Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-20
ECLI:NL:OGHACMB:2025:217
Strafrecht; Materieel strafrecht
Hoger beroep
38,120 tokens
Inleiding
Zaaknummer: H-127/2022
Parketnummer: 500.00014/21
Uitspraak: 20 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 augustus 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteland],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft bij zijn vonnis van 11 augustus 2022 de dagvaarding onder feit 4 partieel nietig verklaard en de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde geheel en van het onder 7 ten laste gelegde partieel vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 4 (voor zover nog aan de orde), 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op in beslag genomen geldbedragen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van feit 3 en (partieel) van feit 7. Deze partiële vrijspraak van feit 7 betrof het ten laste gelegde witwassen van een Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen. Het Hof ziet de tenlastelegging van feit 7 als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse voorwerpen en geldbedragen die de verdachte zou hebben witgewassen in één feit zijn ten laste gelegd. Het Hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraak ook als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve
niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte (partiële) vrijspraken.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ter zake van de feiten waarvoor de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken (feit 3 en partieel feit 7).
De procureur-generaal heeft voorts gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
In eerste aanleg is door de verdediging het verweer gevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard nu de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 onvoldoende gespecificeerd en feitelijk is.
Het Gerecht heeft dienaangaande beslist dat de dagvaarding ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde partieel nietig is. Het Hof heeft zich – ondanks dat in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd – ambtshalve gebogen over de vraag of de tenlastelegging ter zake van feit 4 geldig is. Het Hof komt tot het oordeel dat het zich verenigt met de beslissing van het Gerecht en de in het vonnis opgenomen overweging daartoe en deze overneemt. Ingelast uit het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg wordt aldus het volgende:
“Aan de verdachte is – voor zover hier van belang en kort gezegd – na het eerste gedachtestreepje ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen, in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 één of meer (grote) hoeveelheden cocaïne heeft uitgevoerd en/of ingevoerd, in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumwetlandsverordening 1960, en/of deze heeft bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht etc., zonder enige nadere feitelijke duiding. Het is tegen de achtergrond van het dossier waarin zich een veelheid aan PGP-gesprekken bevindt, waarin wordt gesproken over allerlei hoeveelheden, transporten en transacties, niet duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verdedigen, te minder omdat diezelfde gesprekken ook (deels) kunnen worden betrokken op de voorbereidingshandelingen die de verdachte onder feit 6 (en overigens, naar het oordeel van het Hof, ook onder feit 5) eveneens zijn ten laste gelegd. Gelet op dit alles is het gerecht van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 op dit onderdeel, dus partieel, nietig is.”
Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van de overige feiten voldoende duidelijk is en dat deze derhalve geldig is.
Normschendingsverweer (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Cryptocommunicatie (te Curaçao)
Standpunt verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi
– samengevat en zakelijk weer gegeven en naar het Hof begrijpt – het volgende naar voren gebracht.
Het voorliggende bewijsmateriaal, alsook de verdenking en identificatie van de verdachte, berust in zwaarwegende zin op een selectie van in bulk verzameld encrypted communicatiemateriaal (te weten berichten uit PGP- en SKY-bulkmateriaal), zonder dat daartoe een voorzienbare met waarborgen omgeven wet- en regelgeving bestaat. Ook kan hetgeen is verzameld niet op effectieve en onafhankelijke wijze worden getoetst, hetgeen strijd oplevert met het in artikel 6 EVRM bepaalde. Er is sprake geweest van juridisch en forensisch pionieren. Tevens is door de wijze van onderzoek van (telefonische) communicatie sprake geweest van een inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM.
Het een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, althans al het vermeend belastend materiaal dient, als onrechtmatig verkregen, te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw.
PGP-Safe-data
Ten aanzien van de PGP-Safe-data heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de data oorspronkelijk zijn verkregen via een rechtshulpverzoek van een Nederlandse officier van justitie aan de autoriteiten in Costa Rica. De verdediging stelt dat dit rechtshulpverzoek geen juiste wettelijke grondslag vermeldt en ook de daaraan verbonden waarborgen ontbeert.
Dictum
De rechter neemt in de strafzaak tot uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. Hij is alleen gehouden de betrouwbaarheid van de resultaten te onderzoeken als concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan.
Wet- en regelgeving Curaçao
Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (CSv) kent niet voor elke situatie een specifieke bepaling waarop de officier van justitie een vordering aan een rechter-commissaris kan richten teneinde een rechterlijke toetsing te vragen voor bepaalde onderzoekshandelingen. Voor bepaalde verrichtingen heeft de officier van justitie in onderzoek Themis, en meer specifiek ook ten aanzien van de verdachte, vorderingen gebaseerd op de meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 219 CSv. De rechter-commissaris heeft op de onderbouwde vorderingen,
gemotiveerd beslist. Naar het oordeel van het Hof verzet het systeem van de wet zich hier niet tegen.
Feitelijke gang van zaken – PGP-Safe
Voor de feitelijke gang van zaken omtrent de verkrijging van de PGP-Safe verwijst het Hof naar een aantal (door de verdediging niet betwiste) overwegingen van het Gerecht. Het Hof neemt de volgende overweging (op p. 7 van het vonnis) van het Gerecht over.
“Feitelijke gang van zaken
In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP-Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP-berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter.
De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP-Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP-accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt”
In aanvulling hierop, overweegt het Hof als volgt.
De officier van justitie heeft ter zitting van 26 januari 2022 in eerste aanleg aangegeven dat de PGP-Safe-data bij het NFI (het Hof begrijpt het Nederlands Forensisch Instituut) zijn opgeslagen en bewaard en dat zij (naar het Hof begrijpt: het Curaçaose onderzoeksteam “Themis”) een selectie van de resultaten van het onderzoek uit onderzoek 26Sassenheim, te weten de PGP-Safe-data, na een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Nederland, van het NFI hebben ontvangen. Deze gang van zaken is op zichzelf niet door de verdediging bestreden.
Feitelijke gang van zaken - SKY-ECC-data
Hangende het hoger beroep heeft de procureur-generaal een proces-verbaal van bevindingen verstrekt waarin is weergegeven wat de gang van zaken is geweest met betrekking tot de verkrijging van SKY-ECC data uit Frankrijk. Dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd. Uit het proces-verbaal (met bijlagen) blijkt het volgende.
Het onderzoeksteam Themis heeft op 29 april 2021 beschikking gekregen over een informatierapport, dat via Europol aan het onderzoeksteam Themis was verstrekt. Dit informatierapport had betrekking op [naam medeverdachte 2], een van de verdachten in onderzoek Themis. In het rapport stonden, onder meer, IMEI-nummers en SKY-ECC-accounts vermeld, mogelijk in gebruik bij [medeverdachte 2] of zijn contacten.
Naar aanleiding van dit rapport heeft, op vordering van de officier van justitie d.d. 20 mei 2021, de rechter-commissaris te Curaçao op 21 mei 2021 een beslissing genomen op grond van artikel 219 Sv tot het verrichten van nader onderzoek aan en in data zoals volgde uit het informatierapport, een en ander met betrekking tot een aantal specifieke PGP-adressen, IMEI-nummers en gebruikersnamen.
Op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier, is aan de Franse autoriteiten verzocht van bepaalde, specifieke, data (waaronder de accounts [nummer account] en [nummer account] en een IMEI-nummer eindigend op [Imei-nummer], welke was gekoppeld aan een onder de verdachte in beslag genomen Iphone) gebruik te mogen maken. Een Franse rechter heeft daarop op 8 juli 2021 positief beslist.
Het onderzoeksteam heeft hierna in juli 2021 data ontvangen uit Frankrijk.
Na analyse van die data heeft het onderzoeksteam om aanvullende informatie verzocht. Daartoe heeft de officier van justitie op 13 oktober 2021 een vordering ex artikel 219 Sv ingediend bij de rechter-commissaris te Curaçao, die daarop op dezelfde datum positief heeft beslist. Een aanvullend rechtshulpverzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten op 14 oktober 2021. Het verzoek zag op een aantal, specifiek genoemde, Sky-ECC-accounts.
Een Franse onderzoeksrechter heeft hier op 24 januari 2022 positief op beslist. In een beslissing van 5 december 2022 heeft een Franse onderzoeksrechter andermaal toestemming verleend aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Sint Maarten en Curaçao om de door Europol doorgegeven gegevens te gebruiken.
Oordeel ten aanzien van de SKY-ECC data
De stelling van de verdediging dat er ten aanzien van SKY-ECC-data geen rechter-commissaris aan te pas is gekomen, mist, gelet op het vorenoverwogene, feitelijke
grondslag. Het verweer behoeft derhalve wat dat onderdeel betreft geen nadere bespreking.
Van concrete aanwijzingen dat de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens onjuist en/of onbetrouwbaar zijn, is niet gebleken. De verdediging heeft in dit verband niets specifieks naar voren gebracht.
Het Hof is van oordeel dat de gegevens kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Oordeel ten aanzien van de PGP-Safe data
Aan de verdediging is de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de bij het openbaar ministerie in Curaçao aanwezige, voor haar client relevante, PGP-gesprekken. De verdediging heeft op de regiezitting van 19 oktober 2023 aangegeven van die gelegenheid gebruik te zullen maken.
Door de verdediging zijn (vervolgens) geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht op basis waarvan aan de betrouwbaarheid van de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zou moeten worden getwijfeld. De enkele algemeen geformuleerde stellingen dat controle van de betrouwbaarheid moeilijk is en dat er geen mogelijkheid zou bestaan voor effectieve contra-expertise, acht het Hof onvoldoende om daaraan enige conclusie te verbinden. Daarbij betrekt het Hof dat de resultaten in Costa Rica zijn verzameld onder verantwoordelijkheid van een rechter en dat de data in Nederland zijn bewaard bij het NFI.
De vergaring van data in Costa Rica, in een voorbereidend onderzoek ten aanzien van anderen dan de verdachte, is gedaan onder gezag van een rechter op verzoek van Nederlandse autoriteiten, doch zonder voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris. De onrechtmatigheid van die gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet betwist.
Beoordeling
Het Hof stelt voorop dat van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr slechts dan sprake kan zijn, als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgegroeid op Curaçao. Van algemene bekendheid is dat No Limit Soldiers zich daar en op Sint Maarten al jaren bezig houdt met criminele activiteiten. Op foto’s aangetroffen in zijn telefoon is te zien dat [medeverdachte 1] in 2013 een ketting draagt met de tekst No limit 1995/1996 Forever. Ook draagt hij een T-shirt met daarop de tekst
NLS en heeft hij – zo concludeert het Hof uit de overeenstemmende elementen in de verschillende foto’s - een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen. [medeverdachte 1] zegt in een gesprek op 16 maart 2016: “ik ben een No Limit Soldier.” Verder werd een foto in de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen van een krantenkop aangetroffen die luidt: “No limit Soldiers no ta papia”, dat in het Nederlands betekent: “No Limit Soldiers praten niet”. [naam persoon] zegt in een gesprek op 25 april 2016: “wij zijn geen No Limit Soldiers, maar Organize Crime Gang”.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de leiders van No Limit Soldiers (NLS). Ook zijn er deelnemers met een lagere rang, zoals bijvoorbeeld [naam persoon], die zich soldaat van [medeverdachte 1] noemt. [medeverdachte 2] noemde medeverdachte [medeverdachte 5] in een bericht van 30 oktober 2015 “mijn eersterangs vertrouwensman, vicepresident”.
[medeverdachte 1] noemde zich al in 2014 een “NLS soldier till I die”. “Ik ben een soldier” en “een gangster”, zei [medeverdachte 1] in 2016. [medeverdachte 1] liet weten dat hij geen vrienden, maar soldaten nodig had en kondigde aan dat hij jongens die niet loyaal zijn uit de bende zet. Hij is altijd bewapend. Op 13 juli 2018 postte [medeverdachte 1] een video op Instagram waarin hij zich “Mo limit general” noemt.
Uit een verklaring van een getuige van 7 september 2013 volgt inzicht in een van de werkwijzen van NLS. Zij beschrijft dat leden van NLS bijvoorbeeld de opdracht krijgen om tegen betaling een moord te plegen. Daarbij geldt de regel dat pas uitbetaling plaatsvindt als het doodsbericht in de media is verschenen.
