als productie 16.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Feiten
3.1
Op 1 april 2019 is [appellant] aangereden door een verzekerde van Ennia. Ennia heeft aansprakelijkheid erkend voor de door het ongeval veroorzaakte schade.
3.2
Als gevolg van het ongeval heeft [appellant] letsel opgelopen aan zijn linkervoet. De door het Gerecht benoemde deskundige dr. A. van Kampen (hierna: de deskundige) heeft onder meer het volgende geconstateerd:
“BESCHOUWING
Als gevolg van een voetbeklemming links bij een auto-ongeval heeft betrokkene facturen(Hof: fracturen) ter hoogte van de basis van de grondfalanx dig 2, 3 en 4 opgelopen. (…)Bij het huidige lichamelijk onderzoek valt op dat de tenen in stand de grond niet raken en dat de geringe klauwstand licht toeneemt bij maximale dorsoflexie van de enkel. De bevindingen bij lichamelijk onderzoek duiden in de 1e plaats op een consolidatie van de fracturen in een geringe dorsaalflexie stand, hetgeen de verklaring is voor het feit dat in stand de tenen de grond niet raken. In de 2e plaats is er sprake van geringe contractuurvorming van de flexoren (=teenbuigers), hetgeen zich uit door de toename van de klauwstand bij toenemende dorsaalflexie van de enkel, als gevolg van de destijds opgetreden weke delen zwelling en hematoomvorming.
Als gevolg van bovenstaande zijn de blijvende pijnklachten ter plaatse van de voorvoet te verklaren en dus het directe gevolg van het hem overkomen ongeval. Hierbij teken ik aan dat de pijnaangifte van betrokkene met behulp VAS pijnscore naar mijn mening erg hoog is voor de vastgestelde
afwijkingen. De pijnklachten worden veroorzaakt door de relatieve overdruk ter plaatse van de kopjes van de metatarsalia (= middenvoetsbeentjes). (…)
Conclusie
Ik stel de diagnose op een status na fractuur proximale phalanx dig 2, 3 en 4
linkervoet, genezen in niet anatomische positie.”
3.3
De deskundige heeft verder geconstateerd dat [appellant] bij het staan en lopen lichte beperkingen heeft door de afwijkende stand (klauwstand) van zijn tenen en de daardoor optredende pijnklachten in de linker voorvoet.
3.4 [
[appellant] is na het ongeval behandeld door [orthopedisch chirurg], orthopedisch chirurg. [orthopedisch chirurg] heeft meerdere (gedateerde en ongedateerde) briefjes geschreven over de (mate van) arbeidsgeschiktheid van [appellant]. Daarin is onder meer opgenomen dat [appellant] arbeidsongeschikt is tot en met zes maanden na het ongeval, zijnde oktober 2019, in relatie tot zijn werk hetgeen zwaar tillen inhoudt. In een ander briefje (gedateerd 31 juli 2019) staat dat de arbeidsongeschiktheid duurt tot zes maanden na 31 juli 2019.
3.5
Voorafgaand aan het ongeval was [appellant] werkzaam als “independent contractor” bij Lovers Industrial Corporation B.V. (hierna: Lovers). Hij bezorgde met een door Lovers ter beschikking gestelde auto producten aan ambulante verkopers. Lovers heeft verklaard dat [appellant] voor dit werk een maandelijkse vergoeding ontving van NAf 2.600. Sinds april 2019 heeft [appellant] van Lovers geen inkomen ontvangen (op basis van het beginsel: no work, no pay). Op 20 augustus 2019 heeft Lovers het volgende over [appellant] bericht:
“By means of this letter we confirm that Mr. [appellant] was appointed a company vehicle since he did not have his own vehicle available and needed to be at a specific time at work. Due to his accident on April 1st we were forced to retrieve the vehicle and assign it to a new person since he was not capable of driving and the vehicle needed to be used by the company. ”
Vervolgens heeft Lovers op 20 november 2019 het volgende bericht:
“Mr. [appellant] worked for our company as an Independent Service Provider in the period of (January 9, 2018) till (April 1, 2019). However, due to his prolonged absence as a result of the accident that occurred on April 1, 2019, we were forced to fill his workplace with another employee. Due to this circumstance, there is currently no workplace available for Mr. [appellant] in our company, so that we were forced to end our work relationship with him”.
