Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-20
ECLI:NL:OGHACMB:2025:218
Strafrecht; Materieel strafrecht
Hoger beroep
54,212 tokens
Inleiding
Zaaknummer: H-128/2022
Parketnummer: 500.00268/20
Uitspraak: 20 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 augustus 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van 11 augustus 2022 van het onder 2 ten laste gelegde partieel vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak van feit 2. Dit betrof het ten laste gelegde witwassen van een Toyota Landcruiser. Het Hof ziet de tenlastelegging van feit 2 als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse voorwerpen en geldbedragen die de verdachte zou hebben witgewassen in één feit zijn ten laste gelegd. Het Hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraak ook als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte partiële vrijspraak van feit 2.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden, mr. O.E. Kostrzewski en mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Normschendingsverweer (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi – samengevat en zakelijk weer gegeven en naar het Hof begrijpt – het volgende naar voren gebracht.
De verdachte is door onderzoeksteam Themis geïdentificeerd als de gebruiker van een tweetal PGP-accounts, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] (een SKY-ECC account). Het Gerecht heeft dit eveneens vastgesteld.
De data van het PGP-Safe-account is afkomstig van een bulk-interceptie uit een PGP-Safe server in Costa Rica en van het SKY ECC-account van een server in Frankrijk.
De rechtmatigheid van die vergaring is niet te controleren, althans, voor zover al te controleren, is die vergaring niet volgens de geldende nationale en internationale regels verlopen. Het handelen van het openbaar ministerie is nalatig en onrechtmatig geweest. Er is sprake van normschendingen als bedoeld in artikel 413 CSv. Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel dienen alle data van de twee crypto-servers te worden uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft op meerdere momenten in het voortraject aangegeven dat het dossier niet compleet is. Niet kan worden gecontroleerd of de verwerving en de verwerking van de data volgens de regels is gegaan.
Het Hof begrijpt de raadsman aldus, dat de stelling is dat het dossier niet alle stukken bevat die nodig zijn om de (rechtmatigheid van de) wijze van vergaring en verkrijging alsmede de betrouwbaarheid van het bewijs te kunnen controleren.
Nu de dossiervorming tekort schiet, is sprake van een vormverzuim (het Hof begrijpt: normschending in de zin van artikel 413 CSv).
(Rechtmatigheidsverweren ten aanzien van het) PGP-Safe-account
[medeverdachte 1]
De verdediging beschrijft de vergaring van data in onderzoek 26Sassenheim middels een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Costa Rica. Dat is onrechtmatig geweest, aldus de raadsman en dat moet ook gevolgen hebben voor de beoordeling van de strafzaak van de verdachte omdat het vormverzuim van bepalende invloed is geweest in het onderzoek van de verdachte.
De raadsman stelt dat het openbaar ministerie stukken uit 26Sassenheim had moeten voegen in het dossier van de verdachte. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een tweede vormverzuim (normschending).
Het dossier bevat geen toestemming voor het gebruik van de gegevens uit onderzoek 26Sassenheim, dit betreft een derde vormverzuim.
Er bevindt zich geen toestemming ten aanzien van het doorzoeken van het account [medeverdachte 1] in het dossier.
Voor het verrichten van ingrijpend onderzoek in data, dient (overeenkomstig smartphone jurisprudentie) een bevel of machtiging van de rechter-commissaris te worden verkregen.
Een bevel of machtiging van een rechter-commissaris ontbreekt in dit dossier en bovendien blijkt nergens uit dat er sprake was van een redelijke verdenking die de doorzoeking van het account rechtvaardigt.
Nu is gezocht in het account [medeverdachte 1] zonder machtiging van een rechter-commissaris, is sprake van een vierde vormverzuim.
(Rechtmatigheidsverweren ten aanzien van) SKY-account [medeverdachte 1]
Ten aanzien van de vergaring en verkrijging van data ten aanzien van dit account, stelt de verdediging, samengevat en zakelijk weergegeven en naar het Hof begrijpt, dat dit in strijd met wet- en regelgeving is gebeurd.
De ‘SKY-operatie’ is door een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT) verricht en daarvoor is een zogenoemde JIT-overeenkomst opgesteld.
Er is in strijd met de bepalingen hiervan gehandeld. Ook is gehandeld in strijd met de zogenoemde (EU) Europol-verordening.
De gegevens zijn door Europol aan het (onderzoeksteam Themis van het) Recherche Samenwerkingsteam (RST) verstrekt en daarbij is gebruikgemaakt van het SIENA systeem. Omdat Curaçao geen partner is van Europol was Europol niet gerechtigd om gegevens met Curaçao te delen. Dit is in strijd met de Europolverordening en de Curaçaose autoriteiten moeten op onrechtmatige wijze toegang hebben gekregen tot het SIENA systeem, aldus de raadsman.
Dictum
Oordeel van het Hof
Kaders
Gezien (onder meer) de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:2023:913) hanteert het Hof de volgende uitgangspunten.
Dictum
In relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM, heeft te gelden dat Curaçaose strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM.
De rechter neemt in de strafzaak tot uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. Hij is alleen gehouden de betrouwbaarheid van de resultaten te onderzoeken als concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan.
In het kader van de klassieke rechtshulp mag door autoriteiten in Curaçao alleen een verzoek worden gedaan aan buitenlandse autoriteiten als is voldaan aan de vereisten die op grond van het Wetboek van Strafvordering gelden voor toepassing van de in het verzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten. Het staat ter beoordeling aan de rechter in de Curaçaose strafzaak, waarin de resultaten van het in het buitenland verrichte onderzoek voor het bewijs worden gebruikt, of aan die voorwaarden is voldaan. Die toets blijft achterwege als sprake is van spontane overdracht van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in het andere land is verricht.
Ten aanzien van de vraag of en, zo ja, in welke gevallen het openbaar ministerie gehouden is een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen, geldt het volgende.
Als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, hoeft alleen dan te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Curaçaose strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de
opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief (verzoek) van de Curaçaose autoriteiten.
Als dan voor de betreffende bevoegdheid naar Curaçaos strafprocesrecht geldt dat een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, moet deze machtiging worden verkregen voordat aan de buitenlandse autoriteit wordt verzocht tot de
toepassing van een opsporingsbevoegdheid over te gaan. Een rechter-commissaris kan voorwaarden verbinden aan een machtiging.
Genoemd vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris geldt niet in het geval dat het betreffende onderzoek plaatsvindt of al heeft plaatsgevonden op initiatief van de buitenlandse autoriteiten, waarna die autoriteiten – al dan niet op verzoek van de Curaçaose autoriteiten – de resultaten van het onderzoek ter beschikking stellen. De wet stelt immers niet als vereiste dat voor alleen maar het gebruik in een strafzaak in Curaçao van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.
Dat doet er niet aan af dat ook dan aanleiding kan bestaan voor het vorderen van een machtiging van de rechter-commissaris, mede met het oog op – kort gezegd – de wijze waarop de verkregen gegevens worden verwerkt ten behoeve van en gebruikt in Curaçaose strafrechtelijke onderzoeken. Het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging kan daarbij een waarborg vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Wet- en regelgeving Curaçao
Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao kent niet voor elke situatie een specifieke bepaling waarop de officier van justitie een vordering aan een rechter-commissaris kan richten teneinde een rechterlijke toetsing te vragen voor bepaalde onderzoekshandelingen. Wel kent het Wetboek van Strafvordering de meer algemene bepaling van artikel 219 CSv.
Het Hof hanteert, gezien de jurisprudentie, als uitgangspunt, bij onderzoek dat vergaande inbreuk kan maken op de privésfeer van een verdachte, dat hoe groter de inbreuk, hoe hoger de autoriteit die daarover dient te beslissen voorafgaand aan dat onderzoek. Artikel 219 CSv biedt naar het oordeel van het Hof een toereikende grondslag voor het vorderen (door een officier van justitie) van een beslissing door een rechter-commissaris om onderzoek te verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Het systeem van de wet, noch de jurisprudentie, verzet zich hier tegen.
Beoordeling
Voor bepaalde verrichtingen heeft de officier van justitie in onderzoek Themis en meer specifiek ook ten aanzien van de verdachte, vorderingen gebaseerd op de
meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 219 CSv. De rechter-commissaris heeft op meerdere onderbouwde vorderingen, gemotiveerd beslist en in bepaalde gevallen ook voorwaarden gesteld (beperkingen aangebracht). Naar het oordeel van het Hof lag een en ander met het oog op het waarborgen van de privacybelangen van verdachten in de rede. Gelet op de tegen de verdachte gerezen
verdenkingen, van ernstige strafbare feiten, heeft de rechter-commissaris de genoemde beslissingen kunnen nemen. Dit is verder inhoudelijk ook niet betwist door de verdediging.
Onderzoek in onder de verdachte in beslag genomen telefoon
Nu zich in het dossier een vordering van de officier van justitie ex 219 artikel CSv en een beslissing van de rechter-commissaris om dat onderzoek te kunnen verrichten, bevinden, behoeft dit verweer geen verdere bespreking. De rechter-commissaris heeft gezien de ernst van de verdenkingen jegens de verdachte, die beslissing kunnen nemen. Het onderzoek is rechtmatig verricht.
Feitelijke gang van zaken – PGP-Safe
Voor de feitelijke gang van zaken omtrent de verkrijging van de PGP-Safe verwijst het Hof naar een aantal (door de verdediging niet betwiste) overwegingen van het Gerecht.
Het Hof neemt de volgende overweging (op p. 2 en 3 van het vonnis) van het Gerecht over.
Feitelijke gang van zaken
In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter.
De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt.
In aanvulling hierop, overweegt het Hof als volgt. De officier van justitie heeft ter zitting van 26 januari 2022 in eerste aanleg aangegeven dat de PGP-Safe-data bij het NFI (het Hof begrijpt het Nederlands Forensisch Instituut) zijn opgeslagen en bewaard en dat zij (naar het Hof begrijpt, het onderzoeksteam “Themis”) een selectie van de resultaten van het onderzoek uit onderzoek 26Sassenheim, te weten
de PGP-Safe-data, na een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Nederland, van het NFI hebben ontvangen.
Feitelijke gang van zaken - SKY-ECC-data
Hangende het hoger beroep heeft de procureur-generaal een proces-verbaal van bevindingen verstrekt waarin is weergegeven wat de gang van zaken is geweest
met betrekking tot de verkrijging van SKY-ECC data uit Frankrijk. Dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd. Uit het proces-verbaal (met bijlagen) blijkt het volgende.
Het onderzoeksteam “Themis” heeft op 29 april 2021 beschikking gekregen over een informatierapport, dat via Europol aan het onderzoeksteam Themis was verstrekt. Dit informatierapport had betrekking op [medeverdachte 1], een van de verdachten in onderzoek Themis. In het rapport stonden, onder meer, SKY-ECC-accounts vermeld, mogelijk in gebruik bij [medeverdachte 1] of zijn contacten.
Naar aanleiding van dit rapport heeft, op vordering van de officier van justitie d.d. 20 mei 2021, de rechter-commissaris te Curaçao op 21 mei 2021 een beslissing genomen op grond van artikel 219 CSv tot het verrichten van nader onderzoek aan en in data zoals volgde uit het informatierapport, een en ander met betrekking tot een aantal specifieke PGP-adressen, IMEI-nummers en gebruikersnamen.
Op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier, is aan de Franse autoriteiten verzocht van bepaalde, specifieke, data gebruik te mogen maken. Een Franse rechter heeft daarop op 8 juli 2021 positief beslist.
Het onderzoeksteam heeft hierna in juli 2021 data ontvangen uit Frankrijk.
Na analyse van die data heeft het onderzoeksteam om aanvullende informatie verzocht. Daartoe heeft de officier van justitie op 13 oktober 2021 een vordering ex artikel 219 CSv ingediend bij de rechter-commissaris te Curaçao, die daarop op dezelfde datum positief heeft beslist. Een aanvullend rechtshulpverzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten op 14 oktober 2021. Het verzoek zag op alle berichten van een aantal, specifiek genoemde, Sky-ECC-accounts (zogenoemd A-kader), alsmede op alle berichten van de contacten van die accounts (zogenoemd B-kader) en alle berichten van de contacten van de contacten (zogenoemd C-kader).
Een Franse rechter heeft hier op 24 juni 2022 positief beslist. In een beslissing van 5 december 2022 heeft een Franse rechter andermaal toestemming verleend aan de
bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Sint Maarten en Curaçao om de door Europol doorgegeven gegevens te gebruiken.
Oordeel ten aanzien van de verkrijging, verwerking en betrouwbaarheid van de SKY-ECC data
Naar het oordeel van het Hof is bij de verstrekking van het informatie-rapport van Europol op 29 april 2021 (betrekking hebbend op [medeverdachte 1]), sprake geweest van een spontane verstrekking van onderzoeksresultaten aan de autoriteiten in Curaçao. Er staat geen rechtsregel in de weg aan het gebruik daarvan.
Hoe dan ook heeft de Curaçaose officier van justitie naar aanleiding van dit verkregen rapport op meerdere momenten een vordering ingediend ex artikel 219 CSv bij de rechter-commissaris, die daarop steeds positief heeft beslist. Vervolgens zijn rechtshulpverzoeken gedaan aan Frankrijk en heeft een Franse rechter steeds positief beslist op de vraag om verstrekking en gebruik van bepaalde gegevens.
Naar het Hof begrijpt, is vanuit deze uit Frankrijk verkregen gegevens het account [medeverdachte 1] in beeld gekomen. De Franse rechter heeft toestemming gegeven om die data te gebruiken. Daarmee konden de gegevens zonder verdere machtiging van een rechter-commissaris in Curaçao nader worden onderzocht en gebruikt. Gezien de hiervoor geschetste kaders, dient ervan te worden uitgegaan dat het onderzoek, verricht onder gezag van de Franse rechter, rechtmatig is geweest en dat deze ook de rechten van verdachten als bedoeld in artikel 8 EVRM in ogenschouw heeft genomen. Het is niet aan de Curaçaose rechter om dat nader te beoordelen.
Gelet op de beslissingen van de Franse en Curaçaose rechters en de hiervoor geschetste kaders ten aanzien van de beoordeling van de rechtmatigheid van in het buitenland verricht onderzoek, is het Hof van oordeel dat van normschendingen ten aanzien van de verkrijging en verwerking van deze data geen sprake is geweest.
Ten aanzien van de verweren met betrekking tot de gestelde rol van de GOT-landen die al dan niet toestemming zouden hebben moeten geven, geldt dat dit geen belangen betreffen die de verdachte aangaan. De verweren behoeven om die reden geen nadere bespreking.
Beoordeling
Het Hof is van oordeel dat de gegevens met betrekking tot het SKY-account [medeverdachte 1] kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Oordeel ten aanzien van verkrijging, verwerking en de betrouwbaarheid van de verkregen PGP-Safe data
De vergaring van data in Costa Rica, in een voorbereidend onderzoek ten aanzien van anderen dan de verdachte, is gedaan onder gezag van een rechter op verzoek van Nederlandse autoriteiten, doch zonder voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris. De onrechtmatigheid van die gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet betwist. Omdat uit de verkregen data ook belastend materiaal ten aanzien van de verdachte is voortgevloeid en dat ook (mede) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte zal het Hof beoordelen of aan dit onrechtmatig handelen een rechtsgevolg dient te worden verbonden.
Voorop gesteld moet worden dat de resultaten van het onderzoek dat is gedaan in Costa Rica, zijn verkregen onder gezag van een rechter aldaar. Het is niet aan de Curaçaose rechter om de rechtmatigheid van die gang van zaken te onderzoeken.
Ten aanzien van het ontbreken van een voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris zoals hiervoor bedoeld, overweegt het Hof als volgt.
Het Hof houdt bij de beoordeling van dit onrechtmatig handelen rekening en de gevolgen daarvan voor de strafzaak van de verdachte, rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.
Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging bij het verzoek aan de autoriteiten in Costa Rica, zoals gedaan, waarbij (potentieel) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van personen, in het onderhavige geval (uiteindelijk ook) de verdachte, levert naar het oordeel van het Hof op zichzelf een schending op van een belangrijke norm. Het is het Hof evenwel niet gebleken dat sprake is geweest van doelbewust handelen door de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is gesteld noch gebleken en ook overigens niet aannemelijk geworden dat een Nederlandse rechter-commissaris, indien vooraf een machtiging was gevorderd, deze niet zou hebben afgegeven.
Dat de Curaçaose officier van justitie doelbewust en in strijd met wet- en regelgeving heeft gehandeld bij het opvragen van de gegevens in Nederland, is evenmin gebleken. De officier van justitie heeft onderbouwde rechtshulpverzoeken gericht aan zijn ambtgenoot in Nederland en daarop de gevraagde gegevens verkregen.
Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt aan de verdachte, overweegt het Hof dat de verdediging dienaangaande niets concreets naar voren heeft gebracht. De inbreuk is beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer
compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte is verkregen. Dat een min of meer compleet beeld van de verdachte is verkregen uit de PGP-safe data is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht, acht het Hof de schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM in dit geval niet onevenredig.
Voor zover het nadeel is gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, overweegt het Hof dat dit geen nadeel is waarbij bij de bepaling van de gevolgen van een normschending rekening mee dient te worden gehouden.
Na afweging van alle in het geding zijnde belangen is het Hof van oordeel dat de vastgestelde normschending in dit geval zonder gevolgen kan blijven.
Betrouwbaarheid
Aan de verdediging is tijdig de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de bij het openbaar ministerie aanwezige voor zijn cliënt relevante PGP-gesprekken. Ook kon de verdediging (in Nederland) in het systeem Hansken kijken, doch daarvan heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.
Door de verdediging zijn (vervolgens) geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht op basis waarvan aan de betrouwbaarheid van de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zou moeten worden getwijfeld.
Zoals hiervoor geschetst, zijn de data uit Costa Rica bewaard bij het NFI en heeft onderzoeksteam Themis data van het NFI verkregen. Die laatste gegevens (vervat in Excel-bestanden) zijn reeds gedurende de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg aan de verdediging verstrekt. De verdediging heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om die gegevens te controleren (en de authenticiteit en juistheid te betwisten).
Eerst na het requisitoir van de procureur-generaal ter zitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de data die bij het RST aanwezig zijn, in te zien.
Daarop heeft de verdediging verzocht om een enkel stukje uit het omvangrijke Excel-bestand te verkrijgen. De procureur-generaal heeft aan dit verzoek voldaan en het verzochte stuk is aan het dossier toegevoegd. Het betreft een weergave van een gesprek tussen twee accounts van PGP-safe. De raadsman heeft bij pleidooi aangegeven dat uit de data niet volgt wie het gesprek voeren. Hij heeft een onderdeel van het bestand in zijn pleidooi geplakt waaruit zou blijken dat ene ‘bless’ een bericht stuurt naar ‘self’ en ene ‘Self’ en ‘[naam]’ naar ‘selftest’. Uit het volledige bestand blijkt evenwel dat degenen die communiceren ‘[medeverdachte 1]’ en ‘[medeverdachte 1]’ zijn. Van [medeverdachte 1] is op basis van de bewijsmiddelen vast te stellen dat dit de verdachte betrof. Ook staat als
naam ‘[naam]’ vermeld, een bijnaam van de verdachte. Uit uitleg door verbalisanten van het RST (door de procureur-generaal toegezonden via mail d.d. 24 januari 2025, welke in het dossier is gevoegd) blijkt dat gebruikers van accounts, hun contacten kunnen opslaan onder een naam die zij daar zelf aan geven.
Mede gezien voornoemde uitleg van de verbalisanten ziet het Hof niet in waarom aan de betrouwbaarheid van de gegevens, zoals opgenomen in de Excel-bestanden, dient te worden getwijfeld.
Dat het RST in sommige processen-verbaal, omwille van de leesbaarheid, een vertaalslag heeft gemaakt van [medeverdachte 1] naar de naam van de verdachte, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat sprake is van onbetrouwbaarheid omdat uit de bewijsmiddelen blijkt hoe het onderzoeksteam de naam [medeverdachte 1] heeft gekoppeld aan de verdachte.
Voorts blijkt uit de berichten – en dat geldt ook voor de berichten uit de SKY data - dat sprake is van berichten die op elkaar aansluiten. De gesprekspartners lijken elkaar te begrijpen en reageren inhoudelijk op elkaars berichten. Dat dit alles zou zijn gemanipuleerd of dat hieraan zou zijn gesleuteld, acht het Hof onaannemelijk. Concrete aanwijzingen daarvoor heeft het Hof in ieder geval niet gezien, ook niet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht.
