Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-01-15
ECLI:NL:OGHACMB:2025:32
Civiel recht
Hoger beroep
4,700 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM2024H00072
Uitspraak: 15 januari 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak ex artikel 382 Rv van:
1. de besloten vennootschap
CONFIDENT CONSTRUCTION B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
2. [ [eiser 1],
wonend in Sint Maarten,
eisers tot herroeping,
eiser 2 procederend in persoon, tevens optredend als gemachtigde voor eiseres 1,
tegen
de naamloze vennootschap
NAGICO INSURANCES N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster in het geding tot herroeping,
gemachtigden: mr. R.F. Gibson jr. en mr. I.Z. Guardiola.
De partijen worden hierna CC, [eiser 1] (en gezamenlijk CC c.s.) respectievelijk Nagico genoemd.
1Het verloop van de procedure
1.1
Op 11 april 2024 hebben CC c.s. een ‘verzetschrift’ (met producties en opgesteld in het Engels) ingediend. Het Hof heeft dit opgevat als een vordering tot herroeping van het door het Hof in de zaak onder nummer SXM2021H00146 gewezen en op 17 mei 2023 uitgesproken vonnis.
1.2
Nagico heeft op 17 oktober 2024 een ‘schriftuur’ (met producties) ingediend.
1.3
CC c.s. hebben op 18 oktober 2024 een ‘vordering tot herroeping’ (met producties en opgesteld in het Nederlands) ingediend.
1.4
Op 22 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Court House in Sint Maarten. Daar zijn verschenen: [eiser 1] in persoon en namens CC en mrs. Gibson jr. en Guardiola namens Nagico. Partijen hebben (Nagico aan de hand van pleitnotities) het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord.
1.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
Op 16 juli 2019 hebben CC c.s. en Nagico een ‘General Counter Indemnity’ gesloten met CC en [eiser 1] gezamenlijk als ‘the Indemnitor’ en Nagico als ‘the Surety’.
2.2
National Recovery Program Bureau (NRPB) heeft na een aanbestedingsprocedure twee overeenkomsten gesloten met CC voor het herstel en upgraden van orkaanschuilplaatsen.
Als voorschot heeft NRPB in september 2019 aan CC USD 89.652 en USD 76.988,60 betaald.
2.3
Op verzoek van CC heeft Nagico op 1 oktober 2019 aan NRPB twee ‘Advanced Payment Guarantees’ verstrekt ter hoogte van de door NRPB betaalde bedragen.
2.4
In maart 2020 heeft NRPB op grond van de garanties betaling verlangd van Nagico. In juni 2020 heeft Nagico aan NRPB USD 89.652 en USD 76.988,60 betaald.
2.5
Nagico heeft vervolgens van CC c.s. betaling gevorderd van de door haar aan NRPB onder de garantie uitgekeerde bedragen. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft die vordering bij vonnis van 9 november 2021 toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof bij vonnis van 17 mei 2023 dat vonnis bevestigd.
Beoordeling
3.1
Het eindvonnis waarbij de vordering van Nagico is toegewezen is van 17 mei 2023 (hierna: het vonnis). De cassatietermijn van drie maanden is inmiddels verstreken, zonder dat cassatie is ingesteld, zodat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3.2
Op grond van artikel 382 Rv kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij worden herroepen indien:
het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
3.3
Op grond van artikel 383 Rv moet de vordering tot herroeping worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden.
3.4
CC c.s. baseren hun vordering op artikel 382 onder a Rv en leggen daaraan het volgende ten grondslag:
Nagico zou hebben gesteld dat de Pledge niet rechtsgeldig was, hetgeen volgens CC c.s. een onware, valse verklaring is. Tot 14 april 2020 heeft Nagico zich immers op het standpunt gesteld dat de Pledge rechtsgeldig was;
de ‘General Counter Indemnity’ was alleen bedoeld voor de overeenkomst die CC c.s. had gesloten met het Land Sint Maarten voor het herstel van zes scholen maar niet voor de orkaanschuilplaatsen waarop de overeenkomst met NRPB zag;
Nagico mocht niet zonder meer tot betaling aan NRPB overgaan, mede op grond van de Performance.