De organisatie had als oogmerk onder meer het uitlokken van moord en het plegen van (andere) gewelddelicten. Onder meer is dit af te leiden uit de gebeurtenissen na de gewelddadige dood van de vriendin van [medeverdachte 1] – [vriendin medeverdachte 1] (hierna: [achternaam vriendin medeverdachte 1] )- op 5 november 2015. [medeverdachte 1] gaat vanuit de PI [verblijfplaats] op zoek naar de opdrachtgevers en de uitvoerders van de aanslag op zijn vriendin. “Ze krijgen waarom ze gevraagd hebben”, zegt [medeverdachte 1] op 7 november 2015. Hij wil die mensen begraven zien. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van die dag volgt dat [medeverdachte 1] [voornaam slachtoffer] (het Hof begrijpt: [naam slachtoffer]) en [voornaam persoon] (het Hof begrijpt: [naam persoon]) verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn vriendin. Op 9 november 2015 stelt [medeverdachte 2] het bedrag van USD 500.000 ter beschikking om, onder anderen, [slachtoffer] en [achternaam persoon] te laten liquideren. Op 11 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] dat er een soldaat nodig is. En een dag later: “Is’s a dirty job, but someone has got to do it.” Op 15 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] tegen [naam persoon] en [naam persoon] dat ook de tweeling van “town” moeten worden aangepakt, mensen moeten worden geveegd. Op 10 april 2016 bespreken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] dat [naam persoon] de opdrachtgever van de moord op [vriendin medeverdachte 1] is en dat [naam persoon] daarvoor heeft betaald. Zij moeten een kans zoeken om [naam persoon] in de gevangenis te pakken te krijgen.
Vervolgens vinden de volgende (pogingen tot) liquidatie(s) plaats, die in voorgaande gesprekken zijn aangekondigd. Op 16 februari 2016 wordt [naam persoon] doodgeschoten. Op 8 april 2016 vindt de aanslag op [slachtoffer] plaats. Op 31 augustus 2016 wordt [naam persoon] in de gevangenis op Sint Maarten vermoord. Een van de gebroeders [achternaam personen] – samen met zijn broer wonende aan de [adres] in Philipsburg op Sint Maarten en kennelijk vandaar eerder de tweeling van “town” genoemd – wordt in de nacht van 5 op 6 november 2016 beschoten. [naam persoon] wordt op 14 maart 2017 doodgeschoten.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie bestaat uit zijn bijdrage aan het achterhalen van de daders van de aanslag op [vriendin medeverdachte 1]. Daartoe heeft hij contact met zijn neef (“primu”), een politieman op Sint Maarten. Hij bespreekt dit met [medeverdachte 2]. Zo geeft de verdachte op 10 november 2015 aan [medeverdachte 2] door dat hij er nu bijna achter is hoe het zit en dat ze op Sint Maarten en op Saint Kitts moeten zijn. Daarop zegt [medeverdachte 2] dat hij wil weten wie dat ding gedaan heeft, waarop de verdachte antwoordt: “[naam persoon] e.a. en hun crew. Met [voornaam slachtoffer] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [naam persoon] is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen.” Op 13 november 2015, na een bezoek aan [medeverdachte 1] in de PI [verblijfplaats], geeft de verdachte aan [medeverdachte 2] door dat: “hij wil dat er iets gebeurt voordat hij vrijkomt. (…) Hij is echt heel erg boos”. Hierboven is al beschreven dat [slachtoffer] kort hierop – in april 2016 – wordt beschoten op Sint Maarten.
Ten aanzien van het oogmerk van de organisatie overweegt het Hof verder dat uit berichtenverkeer tussen de verdachte en [medeverdachte 1] volgt dat NLS zich bezig houdt met handel in verdovende middelen. Zij verstuurden foto’s aan elkaar van pakketten cocaïne en chatten over het vervoer daarvan vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dit oogmerk van de organisatie. Zo chat medeverdachte [medeverdachte 2] soms letterlijk over drugs: “drugs zijn niet verkocht”, maar ook in versluierd taalgebruik bijvoorbeeld over het regelen van ‘tickets’ voor een ‘mula’. Ook zegt [medeverdachte 2] dat hij ‘stenen’ laat halen bij die Colombiaanse vrouw. [medeverdachte 2] laat vervolgens weten dat er geld nodig is zodat “de soldaten kunnen gaan om mijn stenen eruit te halen.”
Voorts wijst het Hof in dit verband op de gesprekken in een auto tussen (onder anderen) [naam persoon] en [naam persoon], die [medeverdachte 1] regelmatig in de PI [verblijfplaats] bezoeken. Op 11 april 2016 gaat het gesprek over het feit dat ze bestolen zij door vrienden. Daarop zegt [naam persoon]: “wij zijn van No Limit.” Dan wordt gesproken over wie de dief is. De man die genoemd wordt is geen, want hij koopt zijn drugs bij [naam persoon]. Vervolgens wordt gesproken over “blokken”, de hoeveelheid en de prijs. Op 13 april 2016 wordt in de auto door onder anderen [naam persoon] gesproken over slikken en over een man en 5000 euro voor de klus. Er stapt vervolgens een vrouw in de auto. De vrouw zegt dat zij twee jaar geleden is gepakt waardoor zij niet kan vliegen. Men vroeg haar of ze Buena Vista is of NLS. Ten slotte wijst het Hof op gesprekken over de aankoop van een Glock, al dan niet met geluiddemper.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de hiervoor besproken handel in verdovende middelen vanuit, onder meer, Sint Maarten naar Frankrijk. Het Hof verwijst in dit verband naar de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6, die tevens redengevend zijn voor dit onderdeel van feit 1.
Beoordeling
Het Hof stelt voorop dat voor medeplegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 1:123, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte daartoe met een of meer andere personen nauw en bewust samenwerkt. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het Hof stelt, met inachtneming van het bovenstaande, uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 5 november 2015 wordt [vriendin medeverdachte 1], de vriendin van [medeverdachte 1], doodgeschoten. Op diezelfde dag meldt de verdachte aan [medeverdachte 2] dat zijn neef, een politieagent, bezig is met het vergaren van nadere informatie zodat deze neef de verdachte precies kan uitleggen wat er is gebeurd. De verdachte is degene die de volgende dag, op 6 november 2015, [medeverdachte 1] in de PI in [verblijfplaats] bezoekt om hem het nieuws te brengen. Hij brengt daarbij ook een boodschap van [medeverdachte 2] over dat [medeverdachte 1] rustig moet blijven. [medeverdachte 1] zet de verdachte diezelfde dag als tussenpersoon in om [medeverdachte 2] aan te sporen actie te ondernemen. Hij vraagt (over de telefoon) aan de verdachte of hij [medeverdachte 2] heeft gesproken, waarop de verdachte aangeeft dat [medeverdachte 2] er bovenop zit. De actie die ondernomen moet worden betreft ook het verplaatsen van de kinderen van [medeverdachte 1] naar een veilig onderkomen. De verdachte overweegt zelf die kant op te gaan om hieraan een bijdrage te leveren en deelt dat mede aan [medeverdachte 2]. Op diezelfde 6 november 2015 wordt reeds gesproken over het inzetten van anderen om een wraakactie uit te voeren op de moordenaar(s) van [vriendin medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] en
[medeverdachte 2] spreken samen over het inzetten van mensen uit Saint Croix. [medeverdachte 1] geeft de verdachte de opdracht om na te laten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts is gegaan. [medeverdachte 1] wil kijken of ze “de kleine slanke man kunnen zien.” De verdachte zegt toe dit te zullen doen. Voordat de personen uit Saint Croix voor de wraakactie kunnen worden ingezet, doet [medeverdachte 2] op 10 november 2015 een beroep op de verdachte om meer informatie te verkrijgen.
[medeverdachte 2] zegt tegen de verdachte dat de personen uit Saint Croix direct in actie kunnen komen, maar dat duidelijk moet worden “waar en wie.” Hierop reageert de verdachte dat hij er bijna achter is hoe het precies zit. Hij heeft informatie gekregen dat personen afkomstig uit Saint Kitts en Sint Maarten betrokken zijn bij de moord op [vriendin medeverdachte 1]. Op de vraag van [medeverdachte 2] “wie dat ding gedaan heeft en wie achter dat ding staat”, antwoordt de verdachte: “[naam persoon] e.a. en hun crew. Met [voornaam slachtoffer] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [naam persoon] e.a. is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen.” Nadat de verdachte op 13 november 2015 [medeverdachte 1] weer in de PI heeft bezocht, fungeert hij daarna wederom als tussenpersoon in de communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] is boos. Hij snapt niet waarom er zo lang over wordt gedaan, er moet gas worden gegeven. De verdachte reist vervolgens op 20 november 2015 naar Curaçao en vertrekt zes dagen later naar Sint Maarten. [medeverdachte 1] bespreekt de moord op [vriendin medeverdachte 1], (het achterhalen van) de vermoedelijke daders hiervan, waaronder [slachtoffer], [naam persoon] en [naam persoon] en het inzetten van huurmoordenaars om wraak te nemen ook met anderen, zoals [naam persoon] en [naam persoon]. Daarbij stuurt hij ook personen aan om actie te ondernemen. De plannen om de verantwoordelijken voor de moord op [vriendin medeverdachte 1] te wreken worden vervolgens op 9 en 10 november 2015 concreter gemaakt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Zij spreken over hoe de personen uit Saint Croix naar Saint Martin kunnen gaan en wat deze personen betaald dienen te krijgen om (onder andere) [slachtoffer] van het leven te beroven. Op 14 november 2015 zegt [medeverdachte 1] dat [slachtoffer] binnenkort wordt vermoord. In de periode december 2015 tot en met februari 2016 zet de verdachte het contact met [medeverdachte 1] voort. Uit PGP- gesprekken in december 2015 blijkt dat de verdachte wacht op informatie van de mannen van ‘ruman’. De verdachte geeft aan [medeverdachte 1] door dat hij, zodra ‘ruman’ reageert, de dingen zal regelen. Op 31 maart 2016 zegt de verdachte [medeverdachte 1] opnieuw toe om er gas onder te zetten en zegt [medeverdachte 1] dat het niet lang meer duurt voordat het zover is. Uiteindelijk wordt [slachtoffer] op 8 april 2016 beschoten door twee onbekend gebleven daders. Uit een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van 10 april 2016 blijkt dat men op die datum nog steeds bezig is te achterhalen wie de (overige) opdrachtgever(s) is/zijn geweest van de moord op [vriendin medeverdachte 1], wie ervoor betaald heeft en wie uitvoerders waren. [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] spreken op deze datum ook over hoe [slachtoffer] er na de moordpoging aan toe is, dat “ze allemaal plat moeten gaan” en wat ze gaan betalen. De betaling van de huurmoordenaars wordt afgewikkeld door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].
Uit het voorgaande leidt het Hof af dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en de verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt in het geheel van het achterhalen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de moord op [vriendin medeverdachte 1] en het plannen van een wraakactie, inhoudende dat huurmoordenaars uit Saint Croix tegen betaling (van geld en wiet) worden ingezet om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voor de nauwe samenwerking is niet vereist dat iedere deelnemer aan elk facet van de (uitvoering van de) strafbare gedraging een bijdrage heeft geleverd. Wel is vereist dat de bijdrage aan het delict van de individuele medepleger van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht is en dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de deelneming en het gronddelict. In dit geval geldt dat de verdachte nog op dezelfde dag als de moord op [vriendin medeverdachte 1] via zijn neef actief naspeuring doet naar wat er precies is gebeurd en daarvan verslag uitbrengt aan [medeverdachte 2]. Niet is gebleken dat hij dit pas doet nadat hem specifiek om deze inspanning is gevraagd. Evenmin is gebleken dat het wat de verdachte betreft bij een eenmalige naspeuring blijft. Als [medeverdachte 2] enkele dagen later een beroep op de verdachte doet om meer informatie te vergaren over ‘wie en waar’, kan de verdachte de namen van [slachtoffer] en [naam persoon] (reeds) noemen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, de feiten 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:119 juncto artikel 1:123 juncto artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot moord.
Het onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 juncto artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960 juncto artikel 1:133 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960 voor te bereiden en te bevorderen, zich en
anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedragingen aan de verdachte te verwijten zijn en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor poging tot doodslag met zwaar letsel bij het slachtoffer als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes tot acht jaren gegeven. Bij blijvende ernstige lichamelijke gevolgen is de indicatie acht tot tien jaar. Een strafverhogende factor is de omstandigheid dat het feit in vereniging is gepleegd.
Het Hof neemt in het bijzonder het volgende in beschouwing en neemt daartoe een bewerkt gedeelte (cursief) van het GEA-vonnis over.