Ook overigens ziet het Hof in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verkregen data. Het Hof is van oordeel dat deze in samenhang met andere bewijsmiddelen, kunnen (en ook zullen) worden gebezigd voor het bewijs.
Equality of arms, overig
De verdediging heeft tijdig inzage kunnen krijgen in de data waarover het RST beschikte en ook bestond de mogelijkheid tot toegang van data in Hansken (in Nederland).
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr slechts dan sprake kan zijn, als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De medeverdachte [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn gezamenlijk opgegroeid op Curaçao. De verdachte is de peetvader van [medeverdachte 1]. Van algemene bekendheid is dat No Limit Soldiers zich daar en op Sint Maarten bezig houdt met criminele activiteiten. Op foto’s aangetroffen in zijn telefoon is te zien dat [medeverdachte 4] in 2013 een ketting draagt met de tekst No limit 1995/1996 Forever. Ook draagt hij een T-shirt met daarop de tekst NLS en heeft hij – zo concludeert het hof uit de overeenstemmende elementen in de verschillende foto’s - een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen. [medeverdachte 4] zegt in een gesprek op 16 maart 2016: “ik ben een No Limit Soldier.” Verder werd een foto in de telefoon van [medeverdachte 4] aangetroffen van een krantenkop aangetroffen die luidt: “No limit Soldiers no ta papia”, dat in het Nederlands betekent: “No Limit Soldiers praten niet”. [persoon] zegt in een gesprek op 25 april 2016: “wij zijn geen No Limit Soldier, maar Organize Crime Gang”.
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn de leiders van No Limit Soldiers (NLS). Ook zijn er deelnemers met een lagere rang, zoals bijvoorbeeld [persoon], die zich soldaat van [medeverdachte 4] noemt. [medeverdachte 1] noemde de verdachte in een bericht van 30 oktober 2015 “mijn eersterangs vertrouwensman, vicepresident”.
[medeverdachte 4] noemde zich al in 2014 een “NLS soldier till I die”. “Ik ben een soldier” en “een gangster”, zei [medeverdachte 4] in 2016. [medeverdachte 4] liet weten dat hij geen vrienden, maar soldaten nodig had en kondigde aan dat hij jongens die niet loyaal zijn uit de bende zet. Hij is altijd bewapend. Op 13 juli 2018 postte [medeverdachte 4] een video op Instagram waarin hij zich “No Limit general” noemt.
Uit een verklaring van een getuige van 7 september 2013 volgt inzicht in een van de werkwijzen van NLS. Zij beschrijft dat leden van NLS bijvoorbeeld de opdracht
krijgen om tegen betaling een moord te plegen. Daarbij geldt de regel dat pas uitbetaling plaatsvindt als het doodsbericht in de media is verschenen.
De organisatie had als oogmerk onder meer het uitlokken van moord en het plegen van (andere) gewelddelicten. Onder meer is dit af te leiden uit de gebeurtenissen na de gewelddadige dood van de vriendin van [medeverdachte 4] – [naam vriendin medeverdachte 4] (hierna: [achternaam vriendin medeverdachte 4])- op 5 november 2015. [medeverdachte 4] gaat vanuit de PI [verblijfplaats] op zoek naar de opdrachtgevers en de uitvoerders van de aanslag op zijn vriendin. “Ze krijgen waarom ze gevraagd hebben”, zegt [medeverdachte 4] op 7 november 2015. Hij wil die mensen begraven zien. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van die dag volgt dat [medeverdachte 4] [persoon] (hierna: [achternaam persoon]) en [persoon] (hierna: [achternaam persoon]) verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn vriendin. Op 9 november stelt [medeverdachte 1] het bedrag van USD 500.000 ter beschikking om [persoon] en [persoon] te laten liquideren. Op 11 maart 2016 zegt [medeverdachte 4] dat er een soldaat nodig is. En een dag later: “Is’s a dirty job, but someone has got to do it.” Op 15 maart 2016 zegt [medeverdachte 4] tegen [persoon] en [persoon] dat ook de tweeling van “town” moeten worden aangepakt, mensen moeten worden geveegd. Op 10 april 2016 bespreken [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] dat [persoon] de opdrachtgever van de moord op [vriendin medeverdachte 4] is en dat [persoon] daarvoor heeft betaald. Zij moeten een kans zoeken om [persoon] in de gevangenis te pakken te krijgen.
Vervolgens vinden de volgende (pogingen) tot liquidatie plaats, die in voorgaande gesprekken zijn aangekondigd. Op 16 februari 2016 wordt [persoon] doodgeschoten. Op 8 april 2016 vindt de aanslag [persoon] plaats. Op 31 augustus 2016 wordt [persoon] in de gevangenis op Sint Maarten vermoord. Een van de gebroeders [achternaam personen] – samen met zijn broer wonende aan de [adres] in Philipsburg op Sint Maarten en kennelijk vandaar eerder de tweeling van “town” genoemd – wordt in de nacht van 5 op 6 november 2016 beschoten. [persoon] wordt op 14 maart 2017 doodgeschoten.
Het Hof kan niet vaststellen dat de verdachte – kort gezegd - een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van dit oogmerk van NLS.
Hoewel aannemelijk is dat de verdachte wetenschap had van dit deeloogmerk, is het Hof van oordeel dat het onderhavige dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van dat onderdeel van de onderhavige tenlastelegging ten aanzien van de verdachte te komen. Het Hof spreekt de verdachte daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Ten aanzien van het oogmerk van de organisatie in- en uitvoer van en handel in verdovende middelen, overweegt het Hof verder dat uit berichtenverkeer tussen de medeverdachte [medeverdachte3] en [medeverdachte 4] volgt dat NLS zich bezig houdt met handel in verdovende middelen. Zij verstuurden foto’s aan elkaar van pakketten cocaïne en chatten over het vervoer daarvan vanuit Sint Maarten of Curaçao naar Frankrijk. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dit oogmerk van de organisatie. Zo chatten de verdachte en [medeverdachte 1] soms letterlijk over
drugs: “drugs zijn niet verkocht”. Ook zegt [medeverdachte 1] dat hij de verdachte “stenen” laat halen bij die Colombiaanse vrouw. Daarop antwoordt de verdachte dat hij morgen alles krijgt van de ‘mula’. Daarna bericht de verdachte aan [medeverdachte 1] dat er geld nodig is om de tickets op te halen. [medeverdachte 1] laat vervolgens weten dat er geld nodig is zodat “de soldaten kunnen gaan om mijn stenen eruit te halen”.
Ook wijst het Hof in dit verband op de gesprekken in een auto tussen (onder anderen) [persoon] en [persoon], die [medeverdachte 4] regelmatig in de PI [verblijfplaats] bezoeken. Op 11 april 2016 gaat het gesprek over het feit dat ze bestolen zij door vrienden. Daarop zegt [persoon]: “wij zijn van No Limit.” Dan wordt gesproken over wie de dief is. De man die genoemd wordt is geen, want hij koopt zijn drugs bij [persoon]. Vervolgens wordt gesproken over “blokken”, de hoeveelheid en de prijs. Op 13 april 2016 wordt in de auto door onder anderen [persoon] gesproken over slikken en over een man en 5000 euro voor de klus. Er stapt vervolgens een vrouw in de auto. De vrouw zegt dat zij twee jaar geleden is gepakt waardoor zij niet kan vliegen. Men vroeg haar of ze Buena Vista is of NLS. Ten slotte wijst het Hof op gesprekken over de aankoop van een Glock, al dan niet met geluiddemper.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de hiervoor besproken chats over de handel in verdovende middelen.
De organisatie heeft tevens als oogmerk het witwassen van geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] regelmatig geld bezorgt bij familie van [medeverdachte 1] en dat hij stortingen verricht op de kantinerekening van gedetineerden, die in verband gebracht worden met aan NLS toegeschreven misdrijven.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk volgt uit de bewijsmiddelen.
Beoordeling
Van misdrijf afkomstig
Het Hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden
niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en
omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan
dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst
onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Vermoeden van witwassen
Op basis van het dossier kan ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen geen rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald (eigen) misdrijf. Wel stelt het hof op grond van de volgende feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen vast.
Uit het dossier volgt dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij de in georganiseerde verband verrichte (internationale) handel in cocaïne. Uit de bewezenverklaring van het tenlastelegde onder 1. en uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie, de NLS, die onder meer tot oogmerk had de (internationale) handel in drugs. De verdachte had daarbij – in ieder geval op Curaçao – een belangrijke rol in het financieel beheer van de organisatie en regelde betalingen door de organisatie aan derden. Nog los van deze specifieke rol van de verdachte in de organisatie, is het is een feit van algemene bekendheid dat in de internationale drugshandel veel geld omgaat en met die handel inkomsten worden gegenereerd.
Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in de periode 2013 tot en met 2019 een belastbaar inkomen (uit onderneming) van ruim NAf 173.000,- heeft ontvangen. Daar staat tegenover dat aan uitgaven in ieder geval - nog los van een (onbekend) bedrag aan kosten van levensonderhoud over die periode - een bedrag van bijna NAf 700.000,- is vastgesteld (NAf 960.485,- minus NAf 275.000,-).
Daarnaast beschikte de verdachte over een kavel op Zuurzak met een aankoopwaarde van NAf 275.000,- en een daarop gebouwde woning en was hij in
staat om in een jaar tijd een aanzienlijk bedrag aan vliegtickets voor derden te betalen. Dit betekent dat er ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft na aanvankelijk bij de politie te hebben gezwegen, op een aantal punten summier verklaard over de (herkomst van de) tenlastegelegde
geldbedragen en/of voorwerpen en deze verklaringen bij het Gerecht op onderdelen aangevuld. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte niets willen
verklaren op vragen naar de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen en voorwerpen, dan wel daarover nadere uitleg gegeven. In het navolgende zal het Hof de betreffende verklaringen van de verdachte (en zo nodig de standpunten van de verdediging en de procureur-generaal) en de eventuele consequenties daarvan voor de bewezenverklaring bespreken.
Voorhanden hebben van voorwerpen, wetende of begrijpende dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf
1. Een of meer (contante) geldbedragen
Onder de verdachte zijn contante geldbedragen in beslag genomen in verschillende valuta. Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor overwogen dat (de inmiddels onherroepelijk veroordeelde medeverdachte) [medeverdachte 2] geld ophaalde bij de verdachte en rondbracht bij bekenden van [medeverdachte 1]. De verdachte heeft die (contante) geldbedragen dus (met [medeverdachte 2]) voorhanden gehad. Hij heeft voor de aanwezigheid van de genoemde bedragen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven (integendeel, hij heeft betrokkenheid hierbij ontkend). Gezien de bewijsmiddelen is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit misdrijf zodat het Hof tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging komt.
2. Woning Zuurzak
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. De Stichting Particulier Fonds [naam SPF] (hierna: SPF), opgericht op 28 februari 2017, koopt op 6 april 2017 de kavel Zuurzak [nummer] voor een bedrag van NAf 275.731,-. De koopsom van NAf 260.000,- plus kosten wordt in de periode januari 2017 – april 2017 in delen door de SPF aan de notaris voldaan. De SPF wordt op 17 juli 2018 aan de verdachte overgedragen,
die vervolgens op 20 juli 2018 Ultimate Beneficial Owner (hierna: UBO) van de SPF wordt.
Op 6 november 2018 verstrekt Maduro & Curiel’s Bank (hierna: MCB) de verdachte een hypotheek van NAf 325.000,-. Als zekerheidsstelling is de MCB op 6 november 2018 het recht van eerste hypotheek op de kavel Zuurzak [nummer] gegeven tot eenzelfde bedrag, vermeerderd met renten en kosten. Ter zekerheid van betaling aan de MCB worden in de notariële akte expliciet de verdachte en de SPF genoemd, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, onder hoofdelijk verband verschuldigd aan kredietgeefster.
De verdachte heeft bij de politie aangegeven de kavel te hebben gekocht met gewonnen geld en het huis (met gewonnen geld, geleend geld en geld van de zaak) zelf gebouwd te hebben, maar zich verder weinig meer te herinneren omtrent de verkrijging. Ter zitting van het Gerecht zijn hem de in het voorgaande
samengevatte bewijsmiddelen voorgehouden en heeft hij de inhoud daarvan bevestigd. Aanvullend heeft hij ten aanzien van de kavel verklaard dat hij hiermee
feitelijk eigenaar van de kavel is geworden en voorts dat hij niets aan de vorige UBO van de SPF heeft betaald. Hij heeft tevens aangegeven dat hij op de kavel een woning heeft gebouwd en heeft bevestigd dat hij op 6 november 2018 bij de bank een hypotheeklening van NAf 325.000,- heeft afgesloten met de kavel als onderpand. Een deel van deze lening heeft de verdachte naar eigen zeggen gebruikt voor de betaling van een eerder persoonlijk afgesloten lening en het restantbedrag is op rekening van de SPF gestort. Met dat laatste heeft de verdachte naar eigen zeggen een deel van de kavel betaald.
Het Gerecht heeft het witwassen van zowel de kavel als de woning bewezenverklaard.
Conclusie
Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaren en 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis
De raadsman van de verdachte heeft bij pleidooi verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen gezien de omstandigheid dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, dan wel dat de straf zodanig lager dient uit te vallen, dat de verdachte – gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – op vrije voeten dient te worden gesteld.
Subsidiair is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis vanwege prangende medische omstandigheden.
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.
Het Hof overweegt dat, gelet op de bewezenverklaring en op te leggen straf, opheffing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde is. De ernstige bezwaren en de gronden voor de voorlopige hechtenis zijn onverkort aanwezig.
Voor schorsing van de voorlopige hechtenis ziet het Hof evenmin aanleiding. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging geen nadere stukken overgelegd. Het Hof neemt aan dat de verdachte inderdaad gezondheidsklachten heeft, maar niet is gebleken dat die een schorsing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Het belang van strafvordering dient thans naar het oordeel van het Hof, zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte.
Het Hof wijst de verzoeken af.
In beslag genomen voorwerpen
Door en namens de verdachte is geen verweer gevoerd met betrekking de beslissing van het Gerecht om de in beslag genomen Chevrolet Tahoe, de twee diamanten, een viertal geldbedragen in verschillende valuta en de Kavel [nummer] met daarop de woning aan de [adres] (Zuurzak) verbeurd te verklaren. De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing op het beslag van het Gerecht gevolgd kan worden.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het onder 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen te weten:
1. een personenauto merk Chevrolet model Tahoe met kenteken [kenteken];
2. twee diamanten van 1.28 en 1.09 karaat;
3. Naf 5.453,16, USD 337,-, EUR 10,- en 641,- Peso;
4. perceel met woning [adres], kavel [nummer], Zuurzak.
Deze goederen behoren naar het oordeel van het Hof toe aan de verdachte. Ten aanzien van de eerste drie items is dat niet door de verdachte betwist.
Ook voor wat betreft het perceel met woning [adres], [nummer], Zuurzak is het Hof van oordeel dat dit aan de verdachte toebehoort.
Het Gerecht heeft hierover het volgende overwogen:
“Vast staat dat dit kavel en de daarop gebouwde woning eigendom zijn van de Stichting waarvan de verdachte de “founder rights” heeft en waarvan hij de UBO is. Nu de verdachte als UBO en bezitter van de “founder rights” als heer en meester over het vermogen van deze
stichting kan beschikken, is het gerecht van oordeel dat dit kavel en deze woning kunnen worden beschouwd als toebehorend aan de verdachte. Dat de verdachte de beschikkingsmacht over het kavel en de woning heeft blijkt ook uit de zogeheten Letter of Wishes, waarin is opgenomen dat de verdachte als enige houder van de oprichtersbevoegdheden van de Stichting zijn bevoegdheden met betrekking tot de Stichting bij zijn overlijden overdraagt aan zijn kinderen.”
Het Hof verenigt zich met deze overweging en neemt deze over.
Nu zowel de kavel als de woning voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan, kunnen ook de kavel en de woning worden verbeurd verklaard.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 11 augustus 2022 voor zover gericht tegen de partiele vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 (voor het overige) ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 7 (zeven) jaren en 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaard verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven goederen, te weten:
een perceel met woning [adres], kavel [nummer], Zuurzak;
een personenauto merk Chevrolet, model Tahoe, met kenteken [kenteken];
twee diamanten van 1.28 en 1.09 karaat;
Naf 5.453,16, USD 337,- , EUR 10,- en 641,- Peso;
wijst af de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittings)griffier, en op 20 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mr. Thierry is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het Hof begrijpt: [account].
Idem.
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met bijlagen betreffende verstrekking crypto communicatie (SkyECC) met proces-verbaalnummer 395855, opgemaakt door verbalisant RST 1910 (aanvulling RHV dossier 05-05-2023, FR -192- t/m -275-).
Vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering (dossier rechtshulpverzoeken, FR -134- e.v.).
Beschikking op een vordering ingevolge artikel 219 SvNA (dossier rechtshulpverzoeken, FR -212-, bijlage 2).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met proces-verbaalnummer 395855, met bijlagen, inzake de verkrijging van SkyECC data uit Frankrijk (dossier rechtshulpverzoeken FR -192- t/m FR -275-, specifiek pag. FR -230-, bijlage 4).
Idem voetnoot 4, p. FR -231 – 233-, bijlage 5.
Idem voetnoot 4, p. FR -234 – 262-, bijlage 6.
Idem voetnoot 4, p. FR -263 – 267-, bijlage 7.
Dossier rechtshulpverzoeken, FR -268- t/m FR -269-, bijlage 8.
Inleiding
Zaaknummer: H-128/2022
Parketnummer: 500.00268/20
Uitspraak: 20 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 augustus 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van 11 augustus 2022 van het onder 2 ten laste gelegde partieel vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot partiële vrijspraak van feit 2. Dit betrof het ten laste gelegde witwassen van een Toyota Landcruiser. Het Hof ziet de tenlastelegging van feit 2 als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse voorwerpen en geldbedragen die de verdachte zou hebben witgewassen in één feit zijn ten laste gelegd. Het Hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraak ook als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte partiële vrijspraak van feit 2.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden, mr. O.E. Kostrzewski en mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Normschendingsverweer (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi – samengevat en zakelijk weer gegeven en naar het Hof begrijpt – het volgende naar voren gebracht.
De verdachte is door onderzoeksteam Themis geïdentificeerd als de gebruiker van een tweetal PGP-accounts, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] (een SKY-ECC account). Het Gerecht heeft dit eveneens vastgesteld.
De data van het PGP-Safe-account is afkomstig van een bulk-interceptie uit een PGP-Safe server in Costa Rica en van het SKY ECC-account van een server in Frankrijk.
De rechtmatigheid van die vergaring is niet te controleren, althans, voor zover al te controleren, is die vergaring niet volgens de geldende nationale en internationale regels verlopen. Het handelen van het openbaar ministerie is nalatig en onrechtmatig geweest. Er is sprake van normschendingen als bedoeld in artikel 413 CSv. Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel dienen alle data van de twee crypto-servers te worden uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft op meerdere momenten in het voortraject aangegeven dat het dossier niet compleet is. Niet kan worden gecontroleerd of de verwerving en de verwerking van de data volgens de regels is gegaan.
Het Hof begrijpt de raadsman aldus, dat de stelling is dat het dossier niet alle stukken bevat die nodig zijn om de (rechtmatigheid van de) wijze van vergaring en verkrijging alsmede de betrouwbaarheid van het bewijs te kunnen controleren.
Nu de dossiervorming tekort schiet, is sprake van een vormverzuim (het Hof begrijpt: normschending in de zin van artikel 413 CSv).
(Rechtmatigheidsverweren ten aanzien van het) PGP-Safe-account
[medeverdachte 1]
De verdediging beschrijft de vergaring van data in onderzoek 26Sassenheim middels een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Costa Rica. Dat is onrechtmatig geweest, aldus de raadsman en dat moet ook gevolgen hebben voor de beoordeling van de strafzaak van de verdachte omdat het vormverzuim van bepalende invloed is geweest in het onderzoek van de verdachte.
De raadsman stelt dat het openbaar ministerie stukken uit 26Sassenheim had moeten voegen in het dossier van de verdachte. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een tweede vormverzuim (normschending).
Het dossier bevat geen toestemming voor het gebruik van de gegevens uit onderzoek 26Sassenheim, dit betreft een derde vormverzuim.
Er bevindt zich geen toestemming ten aanzien van het doorzoeken van het account [medeverdachte 1] in het dossier.