3.5
Voor een succesvol beroep op bedrog dat tot herroeping kan leiden moet het bedrog eerst ná de uitspraak waarvan herroeping wordt gevorderd zijn ontdekt. CC c.s. stellen niet dat zij met de gronden waarop zij hun vordering baseren (zie 3.4) pas bekend zijn geworden nadat de uitspraak van het Hof is gedaan. Dat is ook niet zo. Uit het vonnis blijkt immers dat CC c.s. deze gronden reeds hebben aangevoerd in de procedure in hoger beroep (grieven 1, 2 en 3). Het Hof heeft de hiervoor genoemde standpunten van CC c.s. in zijn oordeel meegewogen. Het Hof verwijst naar r.ov. 3.4 tot en met 3.6 en r.ov. 3.8. van het vonnis. In die overwegingen heeft het Hof gemotiveerd waarom die standpunten van CC c.s. niet opgaan. Als CC c.s. de oordelen en beslissingen van het Hof op die punten hadden willen aanvechten hadden zij daartegen cassatie moeten instellen. Dat hebben zij niet gedaan; de termijn waarbinnen zij die mogelijkheid hadden, drie maanden, is inmiddels verstreken. Een vordering tot herroeping mag geen verkapt cassatieberoep zijn.
3.6 [
[eiser 1] heeft ter toelichting op de vordering op zitting nog naar voren gebracht dat Nagico zich tot 14 april 2020 op het standpunt heeft gesteld dat de Pledge rechtsgeldig was. Pas op 14 april 2020 realiseerde zij zich kennelijk dat dat niet zo was, aldus [eiser 1]. [eiser 1] stelt, zo begrijpt het Hof, dat Nagico het feit dat zij over de rechtsgeldigheid van de Pledge tot 14 april 2020 een ander standpunt innam, in de procedure bewust heeft verzwegen door zowel de datum als de geadresseerde in die e-mail (productie 13 van Nagico bij conclusie van dupliek in reconventie) af te plakken en daarmee het Hof op het verkeerde been heeft gezet. Dat is bedrog in de zin van artikel 382 Rv onder a, aldus CC c.s.
3.7
De door Nagico overgelegde productie waar CC c.s. op doelen, bevat een deel van de e-mail van 14 april 2020. De volledige e-mail hadden CC c.s. zelf daarvoor al overgelegd als productie 10 bij conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie. Het Hof heeft bij de beoordeling van het hoger beroep dus kennis kunnen nemen van de volledige e-mail. Dat het Hof door Nagico op het verkeerde been is gezet – hetgeen Nagico heeft betwist; zij heeft aangevoerd dat zij de desbetreffende productie alleen heeft overgelegd vanwege de aan de e-mail van 14 april 2020 voorafgaande e-mail – is daarom niet gebleken. Daarnaast is het Hof bij de beoordeling van het verzoek tot herroeping van oordeel dat ook al zou het eerder op het verkeerde been gezet zijn geweest, de datering en adressering van de desbetreffende e-mail niet van beslissende betekenis is zodat kennisneming daarvan niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
3.8
De conclusie is dan ook dat hetgeen CC c.s. hebben aangevoerd geen grond voor herroeping oplevert. De vordering wordt daarom afgewezen en CC c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen de kosten van de procedure moeten dragen.