Deze strafzaak is voortgekomen uit een grootschalig en langlopend opsporingsonderzoek, genaamd Themis. Hoewel (nog) niet alle verdachten in dit onderzoek zijn aangehouden, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende een geruime periode, in ieder geval vanaf november 2015 tot aan zijn aanhouding in februari 2021 heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband, dat zich bezig houdt met de internationale handel in verdovende middelen, waarvan de opbrengsten (toevoeging Hof: naar alle waarschijnlijkheid) worden witgewassen, als ook met ernstige geweldsmisdrijven, waaronder (uitlokking van poging tot) moord.
De organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte, de No Limit Soldiers, opereert wereldwijd en is goed georganiseerd. Zo is er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling en wordt veelvuldig gebruik gemaakt van versluierde en versleutelde communicatie, waarmee de leden contact met elkaar en anderen onderhouden. Uit de mediaberichten over de NLS blijkt dat met de drugshandel veel geld wordt verdiend en dat men er niet voor terugschrikt (in de openbaarheid) dodelijk geweld in te zetten tegen vermeende vijanden. Deze strafbare
gedragingen hebben een ontwrichtende werking op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich binnen de criminele organisatie onder meer bezig gehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die internationale drugshandel en meer in het bijzonder met het vervullen van een coördinerende rol bij twee transporten betreffende de uitvoer vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk van aanzienlijke handelshoeveelheden cocaïne. De verdachte was zodoende een belangrijke schakel in het gehele proces van de internationale
cocaïnehandel. De verdachte heeft hiermee een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen.
De verdachte is voorts nauw betrokken geweest bij de organisatie van de uitlokking van de moordaanslag op [slachtoffer]. Hierbij is de verdachte niet de initiator of opdrachtgever geweest, maar heeft hij wel naspeuring gedaan en een belangrijke, faciliterende rol gespeeld in de communicatie tussen de twee leiders van de NLS, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Door dit in vereniging gepleegde geweldsdelict is het slachtoffer ernstig gewond geraakt en hebben de verdachte en zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het Hof houdt rekening met de samenloop tussen de feiten 4, 5 en 6 en houdt er tevens rekening mee dat ten aanzien van feit 1 eveneens in zekere zin sprake is van samenloop met de feiten 2, 4, 5 en 6.
Het Hof heeft in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat geen sprake is van recente veroordelingen in Nederland en Curaçao. Ook houdt het Hof in strafmatigende zin enigszins rekening met de omstandigheid dat de verdachte ver verwijderd is van zijn gezin waardoor het contact met zijn minderjarige kinderen zeer beperkt is. Daarnaast zijn geen persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van de verdachte moeten strekken.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.
Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in beginsel een gevangenisstraf van 14 jaren passend en geboden is. Het Hof heeft daarbij in acht genomen dat het Gerecht tot strafoplegging van deze duur is gekomen inclusief een bewezenverklaring voor witwassen. Het Hof is echter van oordeel dat het zwaartepunt van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, op de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van
ernstige misdrijven, internationale drugshandel en het geweldsdelict rust. De wetgever van Curaçao heeft de uitvoer van harddrugs bedreigd met een levenslange gevangenisstraf als maximale strafoplegging.
Conclusie
Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het Hof is van oordeel dat zich - gelet op de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 7 is ten laste gelegd, en ook overigens - geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen geldbedragen (EUR 6.535,-, USD 2.019,- en NAf 735,-). Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 11 augustus 2022 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en tegen de partiele vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 7 is ten laste gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart de inleidende dagvaarding partieel nietig, te weten ter zake van hetgeen de verdachte na het eerste gedachtestreepje onder 4 is ten laste gelegd;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 7 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 (voor het overige), 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren en 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen (EUR 6.535,-, USD 2.019,- en NAf 735,-) aan de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittings)griffier en op 20 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mr. Thierry is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met bijlagen betreffende verstrekking crypto communicatie (SkyECC) met proces-verbaalnummer 395855, opgemaakt door verbalisant RST 1910 (aanvulling RHV dossier 05-05-2023, FR -192 t/m 275-).
Vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering (dossier rechtshulpverzoeken, FR -134- e.v.).
Beschikking op een vordering ingevolge artikel 219 SvNA (dossier rechtshulpverzoeken, FR -212-, bijlage 2).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met proces-verbaalnummer 395855, met bijlagen, inzake de verkrijging van Sky-ECC data uit Frankrijk (dossier rechtshulpverzoeken FR -192- t/m FR -275-, specifiek pag. FR -230-, bijlage 4).
Idem voetnoot 4, p. FR -231 – 233-, bijlage 5.
Idem voetnoot 4, p. FR -234 – 262-, bijlage 6.
Idem voetnoot 4, p. FR -263 – 267-, bijlage 7.
Dossier rechtshulpverzoeken, FR -268- t/m FR -269-, bijlage 8.
Beslagdossier, p. H21 -02- t/m H21 -05-.
Inleiding
Zaaknummer: H-127/2022
Parketnummer: 500.00014/21
Uitspraak: 20 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 augustus 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteland],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft bij zijn vonnis van 11 augustus 2022 de dagvaarding onder feit 4 partieel nietig verklaard en de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde geheel en van het onder 7 ten laste gelegde partieel vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 4 (voor zover nog aan de orde), 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op in beslag genomen geldbedragen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van feit 3 en (partieel) van feit 7. Deze partiële vrijspraak van feit 7 betrof het ten laste gelegde witwassen van een Rolex Yacht-Master Stainless Steel en diamanten oorbellen. Het Hof ziet de tenlastelegging van feit 7 als een impliciet cumulatieve, in die zin dat de diverse voorwerpen en geldbedragen die de verdachte zou hebben witgewassen in één feit zijn ten laste gelegd. Het Hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraak ook als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve
niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte (partiële) vrijspraken.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 (voor zover nog aan de orde) ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. R.J. Boswijk, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ter zake van de feiten waarvoor de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken (feit 3 en partieel feit 7).
De procureur-generaal heeft voorts gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
In eerste aanleg is door de verdediging het verweer gevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard nu de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 onvoldoende gespecificeerd en feitelijk is.
Het Gerecht heeft dienaangaande beslist dat de dagvaarding ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde partieel nietig is. Het Hof heeft zich – ondanks dat in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd – ambtshalve gebogen over de vraag of de tenlastelegging ter zake van feit 4 geldig is. Het Hof komt tot het oordeel dat het zich verenigt met de beslissing van het Gerecht en de in het vonnis opgenomen overweging daartoe en deze overneemt. Ingelast uit het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg wordt aldus het volgende:
“Aan de verdachte is – voor zover hier van belang en kort gezegd – na het eerste gedachtestreepje ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen, in de periode van 1 november 2019 tot en met 8 februari 2021 één of meer (grote) hoeveelheden cocaïne heeft uitgevoerd en/of ingevoerd, in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumwetlandsverordening 1960, en/of deze heeft bereid, verwerkt, bewerkt, verkocht etc., zonder enige nadere feitelijke duiding. Het is tegen de achtergrond van het dossier waarin zich een veelheid aan PGP-gesprekken bevindt, waarin wordt gesproken over allerlei hoeveelheden, transporten en transacties, niet duidelijk waartegen de verdachte zich dient te verdedigen, te minder omdat diezelfde gesprekken ook (deels) kunnen worden betrokken op de voorbereidingshandelingen die de verdachte onder feit 6 (en overigens, naar het oordeel van het Hof, ook onder feit 5) eveneens zijn ten laste gelegd. Gelet op dit alles is het gerecht van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 op dit onderdeel, dus partieel, nietig is.”
Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van de overige feiten voldoende duidelijk is en dat deze derhalve geldig is.
Normschendingsverweer (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Cryptocommunicatie (te Curaçao)
Standpunt verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi
– samengevat en zakelijk weer gegeven en naar het Hof begrijpt – het volgende naar voren gebracht.
Het voorliggende bewijsmateriaal, alsook de verdenking en identificatie van de verdachte, berust in zwaarwegende zin op een selectie van in bulk verzameld encrypted communicatiemateriaal (te weten berichten uit PGP- en SKY-bulkmateriaal), zonder dat daartoe een voorzienbare met waarborgen omgeven wet- en regelgeving bestaat. Ook kan hetgeen is verzameld niet op effectieve en onafhankelijke wijze worden getoetst, hetgeen strijd oplevert met het in artikel 6 EVRM bepaalde. Er is sprake geweest van juridisch en forensisch pionieren. Tevens is door de wijze van onderzoek van (telefonische) communicatie sprake geweest van een inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM.
Het een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, althans al het vermeend belastend materiaal dient, als onrechtmatig verkregen, te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw.
PGP-Safe-data
Ten aanzien van de PGP-Safe-data heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de data oorspronkelijk zijn verkregen via een rechtshulpverzoek van een Nederlandse officier van justitie aan de autoriteiten in Costa Rica. De verdediging stelt dat dit rechtshulpverzoek geen juiste wettelijke grondslag vermeldt en ook de daaraan verbonden waarborgen ontbeert.
Dictum
De rechter neemt in de strafzaak tot uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten daarvan betrouwbaar zijn. Hij is alleen gehouden de betrouwbaarheid van de resultaten te onderzoeken als concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan.
Wet- en regelgeving Curaçao
Het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (CSv) kent niet voor elke situatie een specifieke bepaling waarop de officier van justitie een vordering aan een rechter-commissaris kan richten teneinde een rechterlijke toetsing te vragen voor bepaalde onderzoekshandelingen. Voor bepaalde verrichtingen heeft de officier van justitie in onderzoek Themis, en meer specifiek ook ten aanzien van de verdachte, vorderingen gebaseerd op de meer algemeen geformuleerde bepaling van artikel 219 CSv. De rechter-commissaris heeft op de onderbouwde vorderingen,
gemotiveerd beslist. Naar het oordeel van het Hof verzet het systeem van de wet zich hier niet tegen.
Feitelijke gang van zaken – PGP-Safe
Voor de feitelijke gang van zaken omtrent de verkrijging van de PGP-Safe verwijst het Hof naar een aantal (door de verdediging niet betwiste) overwegingen van het Gerecht. Het Hof neemt de volgende overweging (op p. 7 van het vonnis) van het Gerecht over.
“Feitelijke gang van zaken
In mei 2017 heeft, in het kader van een rechtshulpverzoek in de zaak 26Sassenheim van Nederland aan Costa Rica, gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (hierna: het Verdrag), na machtiging door de rechter te Costa Rica, bij het aldaar gevestigde bedrijf PGP-Safe een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij bestanden die zich op de server van het bedrijf bevonden, zijn gekopieerd. Hierbij is een grote hoeveelheid PGP-berichten in beslag genomen en naar Nederland overgebracht. De doorzoeking en de inbeslagname heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse rechter.
De officier van justitie te Curaçao heeft op 3 mei 2019 en 21 september 2020 door middel van twee interregionale rechtshulpverzoeken aan zijn ambtgenoot in Nederland verzocht om data afkomstig van de server van PGP-Safe, zoals die door de Costa Ricaanse aan de Nederlandse autoriteiten waren overgedragen. Het verzoek betrof een aantal specifieke PGP-accounts en zoektermen. Deze data zijn vervolgens door de Nederlandse officier van justitie aan de Curaçaose officier van justitie verstrekt”
In aanvulling hierop, overweegt het Hof als volgt.
De officier van justitie heeft ter zitting van 26 januari 2022 in eerste aanleg aangegeven dat de PGP-Safe-data bij het NFI (het Hof begrijpt het Nederlands Forensisch Instituut) zijn opgeslagen en bewaard en dat zij (naar het Hof begrijpt: het Curaçaose onderzoeksteam “Themis”) een selectie van de resultaten van het onderzoek uit onderzoek 26Sassenheim, te weten de PGP-Safe-data, na een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Nederland, van het NFI hebben ontvangen. Deze gang van zaken is op zichzelf niet door de verdediging bestreden.
Feitelijke gang van zaken - SKY-ECC-data
Hangende het hoger beroep heeft de procureur-generaal een proces-verbaal van bevindingen verstrekt waarin is weergegeven wat de gang van zaken is geweest met betrekking tot de verkrijging van SKY-ECC data uit Frankrijk. Dit proces-verbaal is in het dossier gevoegd. Uit het proces-verbaal (met bijlagen) blijkt het volgende.