Voor het verrichten van ingrijpend onderzoek in data, dient (overeenkomstig smartphone jurisprudentie) een bevel of machtiging van de rechter-commissaris te worden verkregen.
Een bevel of machtiging van een rechter-commissaris ontbreekt in dit dossier en bovendien blijkt nergens uit dat er sprake was van een redelijke verdenking die de doorzoeking van het account rechtvaardigt.
Nu is gezocht in het account [medeverdachte 1] zonder machtiging van een rechter-commissaris, is sprake van een vierde vormverzuim.
(Rechtmatigheidsverweren ten aanzien van) SKY-account [medeverdachte 1]
Ten aanzien van de vergaring en verkrijging van data ten aanzien van dit account, stelt de verdediging, samengevat en zakelijk weergegeven en naar het Hof begrijpt, dat dit in strijd met wet- en regelgeving is gebeurd.
De ‘SKY-operatie’ is door een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT) verricht en daarvoor is een zogenoemde JIT-overeenkomst opgesteld.
Er is in strijd met de bepalingen hiervan gehandeld. Ook is gehandeld in strijd met de zogenoemde (EU) Europol-verordening.
De gegevens zijn door Europol aan het (onderzoeksteam Themis van het) Recherche Samenwerkingsteam (RST) verstrekt en daarbij is gebruikgemaakt van het SIENA systeem. Omdat Curaçao geen partner is van Europol was Europol niet gerechtigd om gegevens met Curaçao te delen. Dit is in strijd met de Europolverordening en de Curaçaose autoriteiten moeten op onrechtmatige wijze toegang hebben gekregen tot het SIENA systeem, aldus de raadsman.
Dictum
Oordeel van het Hof
Kaders
Gezien (onder meer) de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:2023:913) hanteert het Hof de volgende uitgangspunten.
Dictum
In relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM, heeft te gelden dat Curaçaose strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM.
De rechter neemt in de strafzaak tot uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. Hij is alleen gehouden de betrouwbaarheid van de resultaten te onderzoeken als concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan.
In het kader van de klassieke rechtshulp mag door autoriteiten in Curaçao alleen een verzoek worden gedaan aan buitenlandse autoriteiten als is voldaan aan de vereisten die op grond van het Wetboek van Strafvordering gelden voor toepassing van de in het verzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten. Het staat ter beoordeling aan de rechter in de Curaçaose strafzaak, waarin de resultaten van het in het buitenland verrichte onderzoek voor het bewijs worden gebruikt, of aan die voorwaarden is voldaan. Die toets blijft achterwege als sprake is van spontane overdracht van de resultaten van strafvorderlijk onderzoek dat in het andere land is verricht.
Ten aanzien van de vraag of en, zo ja, in welke gevallen het openbaar ministerie gehouden is een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen, geldt het volgende.
Als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, hoeft alleen dan te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Curaçaose strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de
opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief (verzoek) van de Curaçaose autoriteiten.
Als dan voor de betreffende bevoegdheid naar Curaçaos strafprocesrecht geldt dat een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, moet deze machtiging worden verkregen voordat aan de buitenlandse autoriteit wordt verzocht tot de
toepassing van een opsporingsbevoegdheid over te gaan. Een rechter-commissaris kan voorwaarden verbinden aan een machtiging.
Genoemd vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris geldt niet in het geval dat het betreffende onderzoek plaatsvindt of al heeft plaatsgevonden op initiatief van de buitenlandse autoriteiten, waarna die autoriteiten – al dan niet op verzoek van de Curaçaose autoriteiten – de resultaten van het onderzoek ter beschikking stellen. De wet stelt immers niet als vereiste dat voor alleen maar het gebruik in een strafzaak in Curaçao van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.
Dat doet er niet aan af dat ook dan aanleiding kan bestaan voor het vorderen van een machtiging van de rechter-commissaris, mede met het oog op – kort gezegd – de wijze waarop de verkregen gegevens worden verwerkt ten behoeve van en gebruikt in Curaçaose strafrechtelijke onderzoeken. Het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging kan daarbij een waarborg vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Wet- en regelgeving Curaçao
Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao kent niet voor elke situatie een specifieke bepaling waarop de officier van justitie een vordering aan een rechter-commissaris kan richten teneinde een rechterlijke toetsing te vragen voor bepaalde onderzoekshandelingen. Wel kent het Wetboek van Strafvordering de meer algemene bepaling van artikel 219 CSv.
Het Hof hanteert, gezien de jurisprudentie, als uitgangspunt, bij onderzoek dat vergaande inbreuk kan maken op de privésfeer van een verdachte, dat hoe groter de inbreuk, hoe hoger de autoriteit die daarover dient te beslissen voorafgaand aan dat onderzoek. Artikel 219 CSv biedt naar het oordeel van het Hof een toereikende grondslag voor het vorderen (door een officier van justitie) van een beslissing door een rechter-commissaris om onderzoek te verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Het systeem van de wet, noch de jurisprudentie, verzet zich hier tegen.
Beoordeling
Voor bepaalde verrichtingen heeft de officier van justitie in onderzoek Themis en meer specifiek ook ten aanzien van de verdachte, vorderingen gebaseerd op de
meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 219 CSv. De rechter-commissaris heeft op meerdere onderbouwde vorderingen, gemotiveerd beslist en in bepaalde gevallen ook voorwaarden gesteld (beperkingen aangebracht). Naar het oordeel van het Hof lag een en ander met het oog op het waarborgen van de privacybelangen van verdachten in de rede. Gelet op de tegen de verdachte gerezen
verdenkingen, van ernstige strafbare feiten, heeft de rechter-commissaris de genoemde beslissingen kunnen nemen. Dit is verder inhoudelijk ook niet betwist door de verdediging.
Onderzoek in onder de verdachte in beslag genomen telefoon
Nu zich in het dossier een vordering van de officier van justitie ex 219 artikel CSv en een beslissing van de rechter-commissaris om dat onderzoek te kunnen verrichten, bevinden, behoeft dit verweer geen verdere bespreking. De rechter-commissaris heeft gezien de ernst van de verdenkingen jegens de verdachte, die beslissing kunnen nemen. Het onderzoek is rechtmatig verricht.
Feitelijke gang van zaken – PGP-Safe
Voor de feitelijke gang van zaken omtrent de verkrijging van de PGP-Safe verwijst het Hof naar een aantal (door de verdediging niet betwiste) overwegingen van het Gerecht.
Het Hof neemt de volgende overweging (op p. 2 en 3 van het vonnis) van het Gerecht over.
Feitelijke gang van zaken
In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter.
De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt.
In aanvulling hierop, overweegt het Hof als volgt. De officier van justitie heeft ter zitting van 26 januari 2022 in eerste aanleg aangegeven dat de PGP-Safe-data bij het NFI (het Hof begrijpt het Nederlands Forensisch Instituut) zijn opgeslagen en bewaard en dat zij (naar het Hof begrijpt, het onderzoeksteam “Themis”) een selectie van de resultaten van het onderzoek uit onderzoek 26Sassenheim, te weten
de PGP-Safe-data, na een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Nederland, van het NFI hebben ontvangen.
Feitelijke gang van zaken - SKY-ECC-data
Hangende het hoger beroep heeft de procureur-generaal een proces-verbaal van bevindingen verstrekt waarin is weergegeven wat de gang van zaken is geweest
met betrekking tot de verkrijging van SKY-ECC data uit Frankrijk. Dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd. Uit het proces-verbaal (met bijlagen) blijkt het volgende.
Het onderzoeksteam “Themis” heeft op 29 april 2021 beschikking gekregen over een informatierapport, dat via Europol aan het onderzoeksteam Themis was verstrekt. Dit informatierapport had betrekking op [medeverdachte 1], een van de verdachten in onderzoek Themis. In het rapport stonden, onder meer, SKY-ECC-accounts vermeld, mogelijk in gebruik bij [medeverdachte 1] of zijn contacten.
Naar aanleiding van dit rapport heeft, op vordering van de officier van justitie d.d. 20 mei 2021, de rechter-commissaris te Curaçao op 21 mei 2021 een beslissing genomen op grond van artikel 219 CSv tot het verrichten van nader onderzoek aan en in data zoals volgde uit het informatierapport, een en ander met betrekking tot een aantal specifieke PGP-adressen, IMEI-nummers en gebruikersnamen.
Op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier, is aan de Franse autoriteiten verzocht van bepaalde, specifieke, data gebruik te mogen maken. Een Franse rechter heeft daarop op 8 juli 2021 positief beslist.
Het onderzoeksteam heeft hierna in juli 2021 data ontvangen uit Frankrijk.
Na analyse van die data heeft het onderzoeksteam om aanvullende informatie verzocht. Daartoe heeft de officier van justitie op 13 oktober 2021 een vordering ex artikel 219 CSv ingediend bij de rechter-commissaris te Curaçao, die daarop op dezelfde datum positief heeft beslist. Een aanvullend rechtshulpverzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten op 14 oktober 2021. Het verzoek zag op alle berichten van een aantal, specifiek genoemde, Sky-ECC-accounts (zogenoemd A-kader), alsmede op alle berichten van de contacten van die accounts (zogenoemd B-kader) en alle berichten van de contacten van de contacten (zogenoemd C-kader).
Een Franse rechter heeft hier op 24 juni 2022 positief beslist. In een beslissing van 5 december 2022 heeft een Franse rechter andermaal toestemming verleend aan de
bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Sint Maarten en Curaçao om de door Europol doorgegeven gegevens te gebruiken.
Oordeel ten aanzien van de verkrijging, verwerking en betrouwbaarheid van de SKY-ECC data
Naar het oordeel van het Hof is bij de verstrekking van het informatie-rapport van Europol op 29 april 2021 (betrekking hebbend op [medeverdachte 1]), sprake geweest van een spontane verstrekking van onderzoeksresultaten aan de autoriteiten in Curaçao. Er staat geen rechtsregel in de weg aan het gebruik daarvan.
Hoe dan ook heeft de Curaçaose officier van justitie naar aanleiding van dit verkregen rapport op meerdere momenten een vordering ingediend ex artikel 219 CSv bij de rechter-commissaris, die daarop steeds positief heeft beslist. Vervolgens zijn rechtshulpverzoeken gedaan aan Frankrijk en heeft een Franse rechter steeds positief beslist op de vraag om verstrekking en gebruik van bepaalde gegevens.
Naar het Hof begrijpt, is vanuit deze uit Frankrijk verkregen gegevens het account [medeverdachte 1] in beeld gekomen. De Franse rechter heeft toestemming gegeven om die data te gebruiken. Daarmee konden de gegevens zonder verdere machtiging van een rechter-commissaris in Curaçao nader worden onderzocht en gebruikt. Gezien de hiervoor geschetste kaders, dient ervan te worden uitgegaan dat het onderzoek, verricht onder gezag van de Franse rechter, rechtmatig is geweest en dat deze ook de rechten van verdachten als bedoeld in artikel 8 EVRM in ogenschouw heeft genomen. Het is niet aan de Curaçaose rechter om dat nader te beoordelen.
Gelet op de beslissingen van de Franse en Curaçaose rechters en de hiervoor geschetste kaders ten aanzien van de beoordeling van de rechtmatigheid van in het buitenland verricht onderzoek, is het Hof van oordeel dat van normschendingen ten aanzien van de verkrijging en verwerking van deze data geen sprake is geweest.
Ten aanzien van de verweren met betrekking tot de gestelde rol van de GOT-landen die al dan niet toestemming zouden hebben moeten geven, geldt dat dit geen belangen betreffen die de verdachte aangaan. De verweren behoeven om die reden geen nadere bespreking.
Beoordeling
Het Hof is van oordeel dat de gegevens met betrekking tot het SKY-account [medeverdachte 1] kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Oordeel ten aanzien van verkrijging, verwerking en de betrouwbaarheid van de verkregen PGP-Safe data
De vergaring van data in Costa Rica, in een voorbereidend onderzoek ten aanzien van anderen dan de verdachte, is gedaan onder gezag van een rechter op verzoek van Nederlandse autoriteiten, doch zonder voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris. De onrechtmatigheid van die gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet betwist. Omdat uit de verkregen data ook belastend materiaal ten aanzien van de verdachte is voortgevloeid en dat ook (mede) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte zal het Hof beoordelen of aan dit onrechtmatig handelen een rechtsgevolg dient te worden verbonden.
Voorop gesteld moet worden dat de resultaten van het onderzoek dat is gedaan in Costa Rica, zijn verkregen onder gezag van een rechter aldaar. Het is niet aan de Curaçaose rechter om de rechtmatigheid van die gang van zaken te onderzoeken.
Ten aanzien van het ontbreken van een voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris zoals hiervoor bedoeld, overweegt het Hof als volgt.
Het Hof houdt bij de beoordeling van dit onrechtmatig handelen rekening en de gevolgen daarvan voor de strafzaak van de verdachte, rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.
Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging bij het verzoek aan de autoriteiten in Costa Rica, zoals gedaan, waarbij (potentieel) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van personen, in het onderhavige geval (uiteindelijk ook) de verdachte, levert naar het oordeel van het Hof op zichzelf een schending op van een belangrijke norm. Het is het Hof evenwel niet gebleken dat sprake is geweest van doelbewust handelen door de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is gesteld noch gebleken en ook overigens niet aannemelijk geworden dat een Nederlandse rechter-commissaris, indien vooraf een machtiging was gevorderd, deze niet zou hebben afgegeven.
Dat de Curaçaose officier van justitie doelbewust en in strijd met wet- en regelgeving heeft gehandeld bij het opvragen van de gegevens in Nederland, is evenmin gebleken. De officier van justitie heeft onderbouwde rechtshulpverzoeken gericht aan zijn ambtgenoot in Nederland en daarop de gevraagde gegevens verkregen.
Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt aan de verdachte, overweegt het Hof dat de verdediging dienaangaande niets concreets naar voren heeft gebracht. De inbreuk is beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer
compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte is verkregen. Dat een min of meer compleet beeld van de verdachte is verkregen uit de PGP-safe data is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Gelet op de ernst van de strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht, acht het Hof de schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM in dit geval niet onevenredig.
Voor zover het nadeel is gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, overweegt het Hof dat dit geen nadeel is waarbij bij de bepaling van de gevolgen van een normschending rekening mee dient te worden gehouden.
Na afweging van alle in het geding zijnde belangen is het Hof van oordeel dat de vastgestelde normschending in dit geval zonder gevolgen kan blijven.
Betrouwbaarheid
Aan de verdediging is tijdig de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de bij het openbaar ministerie aanwezige voor zijn cliënt relevante PGP-gesprekken. Ook kon de verdediging (in Nederland) in het systeem Hansken kijken, doch daarvan heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.
Door de verdediging zijn (vervolgens) geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht op basis waarvan aan de betrouwbaarheid van de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zou moeten worden getwijfeld.
Zoals hiervoor geschetst, zijn de data uit Costa Rica bewaard bij het NFI en heeft onderzoeksteam Themis data van het NFI verkregen. Die laatste gegevens (vervat in Excel-bestanden) zijn reeds gedurende de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg aan de verdediging verstrekt. De verdediging heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om die gegevens te controleren (en de authenticiteit en juistheid te betwisten).
Eerst na het requisitoir van de procureur-generaal ter zitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de data die bij het RST aanwezig zijn, in te zien.
Daarop heeft de verdediging verzocht om een enkel stukje uit het omvangrijke Excel-bestand te verkrijgen. De procureur-generaal heeft aan dit verzoek voldaan en het verzochte stuk is aan het dossier toegevoegd. Het betreft een weergave van een gesprek tussen twee accounts van PGP-safe. De raadsman heeft bij pleidooi aangegeven dat uit de data niet volgt wie het gesprek voeren. Hij heeft een onderdeel van het bestand in zijn pleidooi geplakt waaruit zou blijken dat ene ‘bless’ een bericht stuurt naar ‘self’ en ene ‘Self’ en ‘[naam]’ naar ‘selftest’. Uit het volledige bestand blijkt evenwel dat degenen die communiceren ‘[medeverdachte 1]’ en ‘[medeverdachte 1]’ zijn. Van [medeverdachte 1] is op basis van de bewijsmiddelen vast te stellen dat dit de verdachte betrof. Ook staat als
naam ‘[naam]’ vermeld, een bijnaam van de verdachte. Uit uitleg door verbalisanten van het RST (door de procureur-generaal toegezonden via mail d.d. 24 januari 2025, welke in het dossier is gevoegd) blijkt dat gebruikers van accounts, hun contacten kunnen opslaan onder een naam die zij daar zelf aan geven.
Mede gezien voornoemde uitleg van de verbalisanten ziet het Hof niet in waarom aan de betrouwbaarheid van de gegevens, zoals opgenomen in de Excel-bestanden, dient te worden getwijfeld.
Dat het RST in sommige processen-verbaal, omwille van de leesbaarheid, een vertaalslag heeft gemaakt van [medeverdachte 1] naar de naam van de verdachte, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat sprake is van onbetrouwbaarheid omdat uit de bewijsmiddelen blijkt hoe het onderzoeksteam de naam [medeverdachte 1] heeft gekoppeld aan de verdachte.
Voorts blijkt uit de berichten – en dat geldt ook voor de berichten uit de SKY data - dat sprake is van berichten die op elkaar aansluiten. De gesprekspartners lijken elkaar te begrijpen en reageren inhoudelijk op elkaars berichten. Dat dit alles zou zijn gemanipuleerd of dat hieraan zou zijn gesleuteld, acht het Hof onaannemelijk. Concrete aanwijzingen daarvoor heeft het Hof in ieder geval niet gezien, ook niet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht.
Ook overigens ziet het Hof in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verkregen data. Het Hof is van oordeel dat deze in samenhang met andere bewijsmiddelen, kunnen (en ook zullen) worden gebezigd voor het bewijs.
Equality of arms, overig
De verdediging heeft tijdig inzage kunnen krijgen in de data waarover het RST beschikte en ook bestond de mogelijkheid tot toegang van data in Hansken (in Nederland).
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr slechts dan sprake kan zijn, als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De medeverdachte [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn gezamenlijk opgegroeid op Curaçao. De verdachte is de peetvader van [medeverdachte 1]. Van algemene bekendheid is dat No Limit Soldiers zich daar en op Sint Maarten bezig houdt met criminele activiteiten. Op foto’s aangetroffen in zijn telefoon is te zien dat [medeverdachte 4] in 2013 een ketting draagt met de tekst No limit 1995/1996 Forever. Ook draagt hij een T-shirt met daarop de tekst NLS en heeft hij – zo concludeert het hof uit de overeenstemmende elementen in de verschillende foto’s - een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen. [medeverdachte 4] zegt in een gesprek op 16 maart 2016: “ik ben een No Limit Soldier.” Verder werd een foto in de telefoon van [medeverdachte 4] aangetroffen van een krantenkop aangetroffen die luidt: “No limit Soldiers no ta papia”, dat in het Nederlands betekent: “No Limit Soldiers praten niet”. [persoon] zegt in een gesprek op 25 april 2016: “wij zijn geen No Limit Soldier, maar Organize Crime Gang”.
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn de leiders van No Limit Soldiers (NLS). Ook zijn er deelnemers met een lagere rang, zoals bijvoorbeeld [persoon], die zich soldaat van [medeverdachte 4] noemt. [medeverdachte 1] noemde de verdachte in een bericht van 30 oktober 2015 “mijn eersterangs vertrouwensman, vicepresident”.
[medeverdachte 4] noemde zich al in 2014 een “NLS soldier till I die”. “Ik ben een soldier” en “een gangster”, zei [medeverdachte 4] in 2016. [medeverdachte 4] liet weten dat hij geen vrienden, maar soldaten nodig had en kondigde aan dat hij jongens die niet loyaal zijn uit de bende zet. Hij is altijd bewapend. Op 13 juli 2018 postte [medeverdachte 4] een video op Instagram waarin hij zich “No Limit general” noemt.
Uit een verklaring van een getuige van 7 september 2013 volgt inzicht in een van de werkwijzen van NLS. Zij beschrijft dat leden van NLS bijvoorbeeld de opdracht
krijgen om tegen betaling een moord te plegen. Daarbij geldt de regel dat pas uitbetaling plaatsvindt als het doodsbericht in de media is verschenen.