3.6
Ennia heeft tijdens de procedure bij het Gerecht in totaal NAf 16.068,73 aan [appellant] uitgekeerd en heeft vervolgens ook voldaan aan de veroordeling in het bestreden vonnis.
Procesverloop
4.1 [
[appellant] heeft bij inleidend verzoek gevorderd Ennia te veroordelen tot betaling van NAf 58.740 aan schadevergoeding. [appellant] heeft zijn eis vermeerderd, eerst door verlies arbeidsvermogen te vorderen van NAf 2.600 per maand tot en met augustus 2020 (in plaats van tot december 2019). Daarna heeft [appellant] in zijn conclusie na deskundigenbericht van 19 juni 2023 nogmaals zijn eis vermeerderd, waarbij hij heeft gevorderd Ennia te veroordelen tot NAf 300.000 inzake verlies arbeidsvermogen, met aftrek van wat hij reeds heeft ontvangen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het inleidend verzoek (9 december 2019).
4.2
Na tussenvonnissen van 30 november 2020, van 6 september 2021 en van 5 september 2022 heeft het Gerecht bij eindvonnis van 20 november 2023 Ennia veroordeeld tot betaling van NAf 6.550 (aan extra kosten vervangend vervoer) en tot betaling van het netto equivalent van vier bruto maandsalarissen van NAf 2.600 (aan verlies arbeidsvermogen minus het al door Ennia ter zake van deze post betaalde bedrag).
Beoordeling
5.1
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellant] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
omvang hoger beroep
5.2
Partijen hebben bij het Gerecht gestreden over de hoogte van de schade wat betreft vervangend vervoer, verlies van arbeidsvermogen en smartengeld. De grieven van [appellant] vallen in feite alleen de beslissing van het Gerecht aan inzake het verlies van arbeidsvermogen; [appellant] betoogt dat inzake deze post meer moet worden toegewezen. Ook Ennia heeft geen bezwaar gemaakt tegen de toewijzende beslissingen van het Gerecht inzake vervangend vervoer (het Gerecht heeft een vergoeding toegekend van NAf 6.750 voor een periode van drie maanden) en inzake de hoogte van het smartengeld (NAf 5.000). Het Hof zal de hoogte van de schade door verlies van arbeidsvermogen opnieuw beoordelen.
verlies van arbeidsvermogen
5.3 [
[appellant] heeft in processtukken en tijdens de zitting in hoger beroep (samengevat) het volgende aangevoerd. Hij heeft nog steeds veel pijn aan zijn linkervoet, hij loopt op de bal van die voet en het voelt alsof er een steen in zijn schoen zit. De tenen van die voet staan in een klauwstand en daarom gebruikt hij steunzolen. Die klauwstand zorgt voor een onstandvastige balans. Lang lopen en lang staan levert meer pijn op.
5.4
Voordat hij bij Lovers werkte had [appellant] een eigen schildersbedrijf en heeft hij ook in de beveiliging gewerkt (onder meer als uitsmijter). Die werkzaamheden kon hij niet meer uitvoeren wegens rug- en nekklachten, mede als gevolg van een eerder auto-ongeluk dat hem in 2017 is overkomen. In 2018 is hij bij Lovers gaan werken, waar hij ijs bezorgde in een auto van de zaak. Door het ongeval in 2019 kon hij dat werk niet meer doen en verloor daarmee de auto van de zaak, die hij ook privé gebruikte. [appellant] kon niet terugkomen bij Lovers, zijn plaats daar was al vergeven. Hij heeft geprobeerd ander werk te krijgen maar dat is op zijn leeftijd niet makkelijk. Hij doet nu klusjes en krijgt financiële ondersteuning van een vriend en van zijn broer.