Het onderzoeksteam Themis heeft op 29 april 2021 beschikking gekregen over een informatierapport, dat via Europol aan het onderzoeksteam Themis was verstrekt. Dit informatierapport had betrekking op [naam medeverdachte 2], een van de verdachten in onderzoek Themis. In het rapport stonden, onder meer, IMEI-nummers en SKY-ECC-accounts vermeld, mogelijk in gebruik bij [medeverdachte 2] of zijn contacten.
Naar aanleiding van dit rapport heeft, op vordering van de officier van justitie d.d. 20 mei 2021, de rechter-commissaris te Curaçao op 21 mei 2021 een beslissing genomen op grond van artikel 219 Sv tot het verrichten van nader onderzoek aan en in data zoals volgde uit het informatierapport, een en ander met betrekking tot een aantal specifieke PGP-adressen, IMEI-nummers en gebruikersnamen.
Op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier, is aan de Franse autoriteiten verzocht van bepaalde, specifieke, data (waaronder de accounts [nummer account] en [nummer account] en een IMEI-nummer eindigend op [Imei-nummer], welke was gekoppeld aan een onder de verdachte in beslag genomen Iphone) gebruik te mogen maken. Een Franse rechter heeft daarop op 8 juli 2021 positief beslist.
Het onderzoeksteam heeft hierna in juli 2021 data ontvangen uit Frankrijk.
Na analyse van die data heeft het onderzoeksteam om aanvullende informatie verzocht. Daartoe heeft de officier van justitie op 13 oktober 2021 een vordering ex artikel 219 Sv ingediend bij de rechter-commissaris te Curaçao, die daarop op dezelfde datum positief heeft beslist. Een aanvullend rechtshulpverzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten op 14 oktober 2021. Het verzoek zag op een aantal, specifiek genoemde, Sky-ECC-accounts.
Een Franse onderzoeksrechter heeft hier op 24 januari 2022 positief op beslist. In een beslissing van 5 december 2022 heeft een Franse onderzoeksrechter andermaal toestemming verleend aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden met inbegrip van Sint Maarten en Curaçao om de door Europol doorgegeven gegevens te gebruiken.
Oordeel ten aanzien van de SKY-ECC data
De stelling van de verdediging dat er ten aanzien van SKY-ECC-data geen rechter-commissaris aan te pas is gekomen, mist, gelet op het vorenoverwogene, feitelijke
grondslag. Het verweer behoeft derhalve wat dat onderdeel betreft geen nadere bespreking.
Van concrete aanwijzingen dat de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens onjuist en/of onbetrouwbaar zijn, is niet gebleken. De verdediging heeft in dit verband niets specifieks naar voren gebracht.
Het Hof is van oordeel dat de gegevens kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Oordeel ten aanzien van de PGP-Safe data
Aan de verdediging is de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de bij het openbaar ministerie in Curaçao aanwezige, voor haar client relevante, PGP-gesprekken. De verdediging heeft op de regiezitting van 19 oktober 2023 aangegeven van die gelegenheid gebruik te zullen maken.
Door de verdediging zijn (vervolgens) geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht op basis waarvan aan de betrouwbaarheid van de resultaten van door buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zou moeten worden getwijfeld. De enkele algemeen geformuleerde stellingen dat controle van de betrouwbaarheid moeilijk is en dat er geen mogelijkheid zou bestaan voor effectieve contra-expertise, acht het Hof onvoldoende om daaraan enige conclusie te verbinden. Daarbij betrekt het Hof dat de resultaten in Costa Rica zijn verzameld onder verantwoordelijkheid van een rechter en dat de data in Nederland zijn bewaard bij het NFI.
De vergaring van data in Costa Rica, in een voorbereidend onderzoek ten aanzien van anderen dan de verdachte, is gedaan onder gezag van een rechter op verzoek van Nederlandse autoriteiten, doch zonder voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter-commissaris. De onrechtmatigheid van die gang van zaken is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet betwist.
Beoordeling
Het Hof stelt voorop dat van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 2:79 CSr slechts dan sprake kan zijn, als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgegroeid op Curaçao. Van algemene bekendheid is dat No Limit Soldiers zich daar en op Sint Maarten al jaren bezig houdt met criminele activiteiten. Op foto’s aangetroffen in zijn telefoon is te zien dat [medeverdachte 1] in 2013 een ketting draagt met de tekst No limit 1995/1996 Forever. Ook draagt hij een T-shirt met daarop de tekst
NLS en heeft hij – zo concludeert het Hof uit de overeenstemmende elementen in de verschillende foto’s - een automatisch aanvalsgeweer in zijn handen. [medeverdachte 1] zegt in een gesprek op 16 maart 2016: “ik ben een No Limit Soldier.” Verder werd een foto in de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen van een krantenkop aangetroffen die luidt: “No limit Soldiers no ta papia”, dat in het Nederlands betekent: “No Limit Soldiers praten niet”. [naam persoon] zegt in een gesprek op 25 april 2016: “wij zijn geen No Limit Soldiers, maar Organize Crime Gang”.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de leiders van No Limit Soldiers (NLS). Ook zijn er deelnemers met een lagere rang, zoals bijvoorbeeld [naam persoon], die zich soldaat van [medeverdachte 1] noemt. [medeverdachte 2] noemde medeverdachte [medeverdachte 5] in een bericht van 30 oktober 2015 “mijn eersterangs vertrouwensman, vicepresident”.
[medeverdachte 1] noemde zich al in 2014 een “NLS soldier till I die”. “Ik ben een soldier” en “een gangster”, zei [medeverdachte 1] in 2016. [medeverdachte 1] liet weten dat hij geen vrienden, maar soldaten nodig had en kondigde aan dat hij jongens die niet loyaal zijn uit de bende zet. Hij is altijd bewapend. Op 13 juli 2018 postte [medeverdachte 1] een video op Instagram waarin hij zich “Mo limit general” noemt.
Uit een verklaring van een getuige van 7 september 2013 volgt inzicht in een van de werkwijzen van NLS. Zij beschrijft dat leden van NLS bijvoorbeeld de opdracht krijgen om tegen betaling een moord te plegen. Daarbij geldt de regel dat pas uitbetaling plaatsvindt als het doodsbericht in de media is verschenen.
De organisatie had als oogmerk onder meer het uitlokken van moord en het plegen van (andere) gewelddelicten. Onder meer is dit af te leiden uit de gebeurtenissen na de gewelddadige dood van de vriendin van [medeverdachte 1] – [vriendin medeverdachte 1] (hierna: [achternaam vriendin medeverdachte 1] )- op 5 november 2015. [medeverdachte 1] gaat vanuit de PI [verblijfplaats] op zoek naar de opdrachtgevers en de uitvoerders van de aanslag op zijn vriendin. “Ze krijgen waarom ze gevraagd hebben”, zegt [medeverdachte 1] op 7 november 2015. Hij wil die mensen begraven zien. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van die dag volgt dat [medeverdachte 1] [voornaam slachtoffer] (het Hof begrijpt: [naam slachtoffer]) en [voornaam persoon] (het Hof begrijpt: [naam persoon]) verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn vriendin. Op 9 november 2015 stelt [medeverdachte 2] het bedrag van USD 500.000 ter beschikking om, onder anderen, [slachtoffer] en [achternaam persoon] te laten liquideren. Op 11 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] dat er een soldaat nodig is. En een dag later: “Is’s a dirty job, but someone has got to do it.” Op 15 maart 2016 zegt [medeverdachte 1] tegen [naam persoon] en [naam persoon] dat ook de tweeling van “town” moeten worden aangepakt, mensen moeten worden geveegd. Op 10 april 2016 bespreken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] dat [naam persoon] de opdrachtgever van de moord op [vriendin medeverdachte 1] is en dat [naam persoon] daarvoor heeft betaald. Zij moeten een kans zoeken om [naam persoon] in de gevangenis te pakken te krijgen.
Vervolgens vinden de volgende (pogingen tot) liquidatie(s) plaats, die in voorgaande gesprekken zijn aangekondigd. Op 16 februari 2016 wordt [naam persoon] doodgeschoten. Op 8 april 2016 vindt de aanslag op [slachtoffer] plaats. Op 31 augustus 2016 wordt [naam persoon] in de gevangenis op Sint Maarten vermoord. Een van de gebroeders [achternaam personen] – samen met zijn broer wonende aan de [adres] in Philipsburg op Sint Maarten en kennelijk vandaar eerder de tweeling van “town” genoemd – wordt in de nacht van 5 op 6 november 2016 beschoten. [naam persoon] wordt op 14 maart 2017 doodgeschoten.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie bestaat uit zijn bijdrage aan het achterhalen van de daders van de aanslag op [vriendin medeverdachte 1]. Daartoe heeft hij contact met zijn neef (“primu”), een politieman op Sint Maarten. Hij bespreekt dit met [medeverdachte 2]. Zo geeft de verdachte op 10 november 2015 aan [medeverdachte 2] door dat hij er nu bijna achter is hoe het zit en dat ze op Sint Maarten en op Saint Kitts moeten zijn. Daarop zegt [medeverdachte 2] dat hij wil weten wie dat ding gedaan heeft, waarop de verdachte antwoordt: “[naam persoon] e.a. en hun crew. Met [voornaam slachtoffer] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [naam persoon] is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen.” Op 13 november 2015, na een bezoek aan [medeverdachte 1] in de PI [verblijfplaats], geeft de verdachte aan [medeverdachte 2] door dat: “hij wil dat er iets gebeurt voordat hij vrijkomt. (…) Hij is echt heel erg boos”. Hierboven is al beschreven dat [slachtoffer] kort hierop – in april 2016 – wordt beschoten op Sint Maarten.
Ten aanzien van het oogmerk van de organisatie overweegt het Hof verder dat uit berichtenverkeer tussen de verdachte en [medeverdachte 1] volgt dat NLS zich bezig houdt met handel in verdovende middelen. Zij verstuurden foto’s aan elkaar van pakketten cocaïne en chatten over het vervoer daarvan vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dit oogmerk van de organisatie. Zo chat medeverdachte [medeverdachte 2] soms letterlijk over drugs: “drugs zijn niet verkocht”, maar ook in versluierd taalgebruik bijvoorbeeld over het regelen van ‘tickets’ voor een ‘mula’. Ook zegt [medeverdachte 2] dat hij ‘stenen’ laat halen bij die Colombiaanse vrouw. [medeverdachte 2] laat vervolgens weten dat er geld nodig is zodat “de soldaten kunnen gaan om mijn stenen eruit te halen.”
Voorts wijst het Hof in dit verband op de gesprekken in een auto tussen (onder anderen) [naam persoon] en [naam persoon], die [medeverdachte 1] regelmatig in de PI [verblijfplaats] bezoeken. Op 11 april 2016 gaat het gesprek over het feit dat ze bestolen zij door vrienden. Daarop zegt [naam persoon]: “wij zijn van No Limit.” Dan wordt gesproken over wie de dief is. De man die genoemd wordt is geen, want hij koopt zijn drugs bij [naam persoon]. Vervolgens wordt gesproken over “blokken”, de hoeveelheid en de prijs. Op 13 april 2016 wordt in de auto door onder anderen [naam persoon] gesproken over slikken en over een man en 5000 euro voor de klus. Er stapt vervolgens een vrouw in de auto. De vrouw zegt dat zij twee jaar geleden is gepakt waardoor zij niet kan vliegen. Men vroeg haar of ze Buena Vista is of NLS. Ten slotte wijst het Hof op gesprekken over de aankoop van een Glock, al dan niet met geluiddemper.
Het aandeel van de verdachte in de verwezenlijking van dit oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de hiervoor besproken handel in verdovende middelen vanuit, onder meer, Sint Maarten naar Frankrijk. Het Hof verwijst in dit verband naar de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6, die tevens redengevend zijn voor dit onderdeel van feit 1.