De organisatie had als oogmerk onder meer het uitlokken van moord en het plegen van (andere) gewelddelicten. Onder meer is dit af te leiden uit de gebeurtenissen na de gewelddadige dood van de vriendin van [medeverdachte 4] – [naam vriendin medeverdachte 4] (hierna: [achternaam vriendin medeverdachte 4])- op 5 november 2015. [medeverdachte 4] gaat vanuit de PI [verblijfplaats] op zoek naar de opdrachtgevers en de uitvoerders van de aanslag op zijn vriendin. “Ze krijgen waarom ze gevraagd hebben”, zegt [medeverdachte 4] op 7 november 2015. Hij wil die mensen begraven zien. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van die dag volgt dat [medeverdachte 4] [persoon] (hierna: [achternaam persoon]) en [persoon] (hierna: [achternaam persoon]) verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn vriendin. Op 9 november stelt [medeverdachte 1] het bedrag van USD 500.000 ter beschikking om [persoon] en [persoon] te laten liquideren. Op 11 maart 2016 zegt [medeverdachte 4] dat er een soldaat nodig is. En een dag later: “Is’s a dirty job, but someone has got to do it.” Op 15 maart 2016 zegt [medeverdachte 4] tegen [persoon] en [persoon] dat ook de tweeling van “town” moeten worden aangepakt, mensen moeten worden geveegd. Op 10 april 2016 bespreken [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] dat [persoon] de opdrachtgever van de moord op [vriendin medeverdachte 4] is en dat [persoon] daarvoor heeft betaald. Zij moeten een kans zoeken om [persoon] in de gevangenis te pakken te krijgen.
Vervolgens vinden de volgende (pogingen) tot liquidatie plaats, die in voorgaande gesprekken zijn aangekondigd. Op 16 februari 2016 wordt [persoon] doodgeschoten. Op 8 april 2016 vindt de aanslag [persoon] plaats. Op 31 augustus 2016 wordt [persoon] in de gevangenis op Sint Maarten vermoord. Een van de gebroeders [achternaam personen] – samen met zijn broer wonende aan de [adres] in Philipsburg op Sint Maarten en kennelijk vandaar eerder de tweeling van “town” genoemd – wordt in de nacht van 5 op 6 november 2016 beschoten. [persoon] wordt op 14 maart 2017 doodgeschoten.
Het Hof kan niet vaststellen dat de verdachte – kort gezegd - een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van dit oogmerk van NLS.
Hoewel aannemelijk is dat de verdachte wetenschap had van dit deeloogmerk, is het Hof van oordeel dat het onderhavige dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om tot een bewezenverklaring van dat onderdeel van de onderhavige tenlastelegging ten aanzien van de verdachte te komen. Het Hof spreekt de verdachte daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij.
Ten aanzien van het oogmerk van de organisatie in- en uitvoer van en handel in verdovende middelen, overweegt het Hof verder dat uit berichtenverkeer tussen de medeverdachte [medeverdachte3] en [medeverdachte 4] volgt dat NLS zich bezig houdt met handel in verdovende middelen. Zij verstuurden foto’s aan elkaar van pakketten cocaïne en chatten over het vervoer daarvan vanuit Sint Maarten of Curaçao naar Frankrijk. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dit oogmerk van de organisatie. Zo chatten de verdachte en [medeverdachte 1] soms letterlijk over
drugs: “drugs zijn niet verkocht”. Ook zegt [medeverdachte 1] dat hij de verdachte “stenen” laat halen bij die Colombiaanse vrouw. Daarop antwoordt de verdachte dat hij morgen alles krijgt van de ‘mula’. Daarna bericht de verdachte aan [medeverdachte 1] dat er geld nodig is om de tickets op te halen. [medeverdachte 1] laat vervolgens weten dat er geld nodig is zodat “de soldaten kunnen gaan om mijn stenen eruit te halen”.
Ook wijst het Hof in dit verband op de gesprekken in een auto tussen (onder anderen) [persoon] en [persoon], die [medeverdachte 4] regelmatig in de PI [verblijfplaats] bezoeken. Op 11 april 2016 gaat het gesprek over het feit dat ze bestolen zij door vrienden. Daarop zegt [persoon]: “wij zijn van No Limit.” Dan wordt gesproken over wie de dief is. De man die genoemd wordt is geen, want hij koopt zijn drugs bij [persoon]. Vervolgens wordt gesproken over “blokken”, de hoeveelheid en de prijs. Op 13 april 2016 wordt in de auto door onder anderen [persoon] gesproken over slikken en over een man en 5000 euro voor de klus. Er stapt vervolgens een vrouw in de auto. De vrouw zegt dat zij twee jaar geleden is gepakt waardoor zij niet kan vliegen. Men vroeg haar of ze Buena Vista is of NLS. Ten slotte wijst het Hof op gesprekken over de aankoop van een Glock, al dan niet met geluiddemper.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de hiervoor besproken chats over de handel in verdovende middelen.
De organisatie heeft tevens als oogmerk het witwassen van geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] regelmatig geld bezorgt bij familie van [medeverdachte 1] en dat hij stortingen verricht op de kantinerekening van gedetineerden, die in verband gebracht worden met aan NLS toegeschreven misdrijven.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk volgt uit de bewijsmiddelen.
Beoordeling
Van misdrijf afkomstig
Het Hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden
niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en
omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan
dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst
onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Vermoeden van witwassen
Op basis van het dossier kan ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen geen rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald (eigen) misdrijf. Wel stelt het hof op grond van de volgende feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen vast.
Uit het dossier volgt dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij de in georganiseerde verband verrichte (internationale) handel in cocaïne. Uit de bewezenverklaring van het tenlastelegde onder 1. en uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie, de NLS, die onder meer tot oogmerk had de (internationale) handel in drugs. De verdachte had daarbij – in ieder geval op Curaçao – een belangrijke rol in het financieel beheer van de organisatie en regelde betalingen door de organisatie aan derden. Nog los van deze specifieke rol van de verdachte in de organisatie, is het is een feit van algemene bekendheid dat in de internationale drugshandel veel geld omgaat en met die handel inkomsten worden gegenereerd.
Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in de periode 2013 tot en met 2019 een belastbaar inkomen (uit onderneming) van ruim NAf 173.000,- heeft ontvangen. Daar staat tegenover dat aan uitgaven in ieder geval - nog los van een (onbekend) bedrag aan kosten van levensonderhoud over die periode - een bedrag van bijna NAf 700.000,- is vastgesteld (NAf 960.485,- minus NAf 275.000,-).
Daarnaast beschikte de verdachte over een kavel op Zuurzak met een aankoopwaarde van NAf 275.000,- en een daarop gebouwde woning en was hij in
staat om in een jaar tijd een aanzienlijk bedrag aan vliegtickets voor derden te betalen. Dit betekent dat er ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en voorwerpen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft na aanvankelijk bij de politie te hebben gezwegen, op een aantal punten summier verklaard over de (herkomst van de) tenlastegelegde
geldbedragen en/of voorwerpen en deze verklaringen bij het Gerecht op onderdelen aangevuld. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte niets willen
verklaren op vragen naar de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen en voorwerpen, dan wel daarover nadere uitleg gegeven. In het navolgende zal het Hof de betreffende verklaringen van de verdachte (en zo nodig de standpunten van de verdediging en de procureur-generaal) en de eventuele consequenties daarvan voor de bewezenverklaring bespreken.
Voorhanden hebben van voorwerpen, wetende of begrijpende dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf
1. Een of meer (contante) geldbedragen
Onder de verdachte zijn contante geldbedragen in beslag genomen in verschillende valuta. Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor overwogen dat (de inmiddels onherroepelijk veroordeelde medeverdachte) [medeverdachte 2] geld ophaalde bij de verdachte en rondbracht bij bekenden van [medeverdachte 1]. De verdachte heeft die (contante) geldbedragen dus (met [medeverdachte 2]) voorhanden gehad. Hij heeft voor de aanwezigheid van de genoemde bedragen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven (integendeel, hij heeft betrokkenheid hierbij ontkend). Gezien de bewijsmiddelen is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit misdrijf zodat het Hof tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging komt.
2. Woning Zuurzak
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. De Stichting Particulier Fonds [naam SPF] (hierna: SPF), opgericht op 28 februari 2017, koopt op 6 april 2017 de kavel Zuurzak [nummer] voor een bedrag van NAf 275.731,-. De koopsom van NAf 260.000,- plus kosten wordt in de periode januari 2017 – april 2017 in delen door de SPF aan de notaris voldaan. De SPF wordt op 17 juli 2018 aan de verdachte overgedragen,
die vervolgens op 20 juli 2018 Ultimate Beneficial Owner (hierna: UBO) van de SPF wordt.
Op 6 november 2018 verstrekt Maduro & Curiel’s Bank (hierna: MCB) de verdachte een hypotheek van NAf 325.000,-. Als zekerheidsstelling is de MCB op 6 november 2018 het recht van eerste hypotheek op de kavel Zuurzak [nummer] gegeven tot eenzelfde bedrag, vermeerderd met renten en kosten. Ter zekerheid van betaling aan de MCB worden in de notariële akte expliciet de verdachte en de SPF genoemd, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, onder hoofdelijk verband verschuldigd aan kredietgeefster.
De verdachte heeft bij de politie aangegeven de kavel te hebben gekocht met gewonnen geld en het huis (met gewonnen geld, geleend geld en geld van de zaak) zelf gebouwd te hebben, maar zich verder weinig meer te herinneren omtrent de verkrijging. Ter zitting van het Gerecht zijn hem de in het voorgaande
samengevatte bewijsmiddelen voorgehouden en heeft hij de inhoud daarvan bevestigd. Aanvullend heeft hij ten aanzien van de kavel verklaard dat hij hiermee
feitelijk eigenaar van de kavel is geworden en voorts dat hij niets aan de vorige UBO van de SPF heeft betaald. Hij heeft tevens aangegeven dat hij op de kavel een woning heeft gebouwd en heeft bevestigd dat hij op 6 november 2018 bij de bank een hypotheeklening van NAf 325.000,- heeft afgesloten met de kavel als onderpand. Een deel van deze lening heeft de verdachte naar eigen zeggen gebruikt voor de betaling van een eerder persoonlijk afgesloten lening en het restantbedrag is op rekening van de SPF gestort. Met dat laatste heeft de verdachte naar eigen zeggen een deel van de kavel betaald.
Het Gerecht heeft het witwassen van zowel de kavel als de woning bewezenverklaard.
Conclusie
Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaren en 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis
De raadsman van de verdachte heeft bij pleidooi verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen gezien de omstandigheid dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, dan wel dat de straf zodanig lager dient uit te vallen, dat de verdachte – gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – op vrije voeten dient te worden gesteld.
Subsidiair is verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis vanwege prangende medische omstandigheden.
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.
Het Hof overweegt dat, gelet op de bewezenverklaring en op te leggen straf, opheffing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde is. De ernstige bezwaren en de gronden voor de voorlopige hechtenis zijn onverkort aanwezig.
Voor schorsing van de voorlopige hechtenis ziet het Hof evenmin aanleiding. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging geen nadere stukken overgelegd. Het Hof neemt aan dat de verdachte inderdaad gezondheidsklachten heeft, maar niet is gebleken dat die een schorsing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Het belang van strafvordering dient thans naar het oordeel van het Hof, zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte.
Het Hof wijst de verzoeken af.
In beslag genomen voorwerpen
Door en namens de verdachte is geen verweer gevoerd met betrekking de beslissing van het Gerecht om de in beslag genomen Chevrolet Tahoe, de twee diamanten, een viertal geldbedragen in verschillende valuta en de Kavel [nummer] met daarop de woning aan de [adres] (Zuurzak) verbeurd te verklaren. De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing op het beslag van het Gerecht gevolgd kan worden.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het onder 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen te weten:
1. een personenauto merk Chevrolet model Tahoe met kenteken [kenteken];
2. twee diamanten van 1.28 en 1.09 karaat;
3. Naf 5.453,16, USD 337,-, EUR 10,- en 641,- Peso;
4. perceel met woning [adres], kavel [nummer], Zuurzak.
Deze goederen behoren naar het oordeel van het Hof toe aan de verdachte. Ten aanzien van de eerste drie items is dat niet door de verdachte betwist.
Ook voor wat betreft het perceel met woning [adres], [nummer], Zuurzak is het Hof van oordeel dat dit aan de verdachte toebehoort.
Het Gerecht heeft hierover het volgende overwogen:
“Vast staat dat dit kavel en de daarop gebouwde woning eigendom zijn van de Stichting waarvan de verdachte de “founder rights” heeft en waarvan hij de UBO is. Nu de verdachte als UBO en bezitter van de “founder rights” als heer en meester over het vermogen van deze
stichting kan beschikken, is het gerecht van oordeel dat dit kavel en deze woning kunnen worden beschouwd als toebehorend aan de verdachte. Dat de verdachte de beschikkingsmacht over het kavel en de woning heeft blijkt ook uit de zogeheten Letter of Wishes, waarin is opgenomen dat de verdachte als enige houder van de oprichtersbevoegdheden van de Stichting zijn bevoegdheden met betrekking tot de Stichting bij zijn overlijden overdraagt aan zijn kinderen.”
Het Hof verenigt zich met deze overweging en neemt deze over.
Nu zowel de kavel als de woning voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het onder 2 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan, kunnen ook de kavel en de woning worden verbeurd verklaard.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 11 augustus 2022 voor zover gericht tegen de partiele vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 (voor het overige) ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 7 (zeven) jaren en 9 (negen) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaard verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven goederen, te weten:
een perceel met woning [adres], kavel [nummer], Zuurzak;
een personenauto merk Chevrolet, model Tahoe, met kenteken [kenteken];
twee diamanten van 1.28 en 1.09 karaat;
Naf 5.453,16, USD 337,- , EUR 10,- en 641,- Peso;
wijst af de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittings)griffier, en op 20 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mr. Thierry is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het Hof begrijpt: [account].
Idem.
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met bijlagen betreffende verstrekking crypto communicatie (SkyECC) met proces-verbaalnummer 395855, opgemaakt door verbalisant RST 1910 (aanvulling RHV dossier 05-05-2023, FR -192- t/m -275-).
Vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering (dossier rechtshulpverzoeken, FR -134- e.v.).
Beschikking op een vordering ingevolge artikel 219 SvNA (dossier rechtshulpverzoeken, FR -212-, bijlage 2).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met proces-verbaalnummer 395855, met bijlagen, inzake de verkrijging van SkyECC data uit Frankrijk (dossier rechtshulpverzoeken FR -192- t/m FR -275-, specifiek pag. FR -230-, bijlage 4).
Idem voetnoot 4, p. FR -231 – 233-, bijlage 5.
Idem voetnoot 4, p. FR -234 – 262-, bijlage 6.
Idem voetnoot 4, p. FR -263 – 267-, bijlage 7.
Dossier rechtshulpverzoeken, FR -268- t/m FR -269-, bijlage 8.
Inleiding
Voorts zijn niet alle GOT-partijen akkoord gegaan met het delen van informatie, iets dat door het RST noch het openbaar ministerie is geverifieerd of beoordeeld.
Ook dit levert vormverzuimen op.
Naar Curaçaos recht bestond er geen wettelijke basis voor de vorderingen en machtigingen die ten grondslag hebben gelegen aan de rechtshulpverzoeken aan Frankrijk (naar het Hof aanneemt: door een rechter-commissaris). Artikel 219Sv volstond naar het oordeel van de verdediging niet. Ook dit levert een vormverzuim op.
Samengevat en zakelijk weergegeven is de stelling van de verdediging (naar het Hof begrijpt) dat het strafdossier in de onderhavige zaak alle vorderingen, toestemmingen en machtigingen die aan een onderzoek ten grondslag liggen, ook als die afkomstig zijn uit andere onderzoeken, moet behelzen zodat de verdediging deze kan controleren.
Een machtiging met toestemming specifiek ten aanzien van het Sky-account [medeverdachte 1] ontbreekt in dit dossier, wederom een vormverzuim.
Samenvattend ten aanzien van de (rechtmatigheid van de) verkrijging van de PGP-Safe en SKY-ECC data
Het voorgaande dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat er sprake is van een dusdanige combinatie van onherstelbare onrechtmatigheden en ongelukkige keuzes, dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in vergaande mate onder druk is komen te staan. Vanwege de inbreuken op de rechten van de verdachte die door het openbaar ministerie met grove veronachtzaming zijn veroorzaakt, is niet-ontvankelijkheid het enige juiste rechtsgevolg, aldus de verdediging.
Subsidiair wordt er op gewezen dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsvergaring tot gevolg hebben, te voorkomen.
Verweren ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verkregen PGP-Safe en SKY-ECC data
Samengevat weergegeven en naar het Hof begrijpt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de betrouwbaarheid van de in het dossier gepresenteerde gegevens moet worden getwijfeld om een aantal redenen.
De data zijn kennelijk handmatig verwerkt. Daarbij is ook nog eens sprake van interpretaties en mist belangrijke informatie die ontlastend kan zijn.
Niet te controleren is of de data die bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, overeenkomen met de brondata. De technische betrouwbaarheid kan niet worden gecontroleerd. Er wordt blind van uit gegaan dat de data die vanuit Hansken verkregen is, klopt met de berichten die feitelijk zijn verzonden en dat het bronmateriaal dus juist wordt weergegeven in het dossier. Er zijn data verkregen in een Excel-bestand en het is evident dat er sprake is geweest van convertering vanuit een ander systeem.
De raadsman wijst op een bericht dat op zijn verzoek, na inzage in het systeem bij het RST, aan hem is toegezonden (en welke het Hof in het dossier heeft gevoegd).
Er is volgens de raadsman duidelijk te zien dat de berichten niet naar de personen worden gestuurd waarvan het RST zegt dat dat zo is.
Hashwaarden ontbreken bij de data-sets waardoor de integriteit niet kan worden getoetst. Nu de informatie over de hashwaarden volledig ontbreekt in dit dossier, zou dat reden moeten zijn voor bewijsuitsluiting van alle PGP-Safe data.
De verdediging meent dat de in beslag genomen gegevens (het Hof begrijpt: data) meerdere keren zonder de juiste waarborgen zijn omgezet en overgedragen. Daardoor (en naar het Hof begrijpt vanwege het ontbreken van hashwaarden) is de bewijswaarde nihil.
Al het PGP-Safe bewijs en alle Sky-berichten dienen buiten beschouwing te worden gelaten wegens gebrek aan controleerbaarheid en daarmee gebrek aan betrouwbaarheid.
Ten aanzien van de SKY-ECC data heeft de raadsman aanvullend naar voren gebracht dat APN gegevens ontbreken en dat ook dat een reden is om aan de betrouwbaarheid van de data te twijfelen.
Tot slot wijst de verdediging op het beginsel van equality of arms. Het openbaar ministerie beschikte over veel meer gegevens dan waarover de verdediging kon beschikken. De verdediging heeft slechts beperkt inzage kunnen krijgen op het bureau.
Vanwege het ontbreken van grote hoeveelheden berichten en vanwege het ontbreken van hashwaarden, waardoor voor de verdediging de mogelijkheid ontbreekt om het crypto-bewijs te controleren, dient al dit bewijs te worden uitgesloten. Nu het bewijs jegens de verdachte uit niets meer bestaat dan deze berichten, dient hij te worden vrijgesproken.
Verweer ten aanzien van onderzoek in telefoon verdachte
Ook aanzien van het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoon heeft de verdediging verweer gevoerd. Nu hiervoor geen toestemming is verleend door een rechter-commissaris (of officier van justitie), dient het bewijs dat uit dit onderzoek is voortgevloeid, vanwege de inbreuk op de privacy van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, te worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in zijn schriftelijk requisitoir, onder verwijzing naar de uitspraak de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:2023:913) op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek, dat als uitgangspunt dient te gelden dat de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek betrouwbaar zijn en dat van concrete aanwijzingen van het tegendeel niet is gebleken en door de verdediging niet naar voren zijn gebracht.
Bij repliek heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het standpunt van de verdediging dat geen RC-machtiging is verkregen voor de PGP-Safe-berichten, juist is en dat er sprake is van een vormverzuim (het Hof begrijpt normschending in de zin van artikel 413 CSv), doch dat om redenen genoemd in het vonnis van het Gerecht het bij een constatering daarvan kan blijven.
Ten aanzien van de SKY-ECC-data heeft te gelden dat de verstrekking van het rapport (de ‘package’) van Europol is gedaan aan Nederland en dat dit door Nederland is verstrekt aan onderzoeksteam Themis. Het rapport had betrekking op [medeverdachte 1]. Of wel of niet conform de Europolverordening zou zijn gehandeld doet niet ter zake omdat dit geen belang betreft dat de verdachte raakt. Hetzelfde geldt voor de vraag of de JIT-landen toestemming zouden hebben moeten geven.