3.9
Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals Nagico heeft gevorderd, ziet het Hof geen aanleiding. De door Nagico daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof onvoldoende om misbruik van procesrecht dan wel een onrechtmatige daad van CC c.s. aan te nemen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vordering tot herroeping af,
veroordeelt CC c.s. in de kosten van de procedure, aan de kant van Nagico gevallen en tot op heden begroot op NAf 4.000 voor kosten van de gemachtigde, inclusief de nakosten, te betalen binnen veertien dagen na heden en te vermeerderen met de wettelijke rente wanneer niet tijdig wordt betaald,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 15 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM2024H00072
Uitspraak: 15 januari 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak ex artikel 382 Rv van:
1. de besloten vennootschap
CONFIDENT CONSTRUCTION B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
2. [ [eiser 1],
wonend in Sint Maarten,
eisers tot herroeping,
eiser 2 procederend in persoon, tevens optredend als gemachtigde voor eiseres 1,
tegen
de naamloze vennootschap
NAGICO INSURANCES N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster in het geding tot herroeping,
gemachtigden: mr. R.F. Gibson jr. en mr. I.Z. Guardiola.
De partijen worden hierna CC, [eiser 1] (en gezamenlijk CC c.s.) respectievelijk Nagico genoemd.
1Het verloop van de procedure
1.1
Op 11 april 2024 hebben CC c.s. een ‘verzetschrift’ (met producties en opgesteld in het Engels) ingediend. Het Hof heeft dit opgevat als een vordering tot herroeping van het door het Hof in de zaak onder nummer SXM2021H00146 gewezen en op 17 mei 2023 uitgesproken vonnis.
1.2
Nagico heeft op 17 oktober 2024 een ‘schriftuur’ (met producties) ingediend.
1.3
CC c.s. hebben op 18 oktober 2024 een ‘vordering tot herroeping’ (met producties en opgesteld in het Nederlands) ingediend.
1.4
Op 22 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Court House in Sint Maarten. Daar zijn verschenen: [eiser 1] in persoon en namens CC en mrs. Gibson jr. en Guardiola namens Nagico. Partijen hebben (Nagico aan de hand van pleitnotities) het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord.
1.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
Op 16 juli 2019 hebben CC c.s. en Nagico een ‘General Counter Indemnity’ gesloten met CC en [eiser 1] gezamenlijk als ‘the Indemnitor’ en Nagico als ‘the Surety’.
2.2
National Recovery Program Bureau (NRPB) heeft na een aanbestedingsprocedure twee overeenkomsten gesloten met CC voor het herstel en upgraden van orkaanschuilplaatsen.
Als voorschot heeft NRPB in september 2019 aan CC USD 89.652 en USD 76.988,60 betaald.
2.3
Op verzoek van CC heeft Nagico op 1 oktober 2019 aan NRPB twee ‘Advanced Payment Guarantees’ verstrekt ter hoogte van de door NRPB betaalde bedragen.
2.4
In maart 2020 heeft NRPB op grond van de garanties betaling verlangd van Nagico. In juni 2020 heeft Nagico aan NRPB USD 89.652 en USD 76.988,60 betaald.
2.5
Nagico heeft vervolgens van CC c.s. betaling gevorderd van de door haar aan NRPB onder de garantie uitgekeerde bedragen. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft die vordering bij vonnis van 9 november 2021 toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof bij vonnis van 17 mei 2023 dat vonnis bevestigd.
Beoordeling
3.1
Het eindvonnis waarbij de vordering van Nagico is toegewezen is van 17 mei 2023 (hierna: het vonnis). De cassatietermijn van drie maanden is inmiddels verstreken, zonder dat cassatie is ingesteld, zodat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3.2
Op grond van artikel 382 Rv kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij worden herroepen indien:
het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
3.3
Op grond van artikel 383 Rv moet de vordering tot herroeping worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden.
3.4
CC c.s. baseren hun vordering op artikel 382 onder a Rv en leggen daaraan het volgende ten grondslag:
Nagico zou hebben gesteld dat de Pledge niet rechtsgeldig was, hetgeen volgens CC c.s. een onware, valse verklaring is. Tot 14 april 2020 heeft Nagico zich immers op het standpunt gesteld dat de Pledge rechtsgeldig was;
de ‘General Counter Indemnity’ was alleen bedoeld voor de overeenkomst die CC c.s. had gesloten met het Land Sint Maarten voor het herstel van zes scholen maar niet voor de orkaanschuilplaatsen waarop de overeenkomst met NRPB zag;
Nagico mocht niet zonder meer tot betaling aan NRPB overgaan, mede op grond van de Performance.