Beoordeling
Het Hof stelt voorop dat voor medeplegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 1:123, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte daartoe met een of meer andere personen nauw en bewust samenwerkt. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het Hof stelt, met inachtneming van het bovenstaande, uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 5 november 2015 wordt [vriendin medeverdachte 1], de vriendin van [medeverdachte 1], doodgeschoten. Op diezelfde dag meldt de verdachte aan [medeverdachte 2] dat zijn neef, een politieagent, bezig is met het vergaren van nadere informatie zodat deze neef de verdachte precies kan uitleggen wat er is gebeurd. De verdachte is degene die de volgende dag, op 6 november 2015, [medeverdachte 1] in de PI in [verblijfplaats] bezoekt om hem het nieuws te brengen. Hij brengt daarbij ook een boodschap van [medeverdachte 2] over dat [medeverdachte 1] rustig moet blijven. [medeverdachte 1] zet de verdachte diezelfde dag als tussenpersoon in om [medeverdachte 2] aan te sporen actie te ondernemen. Hij vraagt (over de telefoon) aan de verdachte of hij [medeverdachte 2] heeft gesproken, waarop de verdachte aangeeft dat [medeverdachte 2] er bovenop zit. De actie die ondernomen moet worden betreft ook het verplaatsen van de kinderen van [medeverdachte 1] naar een veilig onderkomen. De verdachte overweegt zelf die kant op te gaan om hieraan een bijdrage te leveren en deelt dat mede aan [medeverdachte 2]. Op diezelfde 6 november 2015 wordt reeds gesproken over het inzetten van anderen om een wraakactie uit te voeren op de moordenaar(s) van [vriendin medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] en
[medeverdachte 2] spreken samen over het inzetten van mensen uit Saint Croix. [medeverdachte 1] geeft de verdachte de opdracht om na te laten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts is gegaan. [medeverdachte 1] wil kijken of ze “de kleine slanke man kunnen zien.” De verdachte zegt toe dit te zullen doen. Voordat de personen uit Saint Croix voor de wraakactie kunnen worden ingezet, doet [medeverdachte 2] op 10 november 2015 een beroep op de verdachte om meer informatie te verkrijgen.
[medeverdachte 2] zegt tegen de verdachte dat de personen uit Saint Croix direct in actie kunnen komen, maar dat duidelijk moet worden “waar en wie.” Hierop reageert de verdachte dat hij er bijna achter is hoe het precies zit. Hij heeft informatie gekregen dat personen afkomstig uit Saint Kitts en Sint Maarten betrokken zijn bij de moord op [vriendin medeverdachte 1]. Op de vraag van [medeverdachte 2] “wie dat ding gedaan heeft en wie achter dat ding staat”, antwoordt de verdachte: “[naam persoon] e.a. en hun crew. Met [voornaam slachtoffer] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [naam persoon] e.a. is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen.” Nadat de verdachte op 13 november 2015 [medeverdachte 1] weer in de PI heeft bezocht, fungeert hij daarna wederom als tussenpersoon in de communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] is boos. Hij snapt niet waarom er zo lang over wordt gedaan, er moet gas worden gegeven. De verdachte reist vervolgens op 20 november 2015 naar Curaçao en vertrekt zes dagen later naar Sint Maarten. [medeverdachte 1] bespreekt de moord op [vriendin medeverdachte 1], (het achterhalen van) de vermoedelijke daders hiervan, waaronder [slachtoffer], [naam persoon] en [naam persoon] en het inzetten van huurmoordenaars om wraak te nemen ook met anderen, zoals [naam persoon] en [naam persoon]. Daarbij stuurt hij ook personen aan om actie te ondernemen. De plannen om de verantwoordelijken voor de moord op [vriendin medeverdachte 1] te wreken worden vervolgens op 9 en 10 november 2015 concreter gemaakt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Zij spreken over hoe de personen uit Saint Croix naar Saint Martin kunnen gaan en wat deze personen betaald dienen te krijgen om (onder andere) [slachtoffer] van het leven te beroven. Op 14 november 2015 zegt [medeverdachte 1] dat [slachtoffer] binnenkort wordt vermoord. In de periode december 2015 tot en met februari 2016 zet de verdachte het contact met [medeverdachte 1] voort. Uit PGP- gesprekken in december 2015 blijkt dat de verdachte wacht op informatie van de mannen van ‘ruman’. De verdachte geeft aan [medeverdachte 1] door dat hij, zodra ‘ruman’ reageert, de dingen zal regelen. Op 31 maart 2016 zegt de verdachte [medeverdachte 1] opnieuw toe om er gas onder te zetten en zegt [medeverdachte 1] dat het niet lang meer duurt voordat het zover is. Uiteindelijk wordt [slachtoffer] op 8 april 2016 beschoten door twee onbekend gebleven daders. Uit een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van 10 april 2016 blijkt dat men op die datum nog steeds bezig is te achterhalen wie de (overige) opdrachtgever(s) is/zijn geweest van de moord op [vriendin medeverdachte 1], wie ervoor betaald heeft en wie uitvoerders waren. [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] spreken op deze datum ook over hoe [slachtoffer] er na de moordpoging aan toe is, dat “ze allemaal plat moeten gaan” en wat ze gaan betalen. De betaling van de huurmoordenaars wordt afgewikkeld door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].
Uit het voorgaande leidt het Hof af dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en de verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt in het geheel van het achterhalen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de moord op [vriendin medeverdachte 1] en het plannen van een wraakactie, inhoudende dat huurmoordenaars uit Saint Croix tegen betaling (van geld en wiet) worden ingezet om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voor de nauwe samenwerking is niet vereist dat iedere deelnemer aan elk facet van de (uitvoering van de) strafbare gedraging een bijdrage heeft geleverd. Wel is vereist dat de bijdrage aan het delict van de individuele medepleger van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht is en dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de deelneming en het gronddelict. In dit geval geldt dat de verdachte nog op dezelfde dag als de moord op [vriendin medeverdachte 1] via zijn neef actief naspeuring doet naar wat er precies is gebeurd en daarvan verslag uitbrengt aan [medeverdachte 2]. Niet is gebleken dat hij dit pas doet nadat hem specifiek om deze inspanning is gevraagd. Evenmin is gebleken dat het wat de verdachte betreft bij een eenmalige naspeuring blijft. Als [medeverdachte 2] enkele dagen later een beroep op de verdachte doet om meer informatie te vergaren over ‘wie en waar’, kan de verdachte de namen van [slachtoffer] en [naam persoon] (reeds) noemen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, de feiten 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:79 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:119 juncto artikel 1:123 juncto artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot moord.
Het onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 juncto artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960 juncto artikel 1:133 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960 voor te bereiden en te bevorderen, zich en
anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedragingen aan de verdachte te verwijten zijn en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor poging tot doodslag met zwaar letsel bij het slachtoffer als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes tot acht jaren gegeven. Bij blijvende ernstige lichamelijke gevolgen is de indicatie acht tot tien jaar. Een strafverhogende factor is de omstandigheid dat het feit in vereniging is gepleegd.
Het Hof neemt in het bijzonder het volgende in beschouwing en neemt daartoe een bewerkt gedeelte (cursief) van het GEA-vonnis over.
Deze strafzaak is voortgekomen uit een grootschalig en langlopend opsporingsonderzoek, genaamd Themis. Hoewel (nog) niet alle verdachten in dit onderzoek zijn aangehouden, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte gedurende een geruime periode, in ieder geval vanaf november 2015 tot aan zijn aanhouding in februari 2021 heeft deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband, dat zich bezig houdt met de internationale handel in verdovende middelen, waarvan de opbrengsten (toevoeging Hof: naar alle waarschijnlijkheid) worden witgewassen, als ook met ernstige geweldsmisdrijven, waaronder (uitlokking van poging tot) moord.
De organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte, de No Limit Soldiers, opereert wereldwijd en is goed georganiseerd. Zo is er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling en wordt veelvuldig gebruik gemaakt van versluierde en versleutelde communicatie, waarmee de leden contact met elkaar en anderen onderhouden. Uit de mediaberichten over de NLS blijkt dat met de drugshandel veel geld wordt verdiend en dat men er niet voor terugschrikt (in de openbaarheid) dodelijk geweld in te zetten tegen vermeende vijanden. Deze strafbare
gedragingen hebben een ontwrichtende werking op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich binnen de criminele organisatie onder meer bezig gehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die internationale drugshandel en meer in het bijzonder met het vervullen van een coördinerende rol bij twee transporten betreffende de uitvoer vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk van aanzienlijke handelshoeveelheden cocaïne. De verdachte was zodoende een belangrijke schakel in het gehele proces van de internationale
cocaïnehandel. De verdachte heeft hiermee een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen.
De verdachte is voorts nauw betrokken geweest bij de organisatie van de uitlokking van de moordaanslag op [slachtoffer]. Hierbij is de verdachte niet de initiator of opdrachtgever geweest, maar heeft hij wel naspeuring gedaan en een belangrijke, faciliterende rol gespeeld in de communicatie tussen de twee leiders van de NLS, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Door dit in vereniging gepleegde geweldsdelict is het slachtoffer ernstig gewond geraakt en hebben de verdachte en zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het Hof houdt rekening met de samenloop tussen de feiten 4, 5 en 6 en houdt er tevens rekening mee dat ten aanzien van feit 1 eveneens in zekere zin sprake is van samenloop met de feiten 2, 4, 5 en 6.
Het Hof heeft in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat geen sprake is van recente veroordelingen in Nederland en Curaçao. Ook houdt het Hof in strafmatigende zin enigszins rekening met de omstandigheid dat de verdachte ver verwijderd is van zijn gezin waardoor het contact met zijn minderjarige kinderen zeer beperkt is. Daarnaast zijn geen persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die in het voordeel van de verdachte moeten strekken.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.
Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in beginsel een gevangenisstraf van 14 jaren passend en geboden is. Het Hof heeft daarbij in acht genomen dat het Gerecht tot strafoplegging van deze duur is gekomen inclusief een bewezenverklaring voor witwassen. Het Hof is echter van oordeel dat het zwaartepunt van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, op de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van
ernstige misdrijven, internationale drugshandel en het geweldsdelict rust. De wetgever van Curaçao heeft de uitvoer van harddrugs bedreigd met een levenslange gevangenisstraf als maximale strafoplegging.
Conclusie
Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het Hof is van oordeel dat zich - gelet op de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 7 is ten laste gelegd, en ook overigens - geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen geldbedragen (EUR 6.535,-, USD 2.019,- en NAf 735,-). Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 11 augustus 2022 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en tegen de partiele vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 7 is ten laste gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart de inleidende dagvaarding partieel nietig, te weten ter zake van hetgeen de verdachte na het eerste gedachtestreepje onder 4 is ten laste gelegd;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 7 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 (voor het overige), 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren en 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen (EUR 6.535,-, USD 2.019,- en NAf 735,-) aan de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse, (zittings)griffier en op 20 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mr. Thierry is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met bijlagen betreffende verstrekking crypto communicatie (SkyECC) met proces-verbaalnummer 395855, opgemaakt door verbalisant RST 1910 (aanvulling RHV dossier 05-05-2023, FR -192 t/m 275-).
Vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering (dossier rechtshulpverzoeken, FR -134- e.v.).
Beschikking op een vordering ingevolge artikel 219 SvNA (dossier rechtshulpverzoeken, FR -212-, bijlage 2).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2023 met proces-verbaalnummer 395855, met bijlagen, inzake de verkrijging van Sky-ECC data uit Frankrijk (dossier rechtshulpverzoeken FR -192- t/m FR -275-, specifiek pag. FR -230-, bijlage 4).
Idem voetnoot 4, p. FR -231 – 233-, bijlage 5.
Idem voetnoot 4, p. FR -234 – 262-, bijlage 6.
Idem voetnoot 4, p. FR -263 – 267-, bijlage 7.
Dossier rechtshulpverzoeken, FR -268- t/m FR -269-, bijlage 8.
Beslagdossier, p. H21 -02- t/m H21 -05-.
Dictum
Omdat uit de verkregen data ook belastend materiaal ten aanzien van de verdachte is voortgevloeid en dat zulks ook (mede) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte, zal het Hof beoordelen of aan dit onrechtmatig handelen een rechtsgevolg dient te worden verbonden.
Daarbij houdt het Hof rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.
Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging bij het verzoek aan de autoriteiten in Costa Rica, zoals gedaan, waarbij (potentieel) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van personen, in het onderhavige geval (ook) de verdachte, levert naar het oordeel van het Hof op zichzelf een schending op van een belangrijke norm. Het is het Hof evenwel niet gebleken dat sprake is geweest van doelbewust handelen door de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is gesteld noch gebleken en ook overigens niet aannemelijk geworden dat een Nederlandse rechter-commissaris, indien vooraf een machtiging was gevorderd, deze niet zou hebben afgegeven.
Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt aan de verdachte, overweegt het Hof dat de verdediging dienaangaande niets concreets naar voren heeft gebracht. De inbreuk is beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk
betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte is verkregen. Dat laatste is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Gelet op de ernst van de
strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht, acht het Hof de schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM in dit geval niet onevenredig.
Voor zover het nadeel is gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van
zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, overweegt het Hof dat dit geen nadeel is waarbij bij de bepaling van de gevolgen van een normschending rekening mee dient te worden gehouden.