De gegevens ten aanzien van de verdachte zijn verkregen na een rechtshulpverzoek met betrekking tot gegevens met betrekking tot (contacten van) [medeverdachte 1] aan Frankrijk en met toestemming van de Franse autoriteiten. De Curaçaose rechter-commissaris had voorafgaand hieraan een machtiging gegeven.
Ten aanzien van de nasporing van [medeverdachte 1] ontbreekt voor de data uit de PGP-safe dataset (naar het Hof begrijpt uit Costa Rica) een machtiging van de rechter-commissaris. Indien al sprake is van een vormverzuim, dan is duidelijk dat een dergelijke machtiging zou zijn afgegeven zodat met de constatering van het verzuim kan worden volstaan. (Naar het Hof begrijpt) ter onderbouwing van deze stelling heeft de procureur-generaal een kopie van een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging aan zijn schriftelijke repliek gehecht, die ziet op nasporing naar een datapakket uit Ennetcom/Canada met betrekking tot het account [medeverdachte 1].
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de PGP-data heeft de procureur-generaal – samengevat weergegeven – erop gewezen dat de verdediging inzage heeft kunnen krijgen in het materiaal in Curaçao en ook de gelegenheid heeft gekregen om in Nederland in Hansken te kijken, doch daar kennelijk geen gebruik van heeft willen maken.
Beoordeling
Van een schending van het recht op equality of arms is het Hof gelet daarop en ook gezien hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht niet gebleken.
Ten aanzien van de stelling dat het openbaar ministerie heeft nagelaten een (groot) aantal stukken te voegen in het dossier, verwijst het Hof naar hetgeen eerder, naar aanleiding van de tweede regiezitting (op 19 oktober 2023) is overwogen. Samengevat komt het er op neer dat a) het openbaar ministerie naar aanleiding van verzoeken van de verdediging gedurende de procedure in hoger beroep meerdere stukken aan het dossier heeft toegevoegd en b) het Hof van oordeel is dat hetgeen de verdediging verder heeft verzocht, geen processtukken betreft in de strafzaak van de verdachte, zodat het openbaar ministerie deze ook niet in het dossier had hoeven voegen.
Mede gezien al hetgeen hiervoor is overwogen en de in acht te nemen kaders, is het Hof van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de stukken relevant zijn voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte. Van normschendingen dienaangaande is het Hof niet gebleken.
Samenvattend ten aanzien van de verweren – conclusies
Het Hof is van oordeel dat het ontbreken van een rechterlijke machtiging voorafgaand aan de verkrijging van PGP-safe-data uit Costa Rica, een onherstelbare normschending oplevert. In het onderzoek naar de verdachte, kan dit
naar het oordeel van het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zonder gevolgen blijven.
Ten aanzien van de door de verdediging – in algemene termen - gestelde schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat van onevenredige schending van de rechten van de verdachte in deze zin sprake is geweest. Het Hof betrekt hierbij de ernst van de strafbare feiten waarvan ten aanzien van de verdachte een verdenking
was gerezen. Het betrof feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk vormen op de rechtsorde.
Daarbij levert een schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, voor zover al aan de orde, niet ook steeds een schending van zijn rechten in de zin van artikel 6 EVRM op.
Hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht, maakt het voorgaande niet anders.
Al met al is het Hof – met het Gerecht - van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ‘the procedure as a whole’ voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het Hof dat aan de verdediging de mogelijkheid is geboden het verkregen bewijsmateriaal te controleren en te betwisten, doch dat er geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen data dient te worden getwijfeld.
Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging biedt hetgeen is aangevoerd geen grond. Voor bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg, is evenmin grond.
De verweren worden verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding, vordering nadere omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
de deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao in de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 november 2020.
Feit 2:
Medeplegen van (gewoonte)witwassen in Curaçao in de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 november 2020.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de in een bijlage II bij dit vonnis weer te geven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 (voor zover aan de orde) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij in de periode van 1 januari 2015 en met 8 februari 2021 in Curaçao heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de ‘No Limit Soldiers’ (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
-de invoer en uitvoer van en de handel in verdovende middelen;
-gewoontewitwassen.
Feit 2:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 26 november 2020 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, de verdachte, telkens een of meer voorwerpen, te weten:
-een of meerdere (contante) geldbedragen, en
-een woning gelegen aan de [adres] te Villapark Zuurzak, en
-een voertuig van het merk Chevrolet model Tahoe Premier 4x4 "20" met
kenteken [kenteken] (met een aankoopwaarde van NAf 137.000,-), en
-een motor Gilera [kenteken] (met een douanewaarde van NAf 10.226,-), en
-vaartuigen, te weten een Boston Whaler Gambino ([nummer]) en een Beracco ([nummer]) en een La Piloto ([nummer]), en
-sieraden, te weten een horloge van het merk Rolex (Dark Rhod 10BR W)
(aankoopwaarde van NAf 14.660,-) en twee diamanten (1.28 karaat en 1.09
karaat) (taxatiewaarde van (in totaal) NAf 29.000,-),
voorhanden heeft gehad, en
-een contant geldbedrag van in totaal NAf 330.418,- aan uitgaven waarmee aankopen zijn gedaan, en
-een contant geldbedrag van NAf 90.000,- en NAf 83.000,- waarmee twee voertuigen van het merk Audi (Q3 en Q2) zijn betaald, en
-een contant geldbedrag van NAf 107.100,- waarmee vliegtickets zijn betaald,
voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, en
-van een kavel [nummer] te Villapark Zuurzak
de werkelijke aard en/of herkomst heeft verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was of die kavel voorhanden had,
terwijl hij, de verdachte en zijn mededader(s) (telkens) wisten of begrepen, dat die voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief).
Beoordeling
Het Hof neemt dienaangaande de volgende overwegingen uit het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg over:
Dat de verdachte het financieel beheer van het geld van de organisatie heeft en toezicht houdt op de uitgaven van de organisatie blijkt voorts uit de berichten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte in 2015 en 2020. De verdachte zegt regelmatig tegen [medeverdachte 1] wat er nog "in de pot zit" en hij waarschuwt hem om niet te veel uit te geven, want dan raakt de pot leeg. Hij regelt betalingen door de organisatie aan derden en vliegtickets voor familieleden. Hij geeft zoals gezegd ook opdracht aan [medeverdachte 2] om geld rond te brengen en uit het feit dat de broer van [medeverdachte 2] zich bij het huis van de verdachte meldt voordat hij in plaats van zijn broer geld moet gaan rondbrengen, kan worden afgeleid dat dit geld bij de verdachte thuis wordt opgehaald. Ook hiermee zijn aanzienlijke geldbedragen gemoeid. Tenslotte koopt de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] dure auto's voor diens dochter en moeder voor in totaal ongeveer ANG 170.000,-, welk bedrag hij contant aan de garage betaalt. Volgens de verkoopster [verkoopster] handelde de verdachte hierbij in opdracht van [medeverdachte 1].
Dat de verdachte via [medeverdachte 2] ook betalingen van [medeverdachte 1] doet aan gedetineerden in de [gevangenis], leidt het Gerecht onder meer af uit een gesprek op 17 oktober 2015 waarin [medeverdachte 1] tegen de verdachte zegt dat hij geld aan [persoon] moet geven om aan de zwager voor [persoon] te geven voor [persoon]. [persoon] is de bijnaam van [persoon], die gedetineerd is in de [gevangenis] in verband met de schietpartij op het vliegveld Hato, een liquidatie die aan de NLS wordt toegeschreven.
Dat de verdachte op het financiële vlak belangrijk is voor [medeverdachte 1] blijkt ook uit het volgende.
Al in oktober en november 2015 spreken [medeverdachte 1] en de verdachte over de aankoop van terreinen op Curaçao, waarvoor een SPF moet worden opgericht. De verdachte gaat daarvoor persoonlijk voor [medeverdachte 1] naar de notaris, "beter ga ik zelf naar de notaris voor jou, zodat niemand over jouw zaken weet snap je", zo zegt hij tegen [medeverdachte 1]. Ook staat hij in contact met [medeverdachte 6]. Zij regelt financiële zaken voor [medeverdachte 1] en zorgt voor de oprichting van de stichting die kavel E-6 te Zuurzak aankoopt. Ook zorgt zij voor de overdracht van de stichting aan de verdachte. Zij attendeert [medeverdachte 1] op de aankoop van bepaalde terreinen en onroerend goed en beheert ook vastgoed voor [medeverdachte 1].
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op (internationale) drugshandel en witwassen gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot de verwezenlijking van de binnen die organisatie bestaande oogmerken.
Daarom is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr zoals hiervoor bewezenverklaard.
Feit 2: gewoontewitwassen
Inleiding; verwijt en standpunten partijen
De verdachte wordt verweten dat dat hij zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 november 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Dit witwassen ziet onder meer op geldbedragen, een woning, een kavel, vaartuigen en sieraden en voorts op het beschikken over (grote) contante geldbedragen waarmee auto’s en vliegtickets voor derden zijn gekocht en andere aankopen zijn gedaan.
De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2. tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Het stappenplan voor de bewezenverklaring van witwassen volgend is er sprake van een vermoeden van witwassen. De verdachte was lid van de criminele organisatie NLS, die zich bezighield met de handel in cocaïne en het witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in cocaïne gepaard gaat met financiële transacties van grote omvang en
verdiensten in de vorm van contante betalingen. Uit de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte grote geldbedragen voorhanden
heeft gehad en heeft omgezet. De verdachte beheerde het geld voor de medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdachte deed (aanzienlijke) uitgaven voor
[medeverdachte 1] en voor zichzelf en beschikte daarnaast over luxegoederen, een huis en een kavel. Een en ander valt niet te rijmen met de legale inkomsten van de verdachte. De procureur-generaal heeft aangegeven dat de verdachte op een drietal punten een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgegeven, die vervolgens is onderzocht. Dat onderzoek heeft opgeleverd dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat voor de aanschaf van de Chevrolet Tahoe een legale lening van NAf 60.000,- is gebruikt en dat ten aanzien de door en namens de verdachte gestelde legale loterijwinsten voor een bedrag van NAf 42.000,- niet kan worden uitgesloten dat dat legaal was.
Daarnaast heeft de verdachte een bedrag van NAf 40.000,- legaal gegenereerd uit de verkoop van een ‘truk’ en een Ford. De legale herkomst van deze twee bedragen maakt volgens de procureur-generaal niet dat de tenlastegelegde ‘meerdere grote geldbedragen’ niet bewezen kunnen worden. Ten slotte heeft de procureur-
generaal betoogd dat gelet op de periode en de frequentie waarin de verdachte heeft gehandeld gewoontewitwassen bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft – kort gezegd - bepleit dat er geen sprake is van een vermoeden van witwassen. De raadsman heeft aangegeven dat de punten die hij ter
onderbouwing van zijn betoog dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde (deelneming aan de criminele organisatie NLS) ook als
grondslag dienen voor het pleidooi dat van (gewoonte)witwassen geen sprake is geweest. Uit niets komt naar voren dat de verdachte meer heeft gedaan dan af en
toe mensen helpen met wie hij persoonlijk een goede band heeft. Mocht het zo zijn dat de vliegtickets door de verdachte geboekt zijn, dan kan daaruit niet geconcludeerd worden dat de verdachte een rol speelde binnen een criminele organisatie. De verdachte is voorts niet betrokken geweest bij of heeft wetenschap gehad van drugshandel waarmee de NLS zich bezig zou houden. Onder de verdachte zijn nooit grote geldbedragen aangetroffen, noch kan uit Sky berichten worden geconcludeerd dat verdachte daarover de beschikking heeft gehad. Uit het aantreffen van facturen in de woning van de verdachte kan niet worden geconcludeerd dat die voor hem waren bedoeld en door hem waren betaald, hetgeen ook geldt voor de uitgaven die gerelateerd zijn aan de Funmiles-pas die in de portemonnee van de verdachte zou zijn aangetroffen. Het saldo op de Funmiles pas kan volgens de raadsman ook ‘spaargeld uit een eerder leven zijn geweest’. Het bezit van de woning en de kavel strekken niet tot de conclusie dat er van een witwasvermoeden gesproken kan worden. De woning is gekocht met een lening van de MCB bank. De Chevrolet Tahoe is (deels) bekostigd met een lening. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de vaartuigen, de motor en de Rolex met crimineel geld bekostigd zijn. De diamanten heeft de verdachte van een juwelier, een vriend/zakenpartner, gekregen. De verdachte heeft legaal inkomen uit zijn bedrijf [bedrijf] en heeft inkomsten verworven uit gewonnen loterijen (te weten NAf 163.675 en een BMW). Door het opgeven van die loterijwinsten heeft de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven, aldus de raadsman.
Beoordeling
De verdachte heeft na dit oordeel van het Gerecht geen nadere of meer concrete verklaring afgelegd en ter zitting in hoger beroep heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en ook geen nadere uitleg gegeven.
Het Hof constateert dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst van (het geld voor) de kavel en de woning, waarbij het Hof ook de iets uitgebreidere verklaring van de verdachte ter zitting van het Gerecht niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring beschouwt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Deze verklaringen van de verdachte vormen, in samenhang bezien met voornoemde bewijsmiddelen, juist een bevestiging van het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van de kavel en de woning. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft
willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de woning onmiddellijk of middellijk uit enig
misdrijf afkomstig is. Het Hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen..
Gelet op de volgorde van de bewezenverklaring zal het Hof het oordeel met betrekking tot het verwijt van het witwassen van de kavel verderop bespreken.
3. Chevrolet Tahoe
Onder de verdachte is een Chevrolet Tahoe in beslag genomen. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij ten behoeve van de aanschaf van de Chevrolet Tahoe bij [persoon] een lening had afgesloten en van die [persoon] contant geld had gekregen. Hij had nog niets terugbetaald. Ter zitting van het Gerecht heeft de verdachte aangegeven dat hij de Chevrolet in april 2020 voor een bedrag van NAf 137.000,- bij een autodealer had gekocht, contant had betaald en dit geld geleend had bij [persoon]. Van deze lening was volgens de verdachte een overeenkomst opgemaakt, maar hij had nog niets afgelost.
Het dossier houdt met betrekking tot de aankoop van de Chevrolet Tahoe het volgende in. Autocity B.V. maakt op 27 maart 2020 een ‘vehicle quote’ op naam van de verdachte op. [bedrijf], het bedrijf van [persoon], doet op 12 mei 2020 een aanbetaling voor de Chevrolet van NAf 20.000,-, waarop Autocity
vervolgens op 13 mei 2020 een ‘vehicle order confirmation’ op naam van de verdachte opmaakt, voor een bedrag van NAf 137.003,23. De Chevrolet wordt op 26
mei 2020 gekeurd en op naam van de verdachte gezet. Op 16 juni 2020 doet [bedrijf] een betaling van NAf 20.000,- voor de Chevrolet en op 15 juli 2020 opnieuw voor hetzelfde bedrag. Het resterende bedrag wordt voldaan door twee contante stortingen van respectievelijk NAf 50.000,- (op 20 juli 2020) en NAf 10.000,- (op 3 augustus 2020) en een overschrijving door [bedrijf], het bedrijf van de verdachte. De contante storting van NAf 50.000,- betreft een door de verdachte ontvangen bedrag voor de verkoop van zijn Toyota Landcruiser.
In de Chevrolet Tahoe is een “Overeenkomst van geldlening” van 31 juli 2020 tussen [persoon] en de verdachte aangetroffen, betreffende een geldlening van NAf 60.000,-.
Uit deze stukken leidt het Hof af dat de verdachte met betrekking tot de totale aankoopprijs van de Chevrolet Tahoe een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat dat geld (en daarmee de Chevrolet) een legale herkomst had. Die verklaring (ook) voor wat betreft de herkomst van NAf 60.000,- is nader onderzocht en het Hof heeft het resultaat daarvan beoordeeld.
Daarbij heeft het Hof onder meer acht geslagen op het feit dat de verdachte heeft verklaard de NAf 60.000,- contant van [persoon] te hebben ontvangen, terwijl uit de hiervoor aangehaalde stukken blijkt dat dit bedrag in drie delen door het bedrijf van [persoon] op de rekening van Autocity is gestort, hetgeen [persoon] ook bij de
politie heeft verklaard. Ook heeft het Hof bij het oordeel betrokken het feit dat de leenovereenkomst van later datum is dan de drie overboekingen, alléén door
[persoon] is ondertekend en een maandelijkse aflossing van bijna NAf 2000,- noemt, terwijl de verdachte op het moment dat hij werd aangehouden, op 27 november 2020, zowel volgens hemzelf als volgens [persoon] nog geen cent had afgelost. Verder wekt omtrent deze (overeenkomst van) geldlening bevreemding dat [persoon], - hoewel hij het bestaan van de lening en de waarachtigheid van de overeenkomst bij de politie heeft onderschreven – bij de politie (ook) heeft verklaard dat hij de verdachte ‘van de straat kende’ en niet wist waarmee hij zijn geld verdiende en daar ook niet naar had gevraagd. Ook heeft het Hof op het navolgende acht geslagen. Het Gerecht heeft naar aanleiding van voornoemde stukken en de verklaring van de verdachte en [persoon] geoordeeld dat NAf 60.000,- een criminele herkomst heeft en dat de overeenkomst van geldlening is opgesteld om die criminele herkomst te verhullen en dat (door vermenging) sprake is van witwassen van de Chevrolet Tahoe. De verdachte heeft na dit oordeel van het Gerecht geen nadere of meer concrete verklaring afgelegd en ter zitting in hoger beroep heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en ook geen nadere uitleg
gegeven. [persoon] is op verzoek van de verdediging in april 2024 bij de rechter-commissaris gehoord, maar daar heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen.
Alles overziend is de verklaring van verdachte dat NAf 60.000,- van het aankoopbedrag van de Chevrolet een legale herkomst had, niet aannemelijk
geworden en kan het niet anders zijn dan dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Door vermenging van dit bedrag met het legaal verworven gedeelte van de
koopsom door de verkoop van de Toyota Landcruiser, dient de Chevrolet Tahoe in zijn geheel als onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig te worden aangemerkt. Hetgeen de raadsman daarover heeft opgemerkt, maakt dat oordeel niet anders.
Dit leidt ertoe dat het Hof van oordeel is dat tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden gekomen.
4. Gilera
De verdachte had een motor, Gilera in zijn bezit. Voor het eerst ter zitting van het Gerecht heeft de verdachte een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee de Gilera motor ([kenteken]) is bekostigd. Hij zou de Gilera in 2015 in Nederland voor Nf 10.226,- hebben gekocht met geld dat hij gewonnen had op een pokertoernooi in Nederland en de motor is vervolgens door zijn toenmalige bedrijf [bedrijf] op 15 januari 2015 in Curaçao ingevoerd.
Het Hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, dan wel nadere
uitleg heeft gegeven, concludeert het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geld waarmee de Gilera is bekostigd / de Gilera zelf uit misdrijf afkomstig is. Dat
leidt ertoe dat het Hof van oordeel is dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
Het Hof vermag niet in te zien waarom het feit dat – zoals door de raadsman is betoogd - de motor niet ten bate van de verdachte zelf, maar ten bate van zijn bedrijf is aangekocht (en op naam van zijn bedrijf in Curaçao geïmporteerd) tot een ander oordeel zou moeten leiden, nu uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij de motor zelf heeft gekocht (en, zo begrijpt het Hof, betaald).
5. Vaartuigen
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode drie vaartuigen in eigendom heeft gehad. Een Boston Whaler Gambino ([nummer]), een Beracco ([nummer]) en een La Piloto ([nummer]).
Inleiding
Voorts zijn niet alle GOT-partijen akkoord gegaan met het delen van informatie, iets dat door het RST noch het openbaar ministerie is geverifieerd of beoordeeld.
Ook dit levert vormverzuimen op.
Naar Curaçaos recht bestond er geen wettelijke basis voor de vorderingen en machtigingen die ten grondslag hebben gelegen aan de rechtshulpverzoeken aan Frankrijk (naar het Hof aanneemt: door een rechter-commissaris). Artikel 219Sv volstond naar het oordeel van de verdediging niet. Ook dit levert een vormverzuim op.
Samengevat en zakelijk weergegeven is de stelling van de verdediging (naar het Hof begrijpt) dat het strafdossier in de onderhavige zaak alle vorderingen, toestemmingen en machtigingen die aan een onderzoek ten grondslag liggen, ook als die afkomstig zijn uit andere onderzoeken, moet behelzen zodat de verdediging deze kan controleren.
