Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-12
ECLI:NL:OGHACMB:2025:43
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,768 tokens
Inleiding
AUA2024H00203
Datum uitspraak: 12 maart 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], verblijvend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 17 juli 2024 in zaak nr. AUA202302288, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij beschikking van 27 augustus 2022 heeft de minister de uitzetting van appellante bevolen en daarbij vermeld dat aan haar een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 54 maanden (hierna: het uitzettingsbevel).
Bij beschikking van 2 juni 2023 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en daarbij vermeld dat aan haar een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 24 maanden (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.
Overwegingen
De uitspraak van het Gerecht
1. Het Gerecht heeft overwogen dat drs. M.L. Hassell niet heeft voldaan aan het verzoek van 29 januari 2024, om een recente machtiging te overleggen voor het instellen van beroep tegen het uitzettingsbevel. Het Gerecht heeft geoordeeld dat uit de overige overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat hij gemachtigd is om beroep in te stellen namens appellante. Het Gerecht heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard, onder verwijzing naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar).
Hoger beroep
2. Appellante komt in hoger beroep terecht op tegen dit oordeel van het Gerecht. Het dossier bevat namelijk een door haar ondertekende machtiging van 30 januari 2024, waarin staat dat zij drs. M.L. Hassell machtigt om namens haar rechtsmiddelen ‘tot het einde daarvan’ in te stellen naar aanleiding van het uitzettingsbevel. Deze machtiging is door drs. M.L. Hassell op 30 januari 2024 om 11:23 uur per e-mail naar het Gerecht gestuurd, samen met een kopie van een geldig Venezolaans paspoort. Overigens benoemt de minister deze machtiging ook in zijn verweerschrift, in de opsomming van de processtukken. Het Gerecht heeft dus ten onrechte overwogen dat drs. M.L. Hassell geen recente machtiging heeft overgelegd.
2.1.
De minister betoogt in zijn verweerschrift tevergeefs dat drs. M.L. Hassell in hoger beroep opnieuw een machtiging had moeten overleggen. Het Hof gaat uit van de overgelegde machtiging van 30 januari 2024, nu het hoger beroep relatief kort daarna is ingesteld, namelijk op 19 juli 2024. Verder zien de bewoordingen van de machtiging niet alleen op een procedure in eerste aanleg, maar valt het hoger beroep daar ook onder.
2.2.
Het betoog van appellante slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het Hof verwijst het beroepschrift terug naar het Gerecht, voor een beoordeling met inachtneming van deze uitspraak (artikel 53d, tweede en derde lid, van de Lar).
3.1.
De minister moet de proceskosten vergoeden. Daarbij past het Hof een wegingsfactor toe van 0,25. Het Hof stelt de proceskosten vast op een bedrag van Afl. 175,00 voor het indienen van een hogerberoepschrift.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 juli 2024 in zaak nr. AUA202302288;
verwijst het beroepschrift terug naar het Gerecht in eerste aanleg van Aruba;
veroordeelt de minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 175,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelast dat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
Inleiding
AUA2024H00203
Datum uitspraak: 12 maart 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], verblijvend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 17 juli 2024 in zaak nr. AUA202302288, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij beschikking van 27 augustus 2022 heeft de minister de uitzetting van appellante bevolen en daarbij vermeld dat aan haar een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 54 maanden (hierna: het uitzettingsbevel).
Bij beschikking van 2 juni 2023 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en daarbij vermeld dat aan haar een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 24 maanden (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.
Overwegingen
De uitspraak van het Gerecht
1. Het Gerecht heeft overwogen dat drs. M.L. Hassell niet heeft voldaan aan het verzoek van 29 januari 2024, om een recente machtiging te overleggen voor het instellen van beroep tegen het uitzettingsbevel. Het Gerecht heeft geoordeeld dat uit de overige overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat hij gemachtigd is om beroep in te stellen namens appellante. Het Gerecht heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard, onder verwijzing naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar).
Hoger beroep
2. Appellante komt in hoger beroep terecht op tegen dit oordeel van het Gerecht. Het dossier bevat namelijk een door haar ondertekende machtiging van 30 januari 2024, waarin staat dat zij drs. M.L. Hassell machtigt om namens haar rechtsmiddelen ‘tot het einde daarvan’ in te stellen naar aanleiding van het uitzettingsbevel. Deze machtiging is door drs. M.L. Hassell op 30 januari 2024 om 11:23 uur per e-mail naar het Gerecht gestuurd, samen met een kopie van een geldig Venezolaans paspoort. Overigens benoemt de minister deze machtiging ook in zijn verweerschrift, in de opsomming van de processtukken. Het Gerecht heeft dus ten onrechte overwogen dat drs. M.L. Hassell geen recente machtiging heeft overgelegd.
2.1.
De minister betoogt in zijn verweerschrift tevergeefs dat drs. M.L. Hassell in hoger beroep opnieuw een machtiging had moeten overleggen. Het Hof gaat uit van de overgelegde machtiging van 30 januari 2024, nu het hoger beroep relatief kort daarna is ingesteld, namelijk op 19 juli 2024. Verder zien de bewoordingen van de machtiging niet alleen op een procedure in eerste aanleg, maar valt het hoger beroep daar ook onder.
2.2.
Het betoog van appellante slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het Hof verwijst het beroepschrift terug naar het Gerecht, voor een beoordeling met inachtneming van deze uitspraak (artikel 53d, tweede en derde lid, van de Lar).
3.1.
De minister moet de proceskosten vergoeden. Daarbij past het Hof een wegingsfactor toe van 0,25. Het Hof stelt de proceskosten vast op een bedrag van Afl. 175,00 voor het indienen van een hogerberoepschrift.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 juli 2024 in zaak nr. AUA202302288;
verwijst het beroepschrift terug naar het Gerecht in eerste aanleg van Aruba;
veroordeelt de minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 175,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelast dat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.