Na afweging van alle in het geding zijnde belangen is het Hof van oordeel dat de vastgestelde normschending in dit geval kan worden geconstateerd en zonder verdere gevolgen kan blijven.
Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen mobiele telefoons
De verdachte is op 8 februari 2021 aangehouden. Hij had toen een telefoon bij zich (een Iphone 11) welke in beslag is genomen. Ook heeft – op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier – een huiszoeking plaatsgehad in de hotelkamer van de verdachte. Aldaar is een Iphone 7 in beslag genomen.
De officier van justitie heeft een vordering ex artikel 219 CSv gedaan aan de rechter-commissaris voor het volledig laten uitlezen, onderzoeken en veiligstellen van de data en gegevens in (onder meer) de in beslag genomen mobiele telefoons. De rechter-commissaris heeft hier op 9 februari 2021 positief op beslist. Gelet op de verdenkingen tegen de verdachte, heeft de rechter-commissaris hiertoe naar het oordeel van het Hof zonder meer kunnen beslissen. Van een ontoelaatbare inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM is naar het oordeel van het Hof geen sprake.
Samenvattend ten aanzien van de verweren - conclusies
Het Hof is van oordeel dat het ontbreken van een rechterlijke machtiging voorafgaand aan de verkrijging van PGP-safe-data uit Costa Rica, een onherstelbare normschending oplevert. In het onderzoek naar de verdachte, kan dit naar het oordeel van het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zonder gevolgen blijven.
Ten aanzien van de door de verdediging – in algemene termen – gestelde schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat van onevenredige schending van de rechten van de verdachte in deze zin sprake is geweest. Het Hof betrekt hierbij de ernst van de strafbare feiten waarvan ten aanzien van de verdachte een
verdenking was gerezen. Het betrof feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk vormen op de rechtsorde.
Daarbij levert een schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, voor zover al aan de orde, naar vaste rechtspraak niet ook steeds een schending van zijn rechten in de zin van artikel 6 EVRM op.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het Hof als volgt.
Al met al is het Hof – met het Gerecht – van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ‘the procedure as a whole’ voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het Hof dat aan de verdediging de mogelijkheid is geboden het verkregen bewijsmateriaal te controleren en te betwisten, doch dat er geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen data dient te worden getwijfeld.
Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging biedt hetgeen is aangevoerd geen grond. Voor bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg dan de constatering van de normschending, is evenmin grond aanwezig.
De verweren worden verworpen.
Tot slot – ten aanzien van het gebruik van de data.
Gelet op de aard en inhoud van de communicatie en onvolledigheid van (delen van) die communicatie, zal het Hof bij de beoordeling van de tenlastelegging daarmee behoedzaam omgaan.
Dat de verdenking en identificatie van de verdachte als gebruiker van bepaalde accounts in overwegende mate berust op cryptocommunicatie, is naar het oordeel van het Hof, gezien de gebezigde bewijsmiddelen en later in dit vonnis vermelde bewijsoverwegingen, onjuist.
Gezien het voorgaande is het Hof van oordeel dat de data, voor zover relevant en in samenhang bezien met andere bewijsmiddelen, voor het bewijs kunnen (en ook zullen) worden gebezigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Hierbij merkt het Hof op dat het in de wijziging tenlastelegging ‘onder feit 8’ verbetert leest als ‘onder feit 7’. Van die dagvaarding, vordering nadere
omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.
Ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging van feit 4 dat ziet op uitvoer uit Sint Maarten naar Frankrijk van cocaïne in de periode 13 – 14 augustus 2020 merkt het Hof op dat in de tenlastelegging staat vermeld een hoeveelheid van ongeveer 30000 kilogram. Het Hof gaat er van uit dat dit, mede gezien de
opmerking van de officier van justitie in eerste aanleg dat feit 4 ziet op de uitvoer/invoer van 30 kilo cocaïne en bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, een kennelijke verschrijving is en dat is bedoeld een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram. Het Hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen. Voor feit 5 geldt hetzelfde: het Hof leest deze verbeterd als betrekking hebbend op een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram cocaïne.
Beoordeling
Dit duidt er naar het oordeel van het Hof op dat de verdachte niet stil heeft gezeten, maar een (pro-)actieve en doelbewuste rol heeft vervuld in een belangrijk facet van het geheel van de gezamenlijk uitgevoerde strafbare gedraging. Voorts heeft de verdachte zich bereidwillig getoond de opdrachten c.q. verzoeken van [medeverdachte 1] uit te voeren om [medeverdachte 2] aan te sporen en naspeuring te doen naar de vermeende uitvoerders van de moord op [vriendin medeverdachte 1] uit Saint Kitts. De verdachte heeft tevens (in ieder geval) tot vlak voor de moordaanslag op [slachtoffer] als doorgeefluik gefungeerd in de communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], welke rol van belang is geweest om te kunnen bewerkstelligen dat de in Nederland gedetineerde [medeverdachte 1] en de elders verblijvende [medeverdachte 2] in contact konden blijven over de uitvoering van de wraakactie. Door de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden, kan het naar het oordeel van het Hof niet anders betekenen dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer] te liquideren en dat hij dit op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4, 5 en 6: medeplegen (voorbereidingshandelingen) handel in verdovende middelen
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan is gesteld dat het bewijs ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 uitsluitend berust op de inhoud van chatgesprekken, waaronder SKY-berichten en
dat niet de verdachte, maar zijn gesprekspartner(s) daarin de overhand had(den). Dat de verdachte zich niet van bepaalde gesprekken heeft gedistantieerd, maakt niet dat zijn betrokkenheid bij de feiten kan blijken. Voorts stelt de verdediging – samengevat en zakelijk weergegeven - dat er (te) beperkt en eenzijdig onderzoek is gedaan en dat daardoor de context (te) beperkt is om de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten te kunnen beoordelen. De rol van de verdachte bij de vermeende feiten is niet duidelijk en kan onvoldoende worden vastgesteld, aldus de verdediging.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging opgemerkt dat de ’30 kilo’ cocaïne niet is aangetroffen. Hetzelfde geldt volgens de verdediging voor feit 6.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat de stellingen van de verdediging kunnen worden weerlegd op basis van de door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijsmiddelen.
Het Hof overweegt als volgt.
Dat het bewijs uitsluitend berust op de inhoud van chatgesprekken, is feitelijk onjuist. Immers is door de douane in Frankrijk in januari 2021 een lading cocaïne aangetroffen in een zeecontainer waarmee, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 5, maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan het bewijs van de feiten 4 en 6. Ten aanzien van feit 4 overweegt het Hof dat weliswaar geen cocaïne is aangetroffen, maar dat op basis van de bewijsmiddelen en gezien het voorgaande buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het om cocaïne ging.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt het Hof voorts af dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de (voorbereidingshandelingen voor de) uitvoer van cocaïne vanuit het Caribisch gebied en invoer daarvan in Frankrijk.
Het Hof kan zich in belangrijke mate vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van deze feiten en neemt deze grotendeels, namelijk als volgt, over:
“Het bewijs van de onderhavige feiten berust in aanzienlijke mate op de inhoud van de uit de telefoon van de verdachte inzichtelijk gemaakte chatgesprekken die de verdachte via de platforms Signal en Whatsapp voerde met onder anderen [medeverdachte 1]. Anders dan de raadsvrouw ziet het gerecht geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [medeverdachte 1] in deze chats steeds de gesprekspartner van de verdachte is, nu deze vaststelling blijkens de bewijsmiddelen niet alleen is gebaseerd op de herkenning van diens stem, maar ook op de door [medeverdachte 1] gestuurde video-opnamen, waarin hij zich persoonlijk richt tot de verdachte.
De gespreksdeelnemers spreken niet met zoveel woorden over cocaïne, er worden nauwelijks (volledige) namen genoemd en men gebruikt codetaal en verhullende termen zoals “blokken”, “papier”, “druk zetten” en “dingen”.
Naar het oordeel van het gerecht blijkt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, echter zonneklaar dat de desbetreffende gesprekken betrekking hebben op een transport van 30 kilo cocaïne per vliegtuig naar Parijs half augustus 2020. (…)Zo blijkt uit de toezending door [medeverdachte 1] aan de verdachte van foto’s van (met in plastic verpakte) blokken, koffers en bagagelabels met een gezamenlijk gewicht dat overeenkomt met de 30 kilo waarover [medeverdachte 1] en de verdachte spreken, vergezeld van de waarschuwing deze foto’s aan niemand door te sturen, zonder enige twijfel dat de voor het bewijs gebezigde communicatie tussen hen betrekking heeft op een in die (in Parijs aangekomen) koffers verpakte hoeveelheid cocaïne van ongeveer 30 kilo.
Ten aanzien van de partij van 172 kilo is dat verband zo mogelijk nog duidelijker. [medeverdachte 1] stuurt ook in dit geval weer foto’s van in plastic verpakte blokken aan de verdachte toe, ditmaal vergezeld van de door deze partij te volgen route, eindigend in Le Havre. Op andere door [medeverdachte 1] aan de verdachte toegezonden foto’s is de bestemming Le Havre goed te lezen, in een schrijfwijze die exact overeenkomt met die op de in Le Havre aangetroffen dozen, waarin zich ook daadwerkelijk pakketten met cocaïne bleken te bevinden.
Weliswaar is het [medeverdachte 1] die in de communicatie met de verdachte het meest aan het woord is, maar de verdachte laat op essentiële momenten blijken dat hij begrijpt wat de bedoeling is, door te zeggen dat hij zal spreken met bepaalde mensen, dingen zal regelen etc. Ook heeft [medeverdachte 1] het over “de twee koffers, die we hebben laten sturen” en ”10 voor ons gaat in de koffer”. De verdachte laat op geen enkel moment blijken dit niet te begrijpen of daar afstand van te nemen.
Met betrekking tot het transport van 172 kilo cocaïne wordt de verdachte door [medeverdachte 1] stap voor stap op de hoogte gehouden van het verloop van het transport over zee.
Dictum
Omdat uit de verkregen data ook belastend materiaal ten aanzien van de verdachte is voortgevloeid en dat zulks ook (mede) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte, zal het Hof beoordelen of aan dit onrechtmatig handelen een rechtsgevolg dient te worden verbonden.
Daarbij houdt het Hof rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.
Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging bij het verzoek aan de autoriteiten in Costa Rica, zoals gedaan, waarbij (potentieel) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van personen, in het onderhavige geval (ook) de verdachte, levert naar het oordeel van het Hof op zichzelf een schending op van een belangrijke norm. Het is het Hof evenwel niet gebleken dat sprake is geweest van doelbewust handelen door de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is gesteld noch gebleken en ook overigens niet aannemelijk geworden dat een Nederlandse rechter-commissaris, indien vooraf een machtiging was gevorderd, deze niet zou hebben afgegeven.
Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt aan de verdachte, overweegt het Hof dat de verdediging dienaangaande niets concreets naar voren heeft gebracht. De inbreuk is beperkt gebleven tot kennisname van communicatie die voornamelijk
betrekking heeft op strafbare gedragingen, zonder dat daarbij een min of meer compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte is verkregen. Dat laatste is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Gelet op de ernst van de
strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht, acht het Hof de schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM in dit geval niet onevenredig.
Voor zover het nadeel is gelegen in het feit dat door de kennisname van de aan hem toegeschreven berichten belastend materiaal bekend is geworden ten aanzien van
zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, overweegt het Hof dat dit geen nadeel is waarbij bij de bepaling van de gevolgen van een normschending rekening mee dient te worden gehouden.
Na afweging van alle in het geding zijnde belangen is het Hof van oordeel dat de vastgestelde normschending in dit geval kan worden geconstateerd en zonder verdere gevolgen kan blijven.
Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen mobiele telefoons
De verdachte is op 8 februari 2021 aangehouden. Hij had toen een telefoon bij zich (een Iphone 11) welke in beslag is genomen. Ook heeft – op vordering van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris alhier – een huiszoeking plaatsgehad in de hotelkamer van de verdachte. Aldaar is een Iphone 7 in beslag genomen.
De officier van justitie heeft een vordering ex artikel 219 CSv gedaan aan de rechter-commissaris voor het volledig laten uitlezen, onderzoeken en veiligstellen van de data en gegevens in (onder meer) de in beslag genomen mobiele telefoons. De rechter-commissaris heeft hier op 9 februari 2021 positief op beslist. Gelet op de verdenkingen tegen de verdachte, heeft de rechter-commissaris hiertoe naar het oordeel van het Hof zonder meer kunnen beslissen. Van een ontoelaatbare inbreuk op de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM is naar het oordeel van het Hof geen sprake.