Een machtiging met toestemming specifiek ten aanzien van het Sky-account [medeverdachte 1] ontbreekt in dit dossier, wederom een vormverzuim.
Samenvattend ten aanzien van de (rechtmatigheid van de) verkrijging van de PGP-Safe en SKY-ECC data
Het voorgaande dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat er sprake is van een dusdanige combinatie van onherstelbare onrechtmatigheden en ongelukkige keuzes, dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in vergaande mate onder druk is komen te staan. Vanwege de inbreuken op de rechten van de verdachte die door het openbaar ministerie met grove veronachtzaming zijn veroorzaakt, is niet-ontvankelijkheid het enige juiste rechtsgevolg, aldus de verdediging.
Subsidiair wordt er op gewezen dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsvergaring tot gevolg hebben, te voorkomen.
Verweren ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verkregen PGP-Safe en SKY-ECC data
Samengevat weergegeven en naar het Hof begrijpt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat aan de betrouwbaarheid van de in het dossier gepresenteerde gegevens moet worden getwijfeld om een aantal redenen.
De data zijn kennelijk handmatig verwerkt. Daarbij is ook nog eens sprake van interpretaties en mist belangrijke informatie die ontlastend kan zijn.
Niet te controleren is of de data die bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen, overeenkomen met de brondata. De technische betrouwbaarheid kan niet worden gecontroleerd. Er wordt blind van uit gegaan dat de data die vanuit Hansken verkregen is, klopt met de berichten die feitelijk zijn verzonden en dat het bronmateriaal dus juist wordt weergegeven in het dossier. Er zijn data verkregen in een Excel-bestand en het is evident dat er sprake is geweest van convertering vanuit een ander systeem.
De raadsman wijst op een bericht dat op zijn verzoek, na inzage in het systeem bij het RST, aan hem is toegezonden (en welke het Hof in het dossier heeft gevoegd).
Er is volgens de raadsman duidelijk te zien dat de berichten niet naar de personen worden gestuurd waarvan het RST zegt dat dat zo is.
Hashwaarden ontbreken bij de data-sets waardoor de integriteit niet kan worden getoetst. Nu de informatie over de hashwaarden volledig ontbreekt in dit dossier, zou dat reden moeten zijn voor bewijsuitsluiting van alle PGP-Safe data.
De verdediging meent dat de in beslag genomen gegevens (het Hof begrijpt: data) meerdere keren zonder de juiste waarborgen zijn omgezet en overgedragen. Daardoor (en naar het Hof begrijpt vanwege het ontbreken van hashwaarden) is de bewijswaarde nihil.
Al het PGP-Safe bewijs en alle Sky-berichten dienen buiten beschouwing te worden gelaten wegens gebrek aan controleerbaarheid en daarmee gebrek aan betrouwbaarheid.
Ten aanzien van de SKY-ECC data heeft de raadsman aanvullend naar voren gebracht dat APN gegevens ontbreken en dat ook dat een reden is om aan de betrouwbaarheid van de data te twijfelen.
Tot slot wijst de verdediging op het beginsel van equality of arms. Het openbaar ministerie beschikte over veel meer gegevens dan waarover de verdediging kon beschikken. De verdediging heeft slechts beperkt inzage kunnen krijgen op het bureau.
Vanwege het ontbreken van grote hoeveelheden berichten en vanwege het ontbreken van hashwaarden, waardoor voor de verdediging de mogelijkheid ontbreekt om het crypto-bewijs te controleren, dient al dit bewijs te worden uitgesloten. Nu het bewijs jegens de verdachte uit niets meer bestaat dan deze berichten, dient hij te worden vrijgesproken.
Verweer ten aanzien van onderzoek in telefoon verdachte
Ook aanzien van het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoon heeft de verdediging verweer gevoerd. Nu hiervoor geen toestemming is verleend door een rechter-commissaris (of officier van justitie), dient het bewijs dat uit dit onderzoek is voortgevloeid, vanwege de inbreuk op de privacy van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, te worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt van de procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in zijn schriftelijk requisitoir, onder verwijzing naar de uitspraak de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:2023:913) op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek, dat als uitgangspunt dient te gelden dat de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek betrouwbaar zijn en dat van concrete aanwijzingen van het tegendeel niet is gebleken en door de verdediging niet naar voren zijn gebracht.
Bij repliek heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het standpunt van de verdediging dat geen RC-machtiging is verkregen voor de PGP-Safe-berichten, juist is en dat er sprake is van een vormverzuim (het Hof begrijpt normschending in de zin van artikel 413 CSv), doch dat om redenen genoemd in het vonnis van het Gerecht het bij een constatering daarvan kan blijven.
Ten aanzien van de SKY-ECC-data heeft te gelden dat de verstrekking van het rapport (de ‘package’) van Europol is gedaan aan Nederland en dat dit door Nederland is verstrekt aan onderzoeksteam Themis. Het rapport had betrekking op [medeverdachte 1]. Of wel of niet conform de Europolverordening zou zijn gehandeld doet niet ter zake omdat dit geen belang betreft dat de verdachte raakt. Hetzelfde geldt voor de vraag of de JIT-landen toestemming zouden hebben moeten geven.
De gegevens ten aanzien van de verdachte zijn verkregen na een rechtshulpverzoek met betrekking tot gegevens met betrekking tot (contacten van) [medeverdachte 1] aan Frankrijk en met toestemming van de Franse autoriteiten. De Curaçaose rechter-commissaris had voorafgaand hieraan een machtiging gegeven.
Ten aanzien van de nasporing van [medeverdachte 1] ontbreekt voor de data uit de PGP-safe dataset (naar het Hof begrijpt uit Costa Rica) een machtiging van de rechter-commissaris. Indien al sprake is van een vormverzuim, dan is duidelijk dat een dergelijke machtiging zou zijn afgegeven zodat met de constatering van het verzuim kan worden volstaan. (Naar het Hof begrijpt) ter onderbouwing van deze stelling heeft de procureur-generaal een kopie van een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging aan zijn schriftelijke repliek gehecht, die ziet op nasporing naar een datapakket uit Ennetcom/Canada met betrekking tot het account [medeverdachte 1].
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de PGP-data heeft de procureur-generaal – samengevat weergegeven – erop gewezen dat de verdediging inzage heeft kunnen krijgen in het materiaal in Curaçao en ook de gelegenheid heeft gekregen om in Nederland in Hansken te kijken, doch daar kennelijk geen gebruik van heeft willen maken.
Beoordeling
Van een schending van het recht op equality of arms is het Hof gelet daarop en ook gezien hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht niet gebleken.
Ten aanzien van de stelling dat het openbaar ministerie heeft nagelaten een (groot) aantal stukken te voegen in het dossier, verwijst het Hof naar hetgeen eerder, naar aanleiding van de tweede regiezitting (op 19 oktober 2023) is overwogen. Samengevat komt het er op neer dat a) het openbaar ministerie naar aanleiding van verzoeken van de verdediging gedurende de procedure in hoger beroep meerdere stukken aan het dossier heeft toegevoegd en b) het Hof van oordeel is dat hetgeen de verdediging verder heeft verzocht, geen processtukken betreft in de strafzaak van de verdachte, zodat het openbaar ministerie deze ook niet in het dossier had hoeven voegen.
Mede gezien al hetgeen hiervoor is overwogen en de in acht te nemen kaders, is het Hof van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de stukken relevant zijn voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte. Van normschendingen dienaangaande is het Hof niet gebleken.
Samenvattend ten aanzien van de verweren – conclusies
Het Hof is van oordeel dat het ontbreken van een rechterlijke machtiging voorafgaand aan de verkrijging van PGP-safe-data uit Costa Rica, een onherstelbare normschending oplevert. In het onderzoek naar de verdachte, kan dit
naar het oordeel van het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zonder gevolgen blijven.
Ten aanzien van de door de verdediging – in algemene termen - gestelde schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat van onevenredige schending van de rechten van de verdachte in deze zin sprake is geweest. Het Hof betrekt hierbij de ernst van de strafbare feiten waarvan ten aanzien van de verdachte een verdenking
was gerezen. Het betrof feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk vormen op de rechtsorde.
Daarbij levert een schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, voor zover al aan de orde, niet ook steeds een schending van zijn rechten in de zin van artikel 6 EVRM op.
Hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht, maakt het voorgaande niet anders.
Al met al is het Hof – met het Gerecht - van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ‘the procedure as a whole’ voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het Hof dat aan de verdediging de mogelijkheid is geboden het verkregen bewijsmateriaal te controleren en te betwisten, doch dat er geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen data dient te worden getwijfeld.
Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging biedt hetgeen is aangevoerd geen grond. Voor bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg, is evenmin grond.
De verweren worden verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding, vordering nadere omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
de deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao in de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 november 2020.
Feit 2:
Medeplegen van (gewoonte)witwassen in Curaçao in de periode van 1 januari 2014 tot en met 26 november 2020.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de in een bijlage II bij dit vonnis weer te geven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 (voor zover aan de orde) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij in de periode van 1 januari 2015 en met 8 februari 2021 in Curaçao heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de ‘No Limit Soldiers’ (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
-de invoer en uitvoer van en de handel in verdovende middelen;
-gewoontewitwassen.
Feit 2:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 26 november 2020 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, de verdachte, telkens een of meer voorwerpen, te weten:
-een of meerdere (contante) geldbedragen, en
-een woning gelegen aan de [adres] te Villapark Zuurzak, en
-een voertuig van het merk Chevrolet model Tahoe Premier 4x4 "20" met
kenteken [kenteken] (met een aankoopwaarde van NAf 137.000,-), en
-een motor Gilera [kenteken] (met een douanewaarde van NAf 10.226,-), en
-vaartuigen, te weten een Boston Whaler Gambino ([nummer]) en een Beracco ([nummer]) en een La Piloto ([nummer]), en
-sieraden, te weten een horloge van het merk Rolex (Dark Rhod 10BR W)
(aankoopwaarde van NAf 14.660,-) en twee diamanten (1.28 karaat en 1.09
karaat) (taxatiewaarde van (in totaal) NAf 29.000,-),
voorhanden heeft gehad, en
-een contant geldbedrag van in totaal NAf 330.418,- aan uitgaven waarmee aankopen zijn gedaan, en
-een contant geldbedrag van NAf 90.000,- en NAf 83.000,- waarmee twee voertuigen van het merk Audi (Q3 en Q2) zijn betaald, en
-een contant geldbedrag van NAf 107.100,- waarmee vliegtickets zijn betaald,
voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, en
-van een kavel [nummer] te Villapark Zuurzak
de werkelijke aard en/of herkomst heeft verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was of die kavel voorhanden had,
terwijl hij, de verdachte en zijn mededader(s) (telkens) wisten of begrepen, dat die voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief).
Beoordeling
Het Hof neemt dienaangaande de volgende overwegingen uit het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg over:
Dat de verdachte het financieel beheer van het geld van de organisatie heeft en toezicht houdt op de uitgaven van de organisatie blijkt voorts uit de berichten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte in 2015 en 2020. De verdachte zegt regelmatig tegen [medeverdachte 1] wat er nog "in de pot zit" en hij waarschuwt hem om niet te veel uit te geven, want dan raakt de pot leeg. Hij regelt betalingen door de organisatie aan derden en vliegtickets voor familieleden. Hij geeft zoals gezegd ook opdracht aan [medeverdachte 2] om geld rond te brengen en uit het feit dat de broer van [medeverdachte 2] zich bij het huis van de verdachte meldt voordat hij in plaats van zijn broer geld moet gaan rondbrengen, kan worden afgeleid dat dit geld bij de verdachte thuis wordt opgehaald. Ook hiermee zijn aanzienlijke geldbedragen gemoeid. Tenslotte koopt de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] dure auto's voor diens dochter en moeder voor in totaal ongeveer ANG 170.000,-, welk bedrag hij contant aan de garage betaalt. Volgens de verkoopster [verkoopster] handelde de verdachte hierbij in opdracht van [medeverdachte 1].
Dat de verdachte via [medeverdachte 2] ook betalingen van [medeverdachte 1] doet aan gedetineerden in de [gevangenis], leidt het Gerecht onder meer af uit een gesprek op 17 oktober 2015 waarin [medeverdachte 1] tegen de verdachte zegt dat hij geld aan [persoon] moet geven om aan de zwager voor [persoon] te geven voor [persoon]. [persoon] is de bijnaam van [persoon], die gedetineerd is in de [gevangenis] in verband met de schietpartij op het vliegveld Hato, een liquidatie die aan de NLS wordt toegeschreven.
Dat de verdachte op het financiële vlak belangrijk is voor [medeverdachte 1] blijkt ook uit het volgende.
Al in oktober en november 2015 spreken [medeverdachte 1] en de verdachte over de aankoop van terreinen op Curaçao, waarvoor een SPF moet worden opgericht. De verdachte gaat daarvoor persoonlijk voor [medeverdachte 1] naar de notaris, "beter ga ik zelf naar de notaris voor jou, zodat niemand over jouw zaken weet snap je", zo zegt hij tegen [medeverdachte 1]. Ook staat hij in contact met [medeverdachte 6]. Zij regelt financiële zaken voor [medeverdachte 1] en zorgt voor de oprichting van de stichting die kavel E-6 te Zuurzak aankoopt. Ook zorgt zij voor de overdracht van de stichting aan de verdachte. Zij attendeert [medeverdachte 1] op de aankoop van bepaalde terreinen en onroerend goed en beheert ook vastgoed voor [medeverdachte 1].
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op (internationale) drugshandel en witwassen gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot de verwezenlijking van de binnen die organisatie bestaande oogmerken.
Daarom is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr zoals hiervoor bewezenverklaard.
Feit 2: gewoontewitwassen
Inleiding; verwijt en standpunten partijen
De verdachte wordt verweten dat dat hij zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 november 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Dit witwassen ziet onder meer op geldbedragen, een woning, een kavel, vaartuigen en sieraden en voorts op het beschikken over (grote) contante geldbedragen waarmee auto’s en vliegtickets voor derden zijn gekocht en andere aankopen zijn gedaan.
De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2. tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Het stappenplan voor de bewezenverklaring van witwassen volgend is er sprake van een vermoeden van witwassen. De verdachte was lid van de criminele organisatie NLS, die zich bezighield met de handel in cocaïne en het witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in cocaïne gepaard gaat met financiële transacties van grote omvang en
verdiensten in de vorm van contante betalingen. Uit de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte grote geldbedragen voorhanden
heeft gehad en heeft omgezet. De verdachte beheerde het geld voor de medeverdachte [medeverdachte 1]. De verdachte deed (aanzienlijke) uitgaven voor
[medeverdachte 1] en voor zichzelf en beschikte daarnaast over luxegoederen, een huis en een kavel. Een en ander valt niet te rijmen met de legale inkomsten van de verdachte. De procureur-generaal heeft aangegeven dat de verdachte op een drietal punten een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgegeven, die vervolgens is onderzocht. Dat onderzoek heeft opgeleverd dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat voor de aanschaf van de Chevrolet Tahoe een legale lening van NAf 60.000,- is gebruikt en dat ten aanzien de door en namens de verdachte gestelde legale loterijwinsten voor een bedrag van NAf 42.000,- niet kan worden uitgesloten dat dat legaal was.
Daarnaast heeft de verdachte een bedrag van NAf 40.000,- legaal gegenereerd uit de verkoop van een ‘truk’ en een Ford. De legale herkomst van deze twee bedragen maakt volgens de procureur-generaal niet dat de tenlastegelegde ‘meerdere grote geldbedragen’ niet bewezen kunnen worden. Ten slotte heeft de procureur-
generaal betoogd dat gelet op de periode en de frequentie waarin de verdachte heeft gehandeld gewoontewitwassen bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft – kort gezegd - bepleit dat er geen sprake is van een vermoeden van witwassen. De raadsman heeft aangegeven dat de punten die hij ter
onderbouwing van zijn betoog dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde (deelneming aan de criminele organisatie NLS) ook als
grondslag dienen voor het pleidooi dat van (gewoonte)witwassen geen sprake is geweest. Uit niets komt naar voren dat de verdachte meer heeft gedaan dan af en
toe mensen helpen met wie hij persoonlijk een goede band heeft. Mocht het zo zijn dat de vliegtickets door de verdachte geboekt zijn, dan kan daaruit niet geconcludeerd worden dat de verdachte een rol speelde binnen een criminele organisatie. De verdachte is voorts niet betrokken geweest bij of heeft wetenschap gehad van drugshandel waarmee de NLS zich bezig zou houden. Onder de verdachte zijn nooit grote geldbedragen aangetroffen, noch kan uit Sky berichten worden geconcludeerd dat verdachte daarover de beschikking heeft gehad. Uit het aantreffen van facturen in de woning van de verdachte kan niet worden geconcludeerd dat die voor hem waren bedoeld en door hem waren betaald, hetgeen ook geldt voor de uitgaven die gerelateerd zijn aan de Funmiles-pas die in de portemonnee van de verdachte zou zijn aangetroffen. Het saldo op de Funmiles pas kan volgens de raadsman ook ‘spaargeld uit een eerder leven zijn geweest’. Het bezit van de woning en de kavel strekken niet tot de conclusie dat er van een witwasvermoeden gesproken kan worden. De woning is gekocht met een lening van de MCB bank. De Chevrolet Tahoe is (deels) bekostigd met een lening. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat de vaartuigen, de motor en de Rolex met crimineel geld bekostigd zijn. De diamanten heeft de verdachte van een juwelier, een vriend/zakenpartner, gekregen. De verdachte heeft legaal inkomen uit zijn bedrijf [bedrijf] en heeft inkomsten verworven uit gewonnen loterijen (te weten NAf 163.675 en een BMW). Door het opgeven van die loterijwinsten heeft de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven, aldus de raadsman.
Beoordeling
De verdachte heeft na dit oordeel van het Gerecht geen nadere of meer concrete verklaring afgelegd en ter zitting in hoger beroep heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en ook geen nadere uitleg gegeven.
Het Hof constateert dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst van (het geld voor) de kavel en de woning, waarbij het Hof ook de iets uitgebreidere verklaring van de verdachte ter zitting van het Gerecht niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring beschouwt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Deze verklaringen van de verdachte vormen, in samenhang bezien met voornoemde bewijsmiddelen, juist een bevestiging van het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van de kavel en de woning. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft
willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de woning onmiddellijk of middellijk uit enig
misdrijf afkomstig is. Het Hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen..
Gelet op de volgorde van de bewezenverklaring zal het Hof het oordeel met betrekking tot het verwijt van het witwassen van de kavel verderop bespreken.
3. Chevrolet Tahoe
Onder de verdachte is een Chevrolet Tahoe in beslag genomen. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij ten behoeve van de aanschaf van de Chevrolet Tahoe bij [persoon] een lening had afgesloten en van die [persoon] contant geld had gekregen. Hij had nog niets terugbetaald. Ter zitting van het Gerecht heeft de verdachte aangegeven dat hij de Chevrolet in april 2020 voor een bedrag van NAf 137.000,- bij een autodealer had gekocht, contant had betaald en dit geld geleend had bij [persoon]. Van deze lening was volgens de verdachte een overeenkomst opgemaakt, maar hij had nog niets afgelost.
Het dossier houdt met betrekking tot de aankoop van de Chevrolet Tahoe het volgende in. Autocity B.V. maakt op 27 maart 2020 een ‘vehicle quote’ op naam van de verdachte op. [bedrijf], het bedrijf van [persoon], doet op 12 mei 2020 een aanbetaling voor de Chevrolet van NAf 20.000,-, waarop Autocity
vervolgens op 13 mei 2020 een ‘vehicle order confirmation’ op naam van de verdachte opmaakt, voor een bedrag van NAf 137.003,23. De Chevrolet wordt op 26
mei 2020 gekeurd en op naam van de verdachte gezet. Op 16 juni 2020 doet [bedrijf] een betaling van NAf 20.000,- voor de Chevrolet en op 15 juli 2020 opnieuw voor hetzelfde bedrag. Het resterende bedrag wordt voldaan door twee contante stortingen van respectievelijk NAf 50.000,- (op 20 juli 2020) en NAf 10.000,- (op 3 augustus 2020) en een overschrijving door [bedrijf], het bedrijf van de verdachte. De contante storting van NAf 50.000,- betreft een door de verdachte ontvangen bedrag voor de verkoop van zijn Toyota Landcruiser.
In de Chevrolet Tahoe is een “Overeenkomst van geldlening” van 31 juli 2020 tussen [persoon] en de verdachte aangetroffen, betreffende een geldlening van NAf 60.000,-.