3.5
Voor een succesvol beroep op bedrog dat tot herroeping kan leiden moet het bedrog eerst ná de uitspraak waarvan herroeping wordt gevorderd zijn ontdekt. CC c.s. stellen niet dat zij met de gronden waarop zij hun vordering baseren (zie 3.4) pas bekend zijn geworden nadat de uitspraak van het Hof is gedaan. Dat is ook niet zo. Uit het vonnis blijkt immers dat CC c.s. deze gronden reeds hebben aangevoerd in de procedure in hoger beroep (grieven 1, 2 en 3). Het Hof heeft de hiervoor genoemde standpunten van CC c.s. in zijn oordeel meegewogen. Het Hof verwijst naar r.ov. 3.4 tot en met 3.6 en r.ov. 3.8. van het vonnis. In die overwegingen heeft het Hof gemotiveerd waarom die standpunten van CC c.s. niet opgaan. Als CC c.s. de oordelen en beslissingen van het Hof op die punten hadden willen aanvechten hadden zij daartegen cassatie moeten instellen. Dat hebben zij niet gedaan; de termijn waarbinnen zij die mogelijkheid hadden, drie maanden, is inmiddels verstreken. Een vordering tot herroeping mag geen verkapt cassatieberoep zijn.
3.6 [
[eiser 1] heeft ter toelichting op de vordering op zitting nog naar voren gebracht dat Nagico zich tot 14 april 2020 op het standpunt heeft gesteld dat de Pledge rechtsgeldig was. Pas op 14 april 2020 realiseerde zij zich kennelijk dat dat niet zo was, aldus [eiser 1]. [eiser 1] stelt, zo begrijpt het Hof, dat Nagico het feit dat zij over de rechtsgeldigheid van de Pledge tot 14 april 2020 een ander standpunt innam, in de procedure bewust heeft verzwegen door zowel de datum als de geadresseerde in die e-mail (productie 13 van Nagico bij conclusie van dupliek in reconventie) af te plakken en daarmee het Hof op het verkeerde been heeft gezet. Dat is bedrog in de zin van artikel 382 Rv onder a, aldus CC c.s.
3.7
De door Nagico overgelegde productie waar CC c.s. op doelen, bevat een deel van de e-mail van 14 april 2020. De volledige e-mail hadden CC c.s. zelf daarvoor al overgelegd als productie 10 bij conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie. Het Hof heeft bij de beoordeling van het hoger beroep dus kennis kunnen nemen van de volledige e-mail. Dat het Hof door Nagico op het verkeerde been is gezet – hetgeen Nagico heeft betwist; zij heeft aangevoerd dat zij de desbetreffende productie alleen heeft overgelegd vanwege de aan de e-mail van 14 april 2020 voorafgaande e-mail – is daarom niet gebleken. Daarnaast is het Hof bij de beoordeling van het verzoek tot herroeping van oordeel dat ook al zou het eerder op het verkeerde been gezet zijn geweest, de datering en adressering van de desbetreffende e-mail niet van beslissende betekenis is zodat kennisneming daarvan niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
3.8
De conclusie is dan ook dat hetgeen CC c.s. hebben aangevoerd geen grond voor herroeping oplevert. De vordering wordt daarom afgewezen en CC c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen de kosten van de procedure moeten dragen.
3.9
Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals Nagico heeft gevorderd, ziet het Hof geen aanleiding. De door Nagico daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het Hof onvoldoende om misbruik van procesrecht dan wel een onrechtmatige daad van CC c.s. aan te nemen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vordering tot herroeping af,
veroordeelt CC c.s. in de kosten van de procedure, aan de kant van Nagico gevallen en tot op heden begroot op NAf 4.000 voor kosten van de gemachtigde, inclusief de nakosten, te betalen binnen veertien dagen na heden en te vermeerderen met de wettelijke rente wanneer niet tijdig wordt betaald,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 15 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.