5.5
Op grond van de processtukken acht het Hof het redelijk om uit te gaan van een verlies van arbeidsvermogen van in totaal negen maanden (van 1 april 2019 tot 1 februari 2020). Het Hof acht het op grond van de overgelegde verklaringen van Lovers voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn werk daar heeft verloren als gevolg van het ongeval en ook dat hij daarna niet kon terugkeren omdat iemand anders zijn plaats had ingenomen. Het Hof hecht verder enige waarde aan de verschillende verklaringen van [orthopedisch chirurg], ook al sluiten die niet geheel op elkaar aan. [orthopedisch chirurg] was kennelijk van mening (zo blijkt ook uit zijn verklaring van 19 augustus 2020) dat orthopedische schoeisel behulpzaam kon zijn om de klachten van [appellant] te verminderen en dat het gebrek daaraan de arbeidsongeschiktheid van [appellant] zou verlengen. [appellant] mocht afgaan op deze opinie van zijn behandelende arts. Dat de deskundige hier achteraf bezien anders over denkt doet daar niet aan af. Negen maanden acht het Hof bovendien een redelijke periode voor het vinden van ander passend werk door [appellant]. Dit werk zal gelet op zijn leeftijd, voorervaring en de beperkingen bij (lang) staan en lopen, die ook uit het rapport van de deskundige volgen, niet makkelijk te vinden zijn. Anderzijds heeft [appellant] geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat dit onmogelijk is en dat hij ook echt geprobeerd heeft passend werk te vinden. Voor een hogere vergoeding inzake verlies van arbeidsvermogen, zoals bepleit door [appellant], ziet het Hof daarom geen aanleiding.
Conclusie
5.6
De conclusie luidt dat het Hof Ennia zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van het netto-equivalent van negen bruto maandsalarissen (van NAf 2.600), uiteraard met aftrek van hetgeen Ennia inmiddels al betaald heeft ter zake deze post en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019 over het nog niet betaalde bedrag.
5.7
Dit betekent dat onbesproken kan blijven of [appellant] na 1 februari 2020 heeft meegelopen in een carnavalsoptocht dan wel in een sportschool is gesignaleerd. Hetzelfde geldt voor de discussie of de laatste eisvermeerdering van [appellant] moet worden toegestaan.
5.8
De grieven 1 en 3 gaan deels op. De andere grieven kunnen onbesproken blijven. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor wat betreft onderdeel 4.3 inzake verlies van arbeidsvermogen (die vordering zal worden toegewezen zoals hiervoor aangekondigd en hierna te melden) en ter zake de compensatie van proceskosten (onderdeel 4.5).
5.9
Het Hof beschouwt Ennia als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in beide instanties. Ennia zal daarom worden veroordeeld in de kosten van die beide instanties, waarbij het salaris van de gemachtigde zal worden bepaald op basis van het toegewezen bedrag.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent [appellant] toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de beslissing inzake het verlies van arbeidsvermogen (onderdeel 4.3) en de beslissing over de proceskosten (onderdeel 4.5), met bevestiging van het vonnis voor het overige;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Ennia tot betaling aan [appellant] van het netto-equivalent van negen bruto maandsalarissen van NAf 2.600, met aftrek van hetgeen Ennia inmiddels al betaald heeft ter zake deze post, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019 over het nog niet betaalde bedrag tot aan de algehele voldoening;
veroordeelt Ennia in de kosten van de procedure bij het Gerecht, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op NAf 972,50 aan verschotten en NAf 5.000 aan salaris voor de gemachtigde en in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op NAf 1.839,73 aan verschotten en NAf 6.000 aan salaris voor de gemachtigde en in de kosten van het hoger beroep;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.