Uit deze stukken leidt het Hof af dat de verdachte met betrekking tot de totale aankoopprijs van de Chevrolet Tahoe een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat dat geld (en daarmee de Chevrolet) een legale herkomst had. Die verklaring (ook) voor wat betreft de herkomst van NAf 60.000,- is nader onderzocht en het Hof heeft het resultaat daarvan beoordeeld.
Daarbij heeft het Hof onder meer acht geslagen op het feit dat de verdachte heeft verklaard de NAf 60.000,- contant van [persoon] te hebben ontvangen, terwijl uit de hiervoor aangehaalde stukken blijkt dat dit bedrag in drie delen door het bedrijf van [persoon] op de rekening van Autocity is gestort, hetgeen [persoon] ook bij de
politie heeft verklaard. Ook heeft het Hof bij het oordeel betrokken het feit dat de leenovereenkomst van later datum is dan de drie overboekingen, alléén door
[persoon] is ondertekend en een maandelijkse aflossing van bijna NAf 2000,- noemt, terwijl de verdachte op het moment dat hij werd aangehouden, op 27 november 2020, zowel volgens hemzelf als volgens [persoon] nog geen cent had afgelost. Verder wekt omtrent deze (overeenkomst van) geldlening bevreemding dat [persoon], - hoewel hij het bestaan van de lening en de waarachtigheid van de overeenkomst bij de politie heeft onderschreven – bij de politie (ook) heeft verklaard dat hij de verdachte ‘van de straat kende’ en niet wist waarmee hij zijn geld verdiende en daar ook niet naar had gevraagd. Ook heeft het Hof op het navolgende acht geslagen. Het Gerecht heeft naar aanleiding van voornoemde stukken en de verklaring van de verdachte en [persoon] geoordeeld dat NAf 60.000,- een criminele herkomst heeft en dat de overeenkomst van geldlening is opgesteld om die criminele herkomst te verhullen en dat (door vermenging) sprake is van witwassen van de Chevrolet Tahoe. De verdachte heeft na dit oordeel van het Gerecht geen nadere of meer concrete verklaring afgelegd en ter zitting in hoger beroep heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en ook geen nadere uitleg
gegeven. [persoon] is op verzoek van de verdediging in april 2024 bij de rechter-commissaris gehoord, maar daar heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen.
Alles overziend is de verklaring van verdachte dat NAf 60.000,- van het aankoopbedrag van de Chevrolet een legale herkomst had, niet aannemelijk
geworden en kan het niet anders zijn dan dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Door vermenging van dit bedrag met het legaal verworven gedeelte van de
koopsom door de verkoop van de Toyota Landcruiser, dient de Chevrolet Tahoe in zijn geheel als onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig te worden aangemerkt. Hetgeen de raadsman daarover heeft opgemerkt, maakt dat oordeel niet anders.
Dit leidt ertoe dat het Hof van oordeel is dat tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden gekomen.
4. Gilera
De verdachte had een motor, Gilera in zijn bezit. Voor het eerst ter zitting van het Gerecht heeft de verdachte een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee de Gilera motor ([kenteken]) is bekostigd. Hij zou de Gilera in 2015 in Nederland voor Nf 10.226,- hebben gekocht met geld dat hij gewonnen had op een pokertoernooi in Nederland en de motor is vervolgens door zijn toenmalige bedrijf [bedrijf] op 15 januari 2015 in Curaçao ingevoerd.
Het Hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, dan wel nadere
uitleg heeft gegeven, concludeert het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geld waarmee de Gilera is bekostigd / de Gilera zelf uit misdrijf afkomstig is. Dat
leidt ertoe dat het Hof van oordeel is dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
Het Hof vermag niet in te zien waarom het feit dat – zoals door de raadsman is betoogd - de motor niet ten bate van de verdachte zelf, maar ten bate van zijn bedrijf is aangekocht (en op naam van zijn bedrijf in Curaçao geïmporteerd) tot een ander oordeel zou moeten leiden, nu uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij de motor zelf heeft gekocht (en, zo begrijpt het Hof, betaald).
5. Vaartuigen
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode drie vaartuigen in eigendom heeft gehad. Een Boston Whaler Gambino ([nummer]), een Beracco ([nummer]) en een La Piloto ([nummer]).
Beoordeling
Over deze vaartuigen heeft de verdachte ter terechtzitting van het Gerecht verklaard dat hij ze allemaal gekocht had en inmiddels ook weer verkocht had, maar hij heeft niets verklaard over de herkomst van het geld waarmee de vaartuigen zijn aangeschaft. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden dan
wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen waarmee de vaartuigen zij betaald, uit misdrijf afkomstig
zijn en komt het Hof tot de conclusie dat de vaartuigen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
De enkele opmerking van de raadsman over de (zo begrijpt het Hof) herkomst van het geld kan als niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte gelden, die bij voldoende aanknopingspunten tot nader onderzoek noopt en brengt het Hof dan ook niet tot een ander oordeel.
6. Sieraden (Rolex en diamanten)
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in april 2027 in Aruba een Rolex (Dark Rhod 10BR W) heeft aangeschaft. Verdachte heeft dat bij de politie bevestigd en ter zitting van het Gerecht verklaard dat de Rolex ter waarde van NAf 14.660,- van hem is, maar hij heeft niets verklaard over de herkomst van het geld waarmee hij de Rolex heeft gekocht. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de Rolex onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is zodat dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.
Over de twee diamanten met een taxatiewaarde van NAf 29.000,- die onder de verdachte in beslag zijn genomen, heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij die van een vriend genaamd [persoon] heeft gekregen, een juwelier vlakbij het station in
Antwerpen in België, omdat hij veel klanten aan hem had gestuurd. Het Hof is niet alleen van oordeel dat deze verklaring onvoldoende concreet en verifieerbaar is,
maar ook dat zij op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Tot een nader onderzoek noopte deze verklaring daarom niet.
Nu de verdachte in hoger beroep over de herkomst van diamanten geen vragen heeft willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de diamanten onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
Voorhanden hebben en/of omzetten van een voorwerp, wetende of begrijpende dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf
Beschouwing vooraf in verband met verweer legale herkomst contante geldbedragen
Loterij- en gokwinsten en verkoop Ford en ‘truk’
De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij naast zijn legale inkomsten uit eigen onderneming (zoals de truk i pan op Marie Pampoen), legaal inkomen in de vorm van loterijwinsten heeft gegenereerd. Hij speelde mee in de loterijen Robbie’s Lottery, Smile Lottery en W.N.K. Ter onderbouwing daarvan zijn op verschillende momenten (waaronder ter zitting in hoger beroep) daarvan door en namens de verdachte bewijsstukken (waaronder bonnen en loten) ingebracht en/of getoond. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij een aantal jaren daarvoor een kleinere aanhangwagen had verkocht en daarvan een grotere had gekocht.
Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte met betrekking tot loterij- en gokwinsten is onderzoek verricht, in die zin dat de Financial Intelligence Unit (FIU) over de verklaring en de ingebrachte stukken is bevraagd. Het hof begrijpt het dossier en met name het ‘proces-verbaal bevindingen verstrekking FIU’ zo dat uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachte in de periode 6 december 2017 – 31 mei 2018 in vier transacties een totaalbedrag van Naf 42.000,- van Robbie’s Lottery op zijn bankrekening heeft ontvangen. Nader onderzoek in een latere fase, na sluiting van het strafdossier, bijvoorbeeld in de administratie van de betreffende loterijen, is niet uitgevoerd, ook niet naar aanleiding van de door de verdediging in de ontnemingszaak (in eerste aanleg) overgelegde stukken, welke op verzoek van de verdediging en met toestemming van de procureur-generaal in hoger beroep in het dossier van de strafzaak zijn gevoegd, en evenmin naar aanleiding van in hoger beroep door de verdediging getoonde stukken.
Het Hof is van oordeel dat het openbaar ministerie aldus heeft verzuimd voldoende onderzoek te doen naar de door de verdachte afgelegde (en in stappen onderbouwde) verklaring, dat de legale inkomsten uit loterijwinsten in totaal (NAf 146.425 + NAf 9.850 + NAf 3.400 + NAf 4.000 =) NAf 163.675,- bedroegen. De verklaring van de verdachte kan niet zonder meer als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden gesteld. Hoewel in zijn algemeenheid geldt dat het niet heel aannemelijk is dat iemand die gokt, zo vaak wint, zijn de niet hoogst
onwaarschijnlijke en met stukken onderbouwde verklaringen van de verdachte onvoldoende onderzocht zodat het Hof, in het voordeel van de verdachte, er van
uit gaat dat hij een bedrag van in totaal NAf 163.675,- aan legale loterij- en gokwinsten heeft gehad.
Het Hof merkt op dat een en ander niet geldt voor de stelling van de raadsman dat de verdachte ook legale inkomsten heeft gehad uit een bij een loterij gewonnen en vervolgens doorverkochte BMW. Hierover is in de bij de pleitnota gevoegde bijlage 2 ‘Overzichtsdocumenten loterijwinsten’ (waaronder een optelsom van gewonnen bedragen) niets vermeld. Ook zijn geen nadere stukken ingediend of getoond dan
hetgeen is overgelegd in de procedure voor het Gerecht, een krantenartikel van begin 2010 van het winnen van de BMW en een afschrift van een bankrekening op
naam van de verdachte met een storting van een geldbedrag van NAf 67.000,- waaruit zou moeten blijken dat die BMW kort daarna is verkocht. Bovendien heeft ook de verdachte zelf hierover bij de politie in wezen niets meer verklaard dan dat hij deze BMW rond 2010 had gewonnen en een paar weken later voor Naf 70.000,- had verkocht. Bij deze stand van zaken en gelet op aanvang en de omvang van de tenlastegelegde periode kan naar het oordeel van het Hof niet worden gesproken van een concrete, min of meer verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring die tot nader onderzoek had moeten leiden.
In aanvulling op de verklaring van de verdachte met betrekking tot de opbrengst uit verkoop van een aanhangwagen (truk), is door de raadsman (in de ontnemingsprocedure voor het Gerecht, welke stukken in hoger beroep ook in de strafzaak zijn gevoegd) een kwitantie overgelegd, met de vermelding dat [verdachte] op 28 januari 2016 voor de verkoop van “een Ford 2006 model E 150 en een mobile kantine” “fl. 40.000,-“ heeft ontvangen. Daarnaast heeft de procureur-generaal gewezen op eerdergenoemd ‘proces-verbaal bevindingen verstrekking FIU’, waaruit blijkt dat er op 29 januari 2016 een overboeking van Naf 35.000,- heeft plaatsgevonden met als omschrijving “verkochte truk”. Gelet hierop is het Hof met de procureur-generaal en – zo begrijpt het Hof – de raadsman van oordeel dat aannemelijk is geworden dat ook dit bedrag van NAf 40.000,- een legale herkomst had.
Samenvattend is het Hof van oordeel dat van NAf 163.675,- respectievelijk NAf 40.000,- (totaalbedrag NAf 203.675,-) een legale herkomst aannemelijk is geworden (althans dat het tegendeel onvoldoende is gebleken).
Beoordeling
Over deze vaartuigen heeft de verdachte ter terechtzitting van het Gerecht verklaard dat hij ze allemaal gekocht had en inmiddels ook weer verkocht had, maar hij heeft niets verklaard over de herkomst van het geld waarmee de vaartuigen zijn aangeschaft. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden dan
wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen waarmee de vaartuigen zij betaald, uit misdrijf afkomstig
zijn en komt het Hof tot de conclusie dat de vaartuigen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
De enkele opmerking van de raadsman over de (zo begrijpt het Hof) herkomst van het geld kan als niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte gelden, die bij voldoende aanknopingspunten tot nader onderzoek noopt en brengt het Hof dan ook niet tot een ander oordeel.
6. Sieraden (Rolex en diamanten)
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in april 2027 in Aruba een Rolex (Dark Rhod 10BR W) heeft aangeschaft. Verdachte heeft dat bij de politie bevestigd en ter zitting van het Gerecht verklaard dat de Rolex ter waarde van NAf 14.660,- van hem is, maar hij heeft niets verklaard over de herkomst van het geld waarmee hij de Rolex heeft gekocht. Nu de verdachte in hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de Rolex onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is zodat dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.
Over de twee diamanten met een taxatiewaarde van NAf 29.000,- die onder de verdachte in beslag zijn genomen, heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij die van een vriend genaamd [persoon] heeft gekregen, een juwelier vlakbij het station in
Antwerpen in België, omdat hij veel klanten aan hem had gestuurd. Het Hof is niet alleen van oordeel dat deze verklaring onvoldoende concreet en verifieerbaar is,
maar ook dat zij op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Tot een nader onderzoek noopte deze verklaring daarom niet.
Nu de verdachte in hoger beroep over de herkomst van diamanten geen vragen heeft willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de diamanten onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt verklaard.
Voorhanden hebben en/of omzetten van een voorwerp, wetende of begrijpende dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf
Beschouwing vooraf in verband met verweer legale herkomst contante geldbedragen
Loterij- en gokwinsten en verkoop Ford en ‘truk’
De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij naast zijn legale inkomsten uit eigen onderneming (zoals de truk i pan op Marie Pampoen), legaal inkomen in de vorm van loterijwinsten heeft gegenereerd. Hij speelde mee in de loterijen Robbie’s Lottery, Smile Lottery en W.N.K. Ter onderbouwing daarvan zijn op verschillende momenten (waaronder ter zitting in hoger beroep) daarvan door en namens de verdachte bewijsstukken (waaronder bonnen en loten) ingebracht en/of getoond. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij een aantal jaren daarvoor een kleinere aanhangwagen had verkocht en daarvan een grotere had gekocht.
Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte met betrekking tot loterij- en gokwinsten is onderzoek verricht, in die zin dat de Financial Intelligence Unit (FIU) over de verklaring en de ingebrachte stukken is bevraagd. Het hof begrijpt het dossier en met name het ‘proces-verbaal bevindingen verstrekking FIU’ zo dat uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachte in de periode 6 december 2017 – 31 mei 2018 in vier transacties een totaalbedrag van Naf 42.000,- van Robbie’s Lottery op zijn bankrekening heeft ontvangen. Nader onderzoek in een latere fase, na sluiting van het strafdossier, bijvoorbeeld in de administratie van de betreffende loterijen, is niet uitgevoerd, ook niet naar aanleiding van de door de verdediging in de ontnemingszaak (in eerste aanleg) overgelegde stukken, welke op verzoek van de verdediging en met toestemming van de procureur-generaal in hoger beroep in het dossier van de strafzaak zijn gevoegd, en evenmin naar aanleiding van in hoger beroep door de verdediging getoonde stukken.
Het Hof is van oordeel dat het openbaar ministerie aldus heeft verzuimd voldoende onderzoek te doen naar de door de verdachte afgelegde (en in stappen onderbouwde) verklaring, dat de legale inkomsten uit loterijwinsten in totaal (NAf 146.425 + NAf 9.850 + NAf 3.400 + NAf 4.000 =) NAf 163.675,- bedroegen. De verklaring van de verdachte kan niet zonder meer als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden gesteld. Hoewel in zijn algemeenheid geldt dat het niet heel aannemelijk is dat iemand die gokt, zo vaak wint, zijn de niet hoogst
onwaarschijnlijke en met stukken onderbouwde verklaringen van de verdachte onvoldoende onderzocht zodat het Hof, in het voordeel van de verdachte, er van
uit gaat dat hij een bedrag van in totaal NAf 163.675,- aan legale loterij- en gokwinsten heeft gehad.
Het Hof merkt op dat een en ander niet geldt voor de stelling van de raadsman dat de verdachte ook legale inkomsten heeft gehad uit een bij een loterij gewonnen en vervolgens doorverkochte BMW. Hierover is in de bij de pleitnota gevoegde bijlage 2 ‘Overzichtsdocumenten loterijwinsten’ (waaronder een optelsom van gewonnen bedragen) niets vermeld. Ook zijn geen nadere stukken ingediend of getoond dan
hetgeen is overgelegd in de procedure voor het Gerecht, een krantenartikel van begin 2010 van het winnen van de BMW en een afschrift van een bankrekening op
naam van de verdachte met een storting van een geldbedrag van NAf 67.000,- waaruit zou moeten blijken dat die BMW kort daarna is verkocht. Bovendien heeft ook de verdachte zelf hierover bij de politie in wezen niets meer verklaard dan dat hij deze BMW rond 2010 had gewonnen en een paar weken later voor Naf 70.000,- had verkocht. Bij deze stand van zaken en gelet op aanvang en de omvang van de tenlastegelegde periode kan naar het oordeel van het Hof niet worden gesproken van een concrete, min of meer verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring die tot nader onderzoek had moeten leiden.
In aanvulling op de verklaring van de verdachte met betrekking tot de opbrengst uit verkoop van een aanhangwagen (truk), is door de raadsman (in de ontnemingsprocedure voor het Gerecht, welke stukken in hoger beroep ook in de strafzaak zijn gevoegd) een kwitantie overgelegd, met de vermelding dat [verdachte] op 28 januari 2016 voor de verkoop van “een Ford 2006 model E 150 en een mobile kantine” “fl. 40.000,-“ heeft ontvangen. Daarnaast heeft de procureur-generaal gewezen op eerdergenoemd ‘proces-verbaal bevindingen verstrekking FIU’, waaruit blijkt dat er op 29 januari 2016 een overboeking van Naf 35.000,- heeft plaatsgevonden met als omschrijving “verkochte truk”. Gelet hierop is het Hof met de procureur-generaal en – zo begrijpt het Hof – de raadsman van oordeel dat aannemelijk is geworden dat ook dit bedrag van NAf 40.000,- een legale herkomst had.
Samenvattend is het Hof van oordeel dat van NAf 163.675,- respectievelijk NAf 40.000,- (totaalbedrag NAf 203.675,-) een legale herkomst aannemelijk is geworden (althans dat het tegendeel onvoldoende is gebleken).
Beoordeling
Omdat de verdachte in de tenlastegelegde periode zeer veel contante bedragen (en voorwerpen) voorhanden heeft gehad (en omgezet), waardoor ook sprake is geweest van vermenging van legale en illegale inkomsten, zal het Hof dit bedrag bij het eerste hierna te bespreken onderdeel aftrekken.
1. Geldbedrag van (in totaal) NAf 534.093,- (facturen en Funmiles)
In de woning van de verdachte zijn facturen, bonnen en offertes aangetroffen, waarvan een deel (van in totaal NAf 409.075,60) door het Gerecht als uitgaven van
de verdachte is bestempeld. Dit betreft facturen en bonnen vanaf 18 augustus 2017 en van de offerte is door het Gerecht alleen dat gedeelte meegenomen in de
berekening, waarvan uit de aangetroffen stukken blijkt dat dat deel op de dag van de aanhouding van de verdachte al betaald was (NAf 5400,-). Ook is het saldo op de Funmiles kaart op naam van de verdachte (NAf 125.017,40) meegenomen in de
berekening van de uitgaven van de verdachte, maar dan alleen voor wat betreft de periode 2015-2020.
De verdachte heeft over en naar aanleiding van deze bescheiden bij de politie en het Gerecht geen verklaring afgelegd of uitleg gegeven over de herkomst van het (contante) geld waarmee deze uitgaven zijn gedaan. Nu de verdachte in hoger
beroep – na het oordeel van het Gerecht hierover - ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het in beginsel niet anders kan zijn dan dat een contant bedrag van in totaal NAf 534.093,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is.
Gelet evenwel op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door het Hof aangenomen legale herkomst van een deel van de contante gelden van de verdachte, zal het Hof het bedrag van in totaal NAf 203.675 aftrekken van dit geldbedrag zodat bewezen wordt verklaard dat de verdachte NAf 534.094 minus NAf 203.675 = NAf 330.418 voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of heeft begrepen dat dit totaalbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit misdrijf.
Het hof acht voorts bewezen dat hij deze bedragen heeft omgezet door er facturen mee te betalen.
Het Hof herhaalt hierbij dat de opmerkingen die de raadsman hierover heeft gemaakt en die in de kern genomen vooral bestrijden dat een aantal uitgaven daadwerkelijk door de verdachte is gedaan, niet kunnen gelden als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte en die opmerkingen behoeven alleen al daarom geen bespreking.