Samenvattend ten aanzien van de verweren - conclusies
Het Hof is van oordeel dat het ontbreken van een rechterlijke machtiging voorafgaand aan de verkrijging van PGP-safe-data uit Costa Rica, een onherstelbare normschending oplevert. In het onderzoek naar de verdachte, kan dit naar het oordeel van het Hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zonder gevolgen blijven.
Ten aanzien van de door de verdediging – in algemene termen – gestelde schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat van onevenredige schending van de rechten van de verdachte in deze zin sprake is geweest. Het Hof betrekt hierbij de ernst van de strafbare feiten waarvan ten aanzien van de verdachte een
verdenking was gerezen. Het betrof feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk vormen op de rechtsorde.
Daarbij levert een schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, voor zover al aan de orde, naar vaste rechtspraak niet ook steeds een schending van zijn rechten in de zin van artikel 6 EVRM op.
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van schending van de rechten van de verdachte als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het Hof als volgt.
Al met al is het Hof – met het Gerecht – van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ‘the procedure as a whole’ voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het Hof dat aan de verdediging de mogelijkheid is geboden het verkregen bewijsmateriaal te controleren en te betwisten, doch dat er geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat aan de betrouwbaarheid van de verkregen data dient te worden getwijfeld.
Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging biedt hetgeen is aangevoerd geen grond. Voor bewijsuitsluiting of enig ander rechtsgevolg dan de constatering van de normschending, is evenmin grond aanwezig.
De verweren worden verworpen.
Tot slot – ten aanzien van het gebruik van de data.
Gelet op de aard en inhoud van de communicatie en onvolledigheid van (delen van) die communicatie, zal het Hof bij de beoordeling van de tenlastelegging daarmee behoedzaam omgaan.
Dat de verdenking en identificatie van de verdachte als gebruiker van bepaalde accounts in overwegende mate berust op cryptocommunicatie, is naar het oordeel van het Hof, gezien de gebezigde bewijsmiddelen en later in dit vonnis vermelde bewijsoverwegingen, onjuist.
Gezien het voorgaande is het Hof van oordeel dat de data, voor zover relevant en in samenhang bezien met andere bewijsmiddelen, voor het bewijs kunnen (en ook zullen) worden gebezigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging en de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2022 op vordering van de officier van justitie toegestane vordering wijziging tenlastelegging. Hierbij merkt het Hof op dat het in de wijziging tenlastelegging ‘onder feit 8’ verbetert leest als ‘onder feit 7’. Van die dagvaarding, vordering nadere
omschrijving en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.
Ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging van feit 4 dat ziet op uitvoer uit Sint Maarten naar Frankrijk van cocaïne in de periode 13 – 14 augustus 2020 merkt het Hof op dat in de tenlastelegging staat vermeld een hoeveelheid van ongeveer 30000 kilogram. Het Hof gaat er van uit dat dit, mede gezien de
opmerking van de officier van justitie in eerste aanleg dat feit 4 ziet op de uitvoer/invoer van 30 kilo cocaïne en bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, een kennelijke verschrijving is en dat is bedoeld een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram. Het Hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen. Voor feit 5 geldt hetzelfde: het Hof leest deze verbeterd als betrekking hebbend op een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram cocaïne.
Beoordeling
Dit duidt er naar het oordeel van het Hof op dat de verdachte niet stil heeft gezeten, maar een (pro-)actieve en doelbewuste rol heeft vervuld in een belangrijk facet van het geheel van de gezamenlijk uitgevoerde strafbare gedraging. Voorts heeft de verdachte zich bereidwillig getoond de opdrachten c.q. verzoeken van [medeverdachte 1] uit te voeren om [medeverdachte 2] aan te sporen en naspeuring te doen naar de vermeende uitvoerders van de moord op [vriendin medeverdachte 1] uit Saint Kitts. De verdachte heeft tevens (in ieder geval) tot vlak voor de moordaanslag op [slachtoffer] als doorgeefluik gefungeerd in de communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], welke rol van belang is geweest om te kunnen bewerkstelligen dat de in Nederland gedetineerde [medeverdachte 1] en de elders verblijvende [medeverdachte 2] in contact konden blijven over de uitvoering van de wraakactie. Door de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden, kan het naar het oordeel van het Hof niet anders betekenen dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer] te liquideren en dat hij dit op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4, 5 en 6: medeplegen (voorbereidingshandelingen) handel in verdovende middelen
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan is gesteld dat het bewijs ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 uitsluitend berust op de inhoud van chatgesprekken, waaronder SKY-berichten en
dat niet de verdachte, maar zijn gesprekspartner(s) daarin de overhand had(den). Dat de verdachte zich niet van bepaalde gesprekken heeft gedistantieerd, maakt niet dat zijn betrokkenheid bij de feiten kan blijken. Voorts stelt de verdediging – samengevat en zakelijk weergegeven - dat er (te) beperkt en eenzijdig onderzoek is gedaan en dat daardoor de context (te) beperkt is om de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten te kunnen beoordelen. De rol van de verdachte bij de vermeende feiten is niet duidelijk en kan onvoldoende worden vastgesteld, aldus de verdediging.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging opgemerkt dat de ’30 kilo’ cocaïne niet is aangetroffen. Hetzelfde geldt volgens de verdediging voor feit 6.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en dat de stellingen van de verdediging kunnen worden weerlegd op basis van de door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijsmiddelen.
Het Hof overweegt als volgt.
Dat het bewijs uitsluitend berust op de inhoud van chatgesprekken, is feitelijk onjuist. Immers is door de douane in Frankrijk in januari 2021 een lading cocaïne aangetroffen in een zeecontainer waarmee, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 5, maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan het bewijs van de feiten 4 en 6. Ten aanzien van feit 4 overweegt het Hof dat weliswaar geen cocaïne is aangetroffen, maar dat op basis van de bewijsmiddelen en gezien het voorgaande buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het om cocaïne ging.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt het Hof voorts af dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de (voorbereidingshandelingen voor de) uitvoer van cocaïne vanuit het Caribisch gebied en invoer daarvan in Frankrijk.
Het Hof kan zich in belangrijke mate vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van deze feiten en neemt deze grotendeels, namelijk als volgt, over:
“Het bewijs van de onderhavige feiten berust in aanzienlijke mate op de inhoud van de uit de telefoon van de verdachte inzichtelijk gemaakte chatgesprekken die de verdachte via de platforms Signal en Whatsapp voerde met onder anderen [medeverdachte 1]. Anders dan de raadsvrouw ziet het gerecht geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [medeverdachte 1] in deze chats steeds de gesprekspartner van de verdachte is, nu deze vaststelling blijkens de bewijsmiddelen niet alleen is gebaseerd op de herkenning van diens stem, maar ook op de door [medeverdachte 1] gestuurde video-opnamen, waarin hij zich persoonlijk richt tot de verdachte.
De gespreksdeelnemers spreken niet met zoveel woorden over cocaïne, er worden nauwelijks (volledige) namen genoemd en men gebruikt codetaal en verhullende termen zoals “blokken”, “papier”, “druk zetten” en “dingen”.
Naar het oordeel van het gerecht blijkt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, echter zonneklaar dat de desbetreffende gesprekken betrekking hebben op een transport van 30 kilo cocaïne per vliegtuig naar Parijs half augustus 2020. (…)Zo blijkt uit de toezending door [medeverdachte 1] aan de verdachte van foto’s van (met in plastic verpakte) blokken, koffers en bagagelabels met een gezamenlijk gewicht dat overeenkomt met de 30 kilo waarover [medeverdachte 1] en de verdachte spreken, vergezeld van de waarschuwing deze foto’s aan niemand door te sturen, zonder enige twijfel dat de voor het bewijs gebezigde communicatie tussen hen betrekking heeft op een in die (in Parijs aangekomen) koffers verpakte hoeveelheid cocaïne van ongeveer 30 kilo.
Ten aanzien van de partij van 172 kilo is dat verband zo mogelijk nog duidelijker. [medeverdachte 1] stuurt ook in dit geval weer foto’s van in plastic verpakte blokken aan de verdachte toe, ditmaal vergezeld van de door deze partij te volgen route, eindigend in Le Havre. Op andere door [medeverdachte 1] aan de verdachte toegezonden foto’s is de bestemming Le Havre goed te lezen, in een schrijfwijze die exact overeenkomt met die op de in Le Havre aangetroffen dozen, waarin zich ook daadwerkelijk pakketten met cocaïne bleken te bevinden.
Weliswaar is het [medeverdachte 1] die in de communicatie met de verdachte het meest aan het woord is, maar de verdachte laat op essentiële momenten blijken dat hij begrijpt wat de bedoeling is, door te zeggen dat hij zal spreken met bepaalde mensen, dingen zal regelen etc. Ook heeft [medeverdachte 1] het over “de twee koffers, die we hebben laten sturen” en ”10 voor ons gaat in de koffer”. De verdachte laat op geen enkel moment blijken dit niet te begrijpen of daar afstand van te nemen.
Met betrekking tot het transport van 172 kilo cocaïne wordt de verdachte door [medeverdachte 1] stap voor stap op de hoogte gehouden van het verloop van het transport over zee.
Dictum
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit de bedoeling was van de steller van de tenlastelegging en dat dat ook aldus door de verdediging is begrepen. De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen geschaad.
In feit 6 heeft het Hof de woorden “van verdovende middelen” ingelezen, nu uit de verwijzing naar artikel 3 onder A en/of B in de tenlastelegging en de aan de verdachte in dat verband verweten feitelijke handelingen blijkt dat dit feit volgens de steller van de tenlastelegging betrekking heeft op verdovende middelen.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
de deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao, Nederland en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021;
Feit 2
primair
: het medeplegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op
[slachtoffer] op 8 april 2016 in Saint Martin, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld;
subsidiair
: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer], gepleegd in diezelfde periode;
Feit 4:
het medeplegen van de uitvoer van 30 kilogram cocaïne en/of hennep uit Sint Maarten naar Frankrijk in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020;
Feit 5:
het medeplegen van de uitvoer/invoer van 172 kilogram cocaïne in Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021;
Feit 6:
het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van opiumdelicten in Curaçao, Sint Maarten, Nederland of elders ter wereld, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021;
Feit 7:
het witwassen van geld in Curaçao op 8 februari 2021.
Vrijspraak van feit 7
Inleiding; verwijt en standpunten partijen
De verdachte wordt verweten dat hij zich op 8 februari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een drietal geldbedragen in verschillende valuta, te weten EUR 6.535,91, USD 2.019,- en NAf 735,-. Deze geldbedragen zijn in de kluis van zijn hotelkamer in Curaçao aangetroffen.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft verklaard het geld uit Nederland te hebben meegenomen, maar uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in de voorafgaande jaren geen inkomsten heeft genoten. De verklaring die de verdachte pas ter terechtzitting van het Gerecht heeft afgelegd dat hij legaal inkomen genoot uit zijn werk als personal trainer is niet concreet en verifieerbaar. Omdat voldoende omzet/inkomen niet aannemelijk is geworden, is de conclusie gerechtvaardigd dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, die bevestiging vindt in een ter terechtzitting van het Gerecht overgelegde email van [bedrijf]. Het feit dat de verdachte geen administratie heeft bijgehouden maakt dat niet anders en het gaat bovendien – gelet op de leeftijd van de verdachte - niet om een groot bedrag.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Van misdrijf afkomstig
Het Hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Vermoeden van witwassen
Op basis van het dossier kan ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen geen rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald (eigen) misdrijf. Wel stelt het Hof op grond van de volgende feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen vast.
Uit het dossier volgt dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij de in georganiseerde verband verrichte (internationale) handel in cocaïne. Uit de bewezenverklaring van het ten laste legde onder 1, 4, 5 en 6 en uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet alleen deel uitmaakte van een criminele organisatie, de NLS, die onder meer tot oogmerk had de (internationale) handel in drugs, maar ook een coördinerende rol heeft vervuld bij twee transporten van in totaal ongeveer 200 kilogram cocaïne. Nog los van de rol van de verdachte in de organisatie en de transporten, is het een feit van algemene bekendheid dat in de internationale drugshandel veel contant geld omgaat en met die handel inkomsten worden gegenereerd. Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte in de jaren 2015 - 2019 geen inkomsten bij de Belastingdienst heeft opgegeven en zorg- en huurtoeslag ontving. Dit betekent dat er ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft, na bij de politie te hebben gezwegen over zijn inkomsten, ter terechtzitting van het Gerecht verklaard dat het geld dat op 8 februari 2021 in de kluis van zijn hotelkamer was gevonden, zijn spaargeld was dat hij had meegenomen uit Nederland. Hij werkte in Nederland als personal trainer van professionele sporters en verdiende daarmee EUR 65,- per uur. Hij stond sinds 2020 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en had zijn inkomsten nog niet doorgegeven aan de Belastingdienst.