2. Geldbedragen van NAf 90.000,- en NAf 83.000,- ( Audi Q3 en Q2)
De verdachte heeft ter terechtzitting van het Gerecht ontkend iets te maken te hebben gehad met de aankoop van een Audi Q3 en Q2, en ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte ook op dit punt geen nadere vragen willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg gegeven. Het Hof is echter op basis van de gebezigde bewijsmiddelen (waaronder de verklaring van getuige [getuige], die op verzoek van de verdediging in hoger beroep door de rechter-commissaris is gehoord) van oordeel dat de verdachte wel degelijk betrokken was bij de aankoop van de betreffende auto’s en de genoemde bedragen contant heeft betaald. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte hieromtrent is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante
bedragen van NAf 90.000,- en 83.000,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt
verklaard. De verdachte heeft de contante bedragen voorhanden gehad en omgezet door hiermee de auto’s te betalen.
3. Geldbedrag van (in totaal) NAf 107.100,- (vliegtickets)
De verdachte is bij de politie geconfronteerd met (app)berichten/gesprekken over het voor grote bedragen kopen van vliegtickets voor anderen dan voor hemzelf en zijn gezin bij Maduro Travel ([persoon]). De verdachte gaf daarbij aan zich
niets tot weinig te herinneren over de vliegtickets. Hij had geen tickets geregeld en betaald. Hij kon zich niet herinneren of hij wel eens grote bedragen voor vliegtickets aan ]persoon] had moeten betalen. Ter terechtzitting van het Gerecht is de verdachte voorgehouden dat uit verschillende berichten en telefoongesprekken wordt afgeleid dat hij voor grote bedragen vliegtickets koopt voor andere mensen dan voor zichzelf en zijn gezin. De verdachte heeft daarop aangegeven dat hij weleens vliegtickets bij [persoon] van Maduro Travel kocht voor [medeverdachte 1] als die hem dat vroeg, ook wel vliegtickets die [medeverdachte 1] voor iemand anders nodig had. De verdachte heeft ontkend de vliegtickets betaald te hebben en heeft, geconfronteerd met een gesprek waarin [persoon] hem gezegd zou hebben dat er een bedrag van NAf 102.000,- openstond dat nog betaald moest worden, dat “dat niet kan kloppen.”.
Ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte ook op dit punt geen nadere vragen willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg gegeven. Het Hof is op basis van de gebezigde bewijsmiddelen (waaronder de verklaring van getuige [getuige], die op verzoek van de verdediging in hoger beroep door de rechter-commissaris is gehoord) van oordeel dat de verdachte wel degelijk betrokken was bij de aankoop van betreffende vliegtickets en daarvoor in totaal een bedrag van NAf 107.100,- heeft betaald. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte hieromtrent is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante bedragen van in totaal NAf 107.100,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn en komt ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring. De verdachte heeft de bedragen voorhanden gehad en omgezet door hiermee de vliegtickets te betalen.
Van een voorwerp de werkelijke aard en/of herkomst verhullen en/of verhullen wie de rechthebbende op dat voorwerp is of dat voorwerp voorhanden hebben, wetende of begrijpende dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf
De kavel [nummer]
Verwijzend naar hetgeen het Hof onder het kopje Woning Zuurzak (ook) ten aanzien van de kavel [nummer] heeft overwogen, herhaalt het Hof de aldaar weergegeven constatering dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst (en de
verwerving) van de kavel en dat het Hof ook de iets uitgebreidere verklaring van de verdachte ter zitting van het Gerecht daarbij niet als een concrete, verifieerbare
en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring beschouwt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Deze verklaring van de verdachte vormt, in samenhang
bezien met voornoemde bewijsmiddelen, juist een bevestiging van het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van de kavel. Nu de verdachte in
hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de kavel onmiddellijk afkomstig is uit misdrijf. Door de wijze van verkrijging (door een SPF waarvan hij later UBO is geworden), is het Hof voorts van oordeel dat niet alleen sprake is van voorhanden hebben, maar tevens van het verhullen van de werkelijke aard en/of herkomst van de kavel en/of te verhullen wie de rechthebbende op de kavel is geweest. Het Hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Beoordeling
Omdat de verdachte in de tenlastegelegde periode zeer veel contante bedragen (en voorwerpen) voorhanden heeft gehad (en omgezet), waardoor ook sprake is geweest van vermenging van legale en illegale inkomsten, zal het Hof dit bedrag bij het eerste hierna te bespreken onderdeel aftrekken.
1. Geldbedrag van (in totaal) NAf 534.093,- (facturen en Funmiles)
In de woning van de verdachte zijn facturen, bonnen en offertes aangetroffen, waarvan een deel (van in totaal NAf 409.075,60) door het Gerecht als uitgaven van
de verdachte is bestempeld. Dit betreft facturen en bonnen vanaf 18 augustus 2017 en van de offerte is door het Gerecht alleen dat gedeelte meegenomen in de
berekening, waarvan uit de aangetroffen stukken blijkt dat dat deel op de dag van de aanhouding van de verdachte al betaald was (NAf 5400,-). Ook is het saldo op de Funmiles kaart op naam van de verdachte (NAf 125.017,40) meegenomen in de
berekening van de uitgaven van de verdachte, maar dan alleen voor wat betreft de periode 2015-2020.
De verdachte heeft over en naar aanleiding van deze bescheiden bij de politie en het Gerecht geen verklaring afgelegd of uitleg gegeven over de herkomst van het (contante) geld waarmee deze uitgaven zijn gedaan. Nu de verdachte in hoger
beroep – na het oordeel van het Gerecht hierover - ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het in beginsel niet anders kan zijn dan dat een contant bedrag van in totaal NAf 534.093,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is.
Gelet evenwel op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door het Hof aangenomen legale herkomst van een deel van de contante gelden van de verdachte, zal het Hof het bedrag van in totaal NAf 203.675 aftrekken van dit geldbedrag zodat bewezen wordt verklaard dat de verdachte NAf 534.094 minus NAf 203.675 = NAf 330.418 voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of heeft begrepen dat dit totaalbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit misdrijf.
Het hof acht voorts bewezen dat hij deze bedragen heeft omgezet door er facturen mee te betalen.
Het Hof herhaalt hierbij dat de opmerkingen die de raadsman hierover heeft gemaakt en die in de kern genomen vooral bestrijden dat een aantal uitgaven daadwerkelijk door de verdachte is gedaan, niet kunnen gelden als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte en die opmerkingen behoeven alleen al daarom geen bespreking.
2. Geldbedragen van NAf 90.000,- en NAf 83.000,- ( Audi Q3 en Q2)
De verdachte heeft ter terechtzitting van het Gerecht ontkend iets te maken te hebben gehad met de aankoop van een Audi Q3 en Q2, en ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte ook op dit punt geen nadere vragen willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg gegeven. Het Hof is echter op basis van de gebezigde bewijsmiddelen (waaronder de verklaring van getuige [getuige], die op verzoek van de verdediging in hoger beroep door de rechter-commissaris is gehoord) van oordeel dat de verdachte wel degelijk betrokken was bij de aankoop van de betreffende auto’s en de genoemde bedragen contant heeft betaald. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte hieromtrent is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante
bedragen van NAf 90.000,- en 83.000,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen wordt
verklaard. De verdachte heeft de contante bedragen voorhanden gehad en omgezet door hiermee de auto’s te betalen.
3. Geldbedrag van (in totaal) NAf 107.100,- (vliegtickets)
De verdachte is bij de politie geconfronteerd met (app)berichten/gesprekken over het voor grote bedragen kopen van vliegtickets voor anderen dan voor hemzelf en zijn gezin bij Maduro Travel ([persoon]). De verdachte gaf daarbij aan zich
niets tot weinig te herinneren over de vliegtickets. Hij had geen tickets geregeld en betaald. Hij kon zich niet herinneren of hij wel eens grote bedragen voor vliegtickets aan ]persoon] had moeten betalen. Ter terechtzitting van het Gerecht is de verdachte voorgehouden dat uit verschillende berichten en telefoongesprekken wordt afgeleid dat hij voor grote bedragen vliegtickets koopt voor andere mensen dan voor zichzelf en zijn gezin. De verdachte heeft daarop aangegeven dat hij weleens vliegtickets bij [persoon] van Maduro Travel kocht voor [medeverdachte 1] als die hem dat vroeg, ook wel vliegtickets die [medeverdachte 1] voor iemand anders nodig had. De verdachte heeft ontkend de vliegtickets betaald te hebben en heeft, geconfronteerd met een gesprek waarin [persoon] hem gezegd zou hebben dat er een bedrag van NAf 102.000,- openstond dat nog betaald moest worden, dat “dat niet kan kloppen.”.
Ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte ook op dit punt geen nadere vragen willen beantwoorden, dan wel nadere uitleg gegeven. Het Hof is op basis van de gebezigde bewijsmiddelen (waaronder de verklaring van getuige [getuige], die op verzoek van de verdediging in hoger beroep door de rechter-commissaris is gehoord) van oordeel dat de verdachte wel degelijk betrokken was bij de aankoop van betreffende vliegtickets en daarvoor in totaal een bedrag van NAf 107.100,- heeft betaald. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het ontbreken van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte hieromtrent is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante bedragen van in totaal NAf 107.100,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn en komt ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring. De verdachte heeft de bedragen voorhanden gehad en omgezet door hiermee de vliegtickets te betalen.
Van een voorwerp de werkelijke aard en/of herkomst verhullen en/of verhullen wie de rechthebbende op dat voorwerp is of dat voorwerp voorhanden hebben, wetende of begrijpende dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf
De kavel [nummer]
Verwijzend naar hetgeen het Hof onder het kopje Woning Zuurzak (ook) ten aanzien van de kavel [nummer] heeft overwogen, herhaalt het Hof de aldaar weergegeven constatering dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst (en de
verwerving) van de kavel en dat het Hof ook de iets uitgebreidere verklaring van de verdachte ter zitting van het Gerecht daarbij niet als een concrete, verifieerbare
en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring beschouwt die het vermoeden van witwassen lijkt te weerleggen en daarom onderzocht en getoetst (had) moet(en) worden. Deze verklaring van de verdachte vormt, in samenhang
bezien met voornoemde bewijsmiddelen, juist een bevestiging van het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van de kavel. Nu de verdachte in
hoger beroep ook op dit punt geen nadere vragen heeft willen beantwoorden dan wel nadere uitleg heeft gegeven, is het Hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de kavel onmiddellijk afkomstig is uit misdrijf. Door de wijze van verkrijging (door een SPF waarvan hij later UBO is geworden), is het Hof voorts van oordeel dat niet alleen sprake is van voorhanden hebben, maar tevens van het verhullen van de werkelijke aard en/of herkomst van de kavel en/of te verhullen wie de rechthebbende op de kavel is geweest. Het Hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Beoordeling
Anders dan door de raadsman is betoogd, volgt uit het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte steeds wetenschap heeft gehad of ten minste heeft begrepen van de criminele herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen en voorwerpen.
De bewezenverklaarde onderdelen van de tenlastelegging, leveren steeds witwassen op.
Met de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat gelet op de bewezenverklaarde periode en de frequentie waarmee de verdachte handelde, sprake is geweest van gewoontewitwassen.
Voorwaardelijke verzoeken verdediging
De raadsman van de verdachte heeft twee voorwaardelijke verzoeken gedaan, die samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende inhouden:
1) indien het Hof nieuwe stukken uit de digitale Excel-bestanden, die het openbaar ministerie op 23 januari 2025 aan de verdediging en de griffier van het Hof heeft toegezonden en welk bestanden aan het dossier zijn toegevoegd, tot het bewijs wil bezigen, wenst de verdediging daar verweer op te kunnen voeren.
2) indien het Hof de term ‘mula’, als bewijsmiddel wil gebruiken en vertalen als ‘bolletjesslikker’ gelijk de politie heeft gedaan en het Gerecht heeft overgenomen, dan wenst de verdediging daar verweer op te kunnen voeren en verzoekt de verdediging een taal-deskundige te benoemen die zich kan uitlaten over de vraag of ‘mula’ inderdaad kan worden vertaald als bolletjesslikker. De verdediging betwist dat namelijk.
Het Hof heeft geen nieuwe stukken uit genoemde digitale Excelbestanden gebruikt voor het bewijs en zal geen vertaling van ‘mula’ als ‘bolletjesslikker’ gebruiken voor het bewijs. Nu aan de voorwaarden van de verzoeken niet is voldaan, behoeven deze geen verdere bespreking.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:123 juncto artikel 2:404 juncto artikel 2:405 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van gewoontewitwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Het Hof neemt in het bijzonder het volgende in beschouwing en neemt daartoe een bewerkt gedeelte (cursief) van het GEA-vonnis over.
Deze strafzaak is voortgekomen uit een grootschalig en langlopend opsporingsonderzoek, genaamd Themis. Hoewel (nog) niet alle verdachten in dit onderzoek zijn aangehouden, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende een geruime periode, in ieder geval vanaf januari 2015 tot aan zijn aanhouding in november 2020 heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband, dat zich bezig houdt met de internationale handel in
verdovende middelen, waarvan de opbrengsten worden witgewassen.
De organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte, de No Limit Soldiers, opereert wereldwijd en is goed georganiseerd. Zo is er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling en wordt veelvuldig gebruik gemaakt van versluierde en versleutelde communicatie, waarmee de leden contact met elkaar en anderen onderhouden. Uit de mediaberichten over de NLS blijkt dat met de drugshandel veel geld wordt verdiend en dat men er niet voor terugschrikt (in de openbaarheid) dodelijk geweld in te zetten tegen vermeende vijanden. Deze strafbare gedragingen hebben een ontwrichtende werking op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich binnen de organisatie schuldig gemaakt aan het op grote schaal witwassen van geld dat door de organisatie met de drugshandel werd verdiend. Ook heeft hij deelgenomen aan die handel. De verdachte vervulde binnen de organisatie een belangrijke rol voor [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] vertrouwde de verdachte en zag hem als zijn vicepresident. Hij onderhield contact met de verdachte teneinde zijn kinderen en ex-partners, maar ook leden van de NLS die gedetineerd zijn in de [gevangenis], van financiële middelen te kunnen voorzien. Daarnaast beheerde de verdachte de opbrengsten van de handel in verdovende middelen, regelde betalingen, en zorgde ervoor dat criminele winsten in de bovenwereld konden worden geïnvesteerd in bijvoorbeeld onroerend goed.
Uit de frequentie waarmee en de lange periode waarin dit witwassen plaatsvond, leidt het Hof af dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Het Hof heeft hierbij in enigszins strafmatigende zin acht geslagen op de omstandigheid dat er in de perioden van beide bewezenverklaarde feiten sprake is van een tussenliggend tijdsbestek waarin geen communicatie van de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten in het dossier zit.
De verdachte heeft door aldus te handelen meegewerkt aan de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, waardoor misdrijven kunnen lonen.
De combinatie van de bewezenverklaarde feiten is zeer ernstig en levert een bedreiging op voor de openbare orde en de veiligheid en gezondheid van personen. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven het strafwaardige van zijn handelen in te zien.
Het Hof houdt rekening met de omstandigheid dat in zekere zin sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 2.
Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 30 november 2020 blijkt dat de verdachte vóór het plegen van de onderhavige feiten, zich in 1996 en 1997 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet en onvoorwaardelijk is veroordeeld tot gevangenisstraf. Deze veroordelingen dateren evenwel van geruime tijd geleden, zodat deze bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf geen gewicht meer in de schaal leggen.
Het Hof houdt in strafmatigende zin enigszins rekening met de relatief zware detentieomstandigheden in de [gevangenis], met name vanwege de gezondheidsklachten die hij heeft. Daarnaast zijn er geen persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van de verdachte moeten strekken.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.
Beoordeling
Anders dan door de raadsman is betoogd, volgt uit het voorgaande en de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte steeds wetenschap heeft gehad of ten minste heeft begrepen van de criminele herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen en voorwerpen.
De bewezenverklaarde onderdelen van de tenlastelegging, leveren steeds witwassen op.
Met de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat gelet op de bewezenverklaarde periode en de frequentie waarmee de verdachte handelde, sprake is geweest van gewoontewitwassen.
Voorwaardelijke verzoeken verdediging
De raadsman van de verdachte heeft twee voorwaardelijke verzoeken gedaan, die samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende inhouden:
1) indien het Hof nieuwe stukken uit de digitale Excel-bestanden, die het openbaar ministerie op 23 januari 2025 aan de verdediging en de griffier van het Hof heeft toegezonden en welk bestanden aan het dossier zijn toegevoegd, tot het bewijs wil bezigen, wenst de verdediging daar verweer op te kunnen voeren.
2) indien het Hof de term ‘mula’, als bewijsmiddel wil gebruiken en vertalen als ‘bolletjesslikker’ gelijk de politie heeft gedaan en het Gerecht heeft overgenomen, dan wenst de verdediging daar verweer op te kunnen voeren en verzoekt de verdediging een taal-deskundige te benoemen die zich kan uitlaten over de vraag of ‘mula’ inderdaad kan worden vertaald als bolletjesslikker. De verdediging betwist dat namelijk.
Het Hof heeft geen nieuwe stukken uit genoemde digitale Excelbestanden gebruikt voor het bewijs en zal geen vertaling van ‘mula’ als ‘bolletjesslikker’ gebruiken voor het bewijs. Nu aan de voorwaarden van de verzoeken niet is voldaan, behoeven deze geen verdere bespreking.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:123 juncto artikel 2:404 juncto artikel 2:405 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van gewoontewitwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Het Hof neemt in het bijzonder het volgende in beschouwing en neemt daartoe een bewerkt gedeelte (cursief) van het GEA-vonnis over.
Deze strafzaak is voortgekomen uit een grootschalig en langlopend opsporingsonderzoek, genaamd Themis. Hoewel (nog) niet alle verdachten in dit onderzoek zijn aangehouden, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende een geruime periode, in ieder geval vanaf januari 2015 tot aan zijn aanhouding in november 2020 heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband, dat zich bezig houdt met de internationale handel in
verdovende middelen, waarvan de opbrengsten worden witgewassen.
De organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte, de No Limit Soldiers, opereert wereldwijd en is goed georganiseerd. Zo is er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling en wordt veelvuldig gebruik gemaakt van versluierde en versleutelde communicatie, waarmee de leden contact met elkaar en anderen onderhouden. Uit de mediaberichten over de NLS blijkt dat met de drugshandel veel geld wordt verdiend en dat men er niet voor terugschrikt (in de openbaarheid) dodelijk geweld in te zetten tegen vermeende vijanden. Deze strafbare gedragingen hebben een ontwrichtende werking op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich binnen de organisatie schuldig gemaakt aan het op grote schaal witwassen van geld dat door de organisatie met de drugshandel werd verdiend. Ook heeft hij deelgenomen aan die handel. De verdachte vervulde binnen de organisatie een belangrijke rol voor [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] vertrouwde de verdachte en zag hem als zijn vicepresident. Hij onderhield contact met de verdachte teneinde zijn kinderen en ex-partners, maar ook leden van de NLS die gedetineerd zijn in de [gevangenis], van financiële middelen te kunnen voorzien. Daarnaast beheerde de verdachte de opbrengsten van de handel in verdovende middelen, regelde betalingen, en zorgde ervoor dat criminele winsten in de bovenwereld konden worden geïnvesteerd in bijvoorbeeld onroerend goed.
Uit de frequentie waarmee en de lange periode waarin dit witwassen plaatsvond, leidt het Hof af dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Het Hof heeft hierbij in enigszins strafmatigende zin acht geslagen op de omstandigheid dat er in de perioden van beide bewezenverklaarde feiten sprake is van een tussenliggend tijdsbestek waarin geen communicatie van de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten in het dossier zit.
De verdachte heeft door aldus te handelen meegewerkt aan de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, waardoor misdrijven kunnen lonen.
De combinatie van de bewezenverklaarde feiten is zeer ernstig en levert een bedreiging op voor de openbare orde en de veiligheid en gezondheid van personen. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven het strafwaardige van zijn handelen in te zien.
Het Hof houdt rekening met de omstandigheid dat in zekere zin sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 2.
Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 30 november 2020 blijkt dat de verdachte vóór het plegen van de onderhavige feiten, zich in 1996 en 1997 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet en onvoorwaardelijk is veroordeeld tot gevangenisstraf. Deze veroordelingen dateren evenwel van geruime tijd geleden, zodat deze bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf geen gewicht meer in de schaal leggen.
Het Hof houdt in strafmatigende zin enigszins rekening met de relatief zware detentieomstandigheden in de [gevangenis], met name vanwege de gezondheidsklachten die hij heeft. Daarnaast zijn er geen persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van de verdachte moeten strekken.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.