Dictum
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit de bedoeling was van de steller van de tenlastelegging en dat dat ook aldus door de verdediging is begrepen. De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen geschaad.
In feit 6 heeft het Hof de woorden “van verdovende middelen” ingelezen, nu uit de verwijzing naar artikel 3 onder A en/of B in de tenlastelegging en de aan de verdachte in dat verband verweten feitelijke handelingen blijkt dat dit feit volgens de steller van de tenlastelegging betrekking heeft op verdovende middelen.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:
de deelneming aan een criminele organisatie in Curaçao, Nederland en/of elders ter wereld in de periode 1 januari 2015 tot en met 8 februari 2021;
Feit 2
primair
: het medeplegen van uitlokking van de poging tot moord/doodslag op
[slachtoffer] op 8 april 2016 in Saint Martin, gepleegd in de periode 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Saint Martin, Groot-Brittannië en/of elders ter wereld;
subsidiair
: de medeplichtigheid aan uitlokking van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer], gepleegd in diezelfde periode;
Feit 4:
het medeplegen van de uitvoer van 30 kilogram cocaïne en/of hennep uit Sint Maarten naar Frankrijk in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020;
Feit 5:
het medeplegen van de uitvoer/invoer van 172 kilogram cocaïne in Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld in de periode 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021;
Feit 6:
het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van opiumdelicten in Curaçao, Sint Maarten, Nederland of elders ter wereld, in de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2021;
Feit 7:
het witwassen van geld in Curaçao op 8 februari 2021.
Vrijspraak van feit 7
Inleiding; verwijt en standpunten partijen
De verdachte wordt verweten dat hij zich op 8 februari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een drietal geldbedragen in verschillende valuta, te weten EUR 6.535,91, USD 2.019,- en NAf 735,-. Deze geldbedragen zijn in de kluis van zijn hotelkamer in Curaçao aangetroffen.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft verklaard het geld uit Nederland te hebben meegenomen, maar uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in de voorafgaande jaren geen inkomsten heeft genoten. De verklaring die de verdachte pas ter terechtzitting van het Gerecht heeft afgelegd dat hij legaal inkomen genoot uit zijn werk als personal trainer is niet concreet en verifieerbaar. Omdat voldoende omzet/inkomen niet aannemelijk is geworden, is de conclusie gerechtvaardigd dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort samengevat - aangevoerd dat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, die bevestiging vindt in een ter terechtzitting van het Gerecht overgelegde email van [bedrijf]. Het feit dat de verdachte geen administratie heeft bijgehouden maakt dat niet anders en het gaat bovendien – gelet op de leeftijd van de verdachte - niet om een groot bedrag.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Van misdrijf afkomstig
Het Hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 2:404 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Vermoeden van witwassen
Op basis van het dossier kan ten aanzien van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen geen rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald (eigen) misdrijf. Wel stelt het Hof op grond van de volgende feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen vast.
Uit het dossier volgt dat sprake is van betrokkenheid van de verdachte bij de in georganiseerde verband verrichte (internationale) handel in cocaïne. Uit de bewezenverklaring van het ten laste legde onder 1, 4, 5 en 6 en uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet alleen deel uitmaakte van een criminele organisatie, de NLS, die onder meer tot oogmerk had de (internationale) handel in drugs, maar ook een coördinerende rol heeft vervuld bij twee transporten van in totaal ongeveer 200 kilogram cocaïne. Nog los van de rol van de verdachte in de organisatie en de transporten, is het een feit van algemene bekendheid dat in de internationale drugshandel veel contant geld omgaat en met die handel inkomsten worden gegenereerd. Voorts volgt uit het dossier dat de verdachte in de jaren 2015 - 2019 geen inkomsten bij de Belastingdienst heeft opgegeven en zorg- en huurtoeslag ontving. Dit betekent dat er ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft, na bij de politie te hebben gezwegen over zijn inkomsten, ter terechtzitting van het Gerecht verklaard dat het geld dat op 8 februari 2021 in de kluis van zijn hotelkamer was gevonden, zijn spaargeld was dat hij had meegenomen uit Nederland. Hij werkte in Nederland als personal trainer van professionele sporters en verdiende daarmee EUR 65,- per uur. Hij stond sinds 2020 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en had zijn inkomsten nog niet doorgegeven aan de Belastingdienst.
Dictum
Namens de verdachte is in augustus 2021 door zijn toenmalige raadsvrouw een e-mail met bijlagen van het bedrijf [bedrijf] uit Rotterdam overgelegd, die de verklaring van de verdachte lijkt te bevestigen dat hij als trainer professionele sporters begeleidde.
De verklaring van de verdachte dat hij spaargeld heeft meegenomen naar Curaçao (welk spaargeld, zo begrijp het Hof, afkomstig zou zijn uit zijn werkzaamheden als personal trainer) is naar het oordeel van het Hof concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst ongeloofwaardig. Daarbij betrekt het Hof de relatief geringe hoogte van het bedrag. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de juistheid van de verklaring van de verdachte. De vaststelling dat hij inkomsten niet bij de Belastingdienst had opgegeven, volstaat niet om de onjuistheid van de verklaring van de verdachte aan te nemen. Het onderzoek door het openbaar ministerie had – onder meer - kunnen inhouden dat [bedrijf] nader was bevraagd over de omvang en de vergoeding van door verdachte verrichte werkzaamheden en de wijze van uitbetaling. Een dergelijk nader onderzoek is achterwege gebleven. De verklaring van de verdachte kan niet zonder meer als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden gesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Het Hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de in bijlage II bij dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 (voor zover aan de orde), 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij in de periode van 5 november 2015 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao en Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de
‘No Limit Soldiers’ (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1],
[medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
-(uitlokking van) moord/doodslag en/of voorbereidingshandelingen tot moord en andere geweldsdelicten;
-de invoer en/of uitvoer van en de handel in verdovende middelen;
Feit 2 primair:
tot op heden onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer] te hebben geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en anderen, in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland en/of Curaçao en Sint Maarten en/of Saint Martin, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door:
- met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, zijnde de vriendin van [medeverdachte 1], en
- informatie in te winnen over en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn
voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en
- met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, en
- met elkaar te bespreken dat [slachtoffer] verantwoordelijk is voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en
- met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer] dood moet, en
- een geldbedrag vast te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en
- te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer] te doden, en
- een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en
- de tot op heden onbekend gebleven anderen te benaderen en hun de opdracht te geven [slachtoffer] te doden, en
- de betaling van een hoeveelheid wiet te verrichten aan die tot op heden onbekend gebleven anderen;
Feit 4:
hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk uit Sint Maarten heeft uitgevoerd en in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van
de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 5:
hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 6:
hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te, Sint Maarten, Nederland en elders in de wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens, om een feit bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960 te weten het opzettelijk uitvoeren en invoeren van verdovende middelen voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, de verdachte en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende hij verdachte:
- PGP telefoons en telefoons voorhanden gehad en met die telefoons contacten onderhouden met anderen over het uitvoeren en invoeren van verdovende middelen, en
- gecommuniceerd met anderen over de betalingen en de hoeveelheden van de verdovende middelen die uitgevoerd en ingevoerd moesten worden, en
- gesprekken gevoerd over het verzenden en de aankomst en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en de prijzen voor die verdovende middelen, en
- een chauffeur benaderd en/of geregeld die de verdovende middelen uit de containers moest halen en de verdovende middelen verder moest vervoeren, en
- personen benaderd en/of geregeld en/of aangestuurd die de verdovende middelen uit de containers moesten halen en/of moesten ophalen en
- onderhandelingen gevoerd over de prijs en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en het doorverkopen van die verdovende middelen, en
- onderhandelingen gevoerd met personen die de verdovende middelen zouden afnemen, en
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). Omwille van de leesbaarheid is de volgorde op enkele punten aangepast.
Bewijsmiddelen
Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren
Feit 1: deelneming criminele organisatie
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een criminele organisatie en evenmin dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.
Dictum
Namens de verdachte is in augustus 2021 door zijn toenmalige raadsvrouw een e-mail met bijlagen van het bedrijf [bedrijf] uit Rotterdam overgelegd, die de verklaring van de verdachte lijkt te bevestigen dat hij als trainer professionele sporters begeleidde.
De verklaring van de verdachte dat hij spaargeld heeft meegenomen naar Curaçao (welk spaargeld, zo begrijp het Hof, afkomstig zou zijn uit zijn werkzaamheden als personal trainer) is naar het oordeel van het Hof concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst ongeloofwaardig. Daarbij betrekt het Hof de relatief geringe hoogte van het bedrag. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de juistheid van de verklaring van de verdachte. De vaststelling dat hij inkomsten niet bij de Belastingdienst had opgegeven, volstaat niet om de onjuistheid van de verklaring van de verdachte aan te nemen. Het onderzoek door het openbaar ministerie had – onder meer - kunnen inhouden dat [bedrijf] nader was bevraagd over de omvang en de vergoeding van door verdachte verrichte werkzaamheden en de wijze van uitbetaling. Een dergelijk nader onderzoek is achterwege gebleven. De verklaring van de verdachte kan niet zonder meer als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden gesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Het Hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de in bijlage II bij dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 (voor zover aan de orde), 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij in de periode van 5 november 2015 tot en met 8 februari 2021 in Curaçao en Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie zich noemende de
‘No Limit Soldiers’ (NLS), bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de verdachte, [medeverdachte 1],
[medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
-(uitlokking van) moord/doodslag en/of voorbereidingshandelingen tot moord en andere geweldsdelicten;
-de invoer en/of uitvoer van en de handel in verdovende middelen;
Feit 2 primair:
tot op heden onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer] te hebben geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en anderen, in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland en/of Curaçao en Sint Maarten en/of Saint Martin, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door:
- met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, zijnde de vriendin van [medeverdachte 1], en
- informatie in te winnen over en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn
voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en
- met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [vriendin medeverdachte 1] op 5 november 2015 te Saint Martin, en
- met elkaar te bespreken dat [slachtoffer] verantwoordelijk is voor de dood van [vriendin medeverdachte 1], en
- met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer] dood moet, en
- een geldbedrag vast te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en
- te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer] te doden, en
- een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer], en
- de tot op heden onbekend gebleven anderen te benaderen en hun de opdracht te geven [slachtoffer] te doden, en
- de betaling van een hoeveelheid wiet te verrichten aan die tot op heden onbekend gebleven anderen;
Feit 4:
hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk uit Sint Maarten heeft uitgevoerd en in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van
de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 5:
hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 6:
hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te, Sint Maarten, Nederland en elders in de wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens, om een feit bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumlandsverordening 1960 te weten het opzettelijk uitvoeren en invoeren van verdovende middelen voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en anderen gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, de verdachte en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende hij verdachte:
- PGP telefoons en telefoons voorhanden gehad en met die telefoons contacten onderhouden met anderen over het uitvoeren en invoeren van verdovende middelen, en
- gecommuniceerd met anderen over de betalingen en de hoeveelheden van de verdovende middelen die uitgevoerd en ingevoerd moesten worden, en
- gesprekken gevoerd over het verzenden en de aankomst en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en de prijzen voor die verdovende middelen, en
- een chauffeur benaderd en/of geregeld die de verdovende middelen uit de containers moest halen en de verdovende middelen verder moest vervoeren, en
- personen benaderd en/of geregeld en/of aangestuurd die de verdovende middelen uit de containers moesten halen en/of moesten ophalen en
- onderhandelingen gevoerd over de prijs en de verdeling in percentages van de verdovende middelen en het doorverkopen van die verdovende middelen, en
- onderhandelingen gevoerd met personen die de verdovende middelen zouden afnemen, en
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). Omwille van de leesbaarheid is de volgorde op enkele punten aangepast.
Bewijsmiddelen
Voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren
Feit 1: deelneming criminele organisatie
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een criminele organisatie en evenmin dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.