Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-07-01
ECLI:NL:OGHACMB:2025:170
Bestuursrecht
Bodemzaak
6,356 tokens
Inleiding
CUR2024H00131 en CUR2024H00136
Datum uitspraak: 1 juli 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraak op de hoger beroepen van:
Fundashon Pro Monumento (hierna: FPM) en Amigu di Tera (hierna: AdT), beide gevestigd in Curaçao,
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 april 2024 in zaken nrs. CUR202301905 en CUR202304284, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 10 mei 2023 heeft de minister aan Royal Holding Company II B.V. (hierna: de vergunninghouder) een vergunning verleend krachtens de Landsverordening maritiem beheer voor het aanleggen van een golfbreker, een verversingsduiker en een brug in de territoriale zee (hierna: de vergunning maritiem beheer).
Bij beschikking van 12 mei 2023 heeft de minister aan de vergunninghouder een vergunning verleend krachtens de Bouw- en Woningverordening (hierna: Bwv) voor de aanleg van een beweegbare brug en een golfbreker (hierna: de bouwvergunning).
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft het Gerecht de door FPM en AdT ingestelde beroepen ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de bouwvergunning (CUR202301905) en niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de vergunning maritiem beheer (CUR202304284).
Tegen deze uitspraak hebben FPM en AdT hoger beroepen ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 mei 2025. FPM en AdT werden vertegenwoordigd door hun bestuursvoorzitters D. Klaus (FPM) en Y. Raveneau (AdT). De minister werd vertegenwoordigd door mr. G.N. Hollander, werkzaam bij het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, en de vergunninghouder werd vertegenwoordigd door mr. M.R. Hammoud, advocaat.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een bouwvergunning en een vergunning maritiem beheer, die zijn aangevraagd ten behoeve van de realisatie van een jachthaven in het gebied van de lagune Zakitó. De ontwikkeling van dit gebied wordt uitgevoerd in verschillende fases en daarmee zijn meerdere vergunningstrajecten gemoeid. Zo zijn er onder andere vergunningen afgegeven voor de bouw van acht woontorens en voor een ontheffing krachtens de Rifbeheersverordening. Verder is het de bedoeling om een steiger te bouwen voor de aanleg van jachten en om het binnenwater uit te baggeren in verband met vervuiling van het water. Daarover gaat deze uitspraak niet.
1.1. Het Hof beoordeelt in deze uitspraak het oordeel van het Gerecht dat FPM en AdT het beroep tegen de vergunning maritiem beheer te laat hebben ingesteld. Daarna beoordeelt het Hof de overweging van het Gerecht dat het beroep tegen de bouwvergunning ongegrond is omdat de vraag of de brug sterk genoeg is om een brandweerauto te dragen niet van belang is voor het afgeven van de bouwvergunning.
De vergunning maritiem beheer
2. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat FPM en AdT te laat beroep hebben ingesteld tegen de vergunning maritiem beheer en dat die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het Hof legt dit oordeel hieronder uit.
2.1. Artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) schrijft voor dat in een beroepschrift een duidelijke omschrijving wordt gegeven van de beschikking waartegen het beroep is gericht. FPM en AdT hebben op 20 juni 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht, maar in dat beroepschrift wordt alleen gesproken over de bouwvergunning. Het op 20 juni 2023 ingestelde beroep kan daarom niet worden gezien als een beroep dat (ook) gericht is tegen de vergunning maritiem beheer. Niet in geschil is dat FPM en AdT op 7 augustus 2023 bekend zijn geworden met de vergunning maritiem beheer, die op 13 mei 2023 aan de vergunninghouder is uitgereikt. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, hebben FPM en AdT de vergunning maritiem beheer pas genoemd op 21 september 2023, toen zij de aanvullende gronden van het beroep tegen de bouwvergunning indienden. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat dit het moment is waarop FPM en AdT beroep hebben ingesteld tegen de vergunning maritiem beheer. Pas op dat moment voldeden zij namelijk aan artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Lar, voor zover het gaat over de vergunning maritiem beheer.
2.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie de uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:14) is een belanghebbende in een situatie als deze in ieder geval niet verwijtbaar te laat met het instellen van het beroep als hij dat doet binnen zes weken nadat hij bekend is geworden met de desbetreffende beschikking. FPM en AdT hebben het beroep ingesteld zes weken en drie dagen nadat zij bekend zijn geworden met de vergunning maritiem beheer. In wat zij hebben aangevoerd ziet het Hof geen grond voor het oordeel dat zij dat niet binnen zes weken hadden kunnen doen. FPM en AdT wijzen erop dat zij geen juridische opleiding hebben gevolgd, maar dat is geen omstandigheid die maakt dat het verschoonbaar is dat zij meer dan zes weken nadat zij bekend werden met de beschikking daartegen beroep instelden. Deze omstandigheid geldt immers voor de meeste burgers die zonder beroepsmatige procesvertegenwoordiging een bestuursrechtelijke procedure voeren. Daarom waren zij verwijtbaar te laat met het instellen van het beroep.
2.3. Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht het beroep tegen de vergunning maritiem beheer terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt niet.
De bouwvergunning
De beweegbare brug
3. Het Gerecht heeft de beroepsgrond van FPM en AdT, dat de constructie van de beweegbare brug niet sterk genoeg is om brandweerauto’s over te laten rijden, beoordeeld als een beroep op de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 2, van de Bwv. Uit die bepaling volgt dat de minister een bouwvergunning kan weigeren als het gebouw een gevaar oplevert voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving, in verband met de toegepaste bouwwijze en de hechtheid. Het Gerecht heeft over deze beroepsgrond overwogen dat de in de vergunning gestelde voorwaarde dat de constructie van de brug een brandweerauto moet kunnen dragen, zijn betekenis heeft verloren. De minister heeft namelijk op de zitting bij het Gerecht toegelicht dat het niet nodig is dat brandweerauto’s over de brug rijden, omdat de brug niet gebruikt hoeft te worden om alle delen van het gebied Zakitó te kunnen bereiken. Gelet op deze toelichting heeft het Gerecht geoordeeld dat de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 2, zich niet voordoet. Omdat ook niet is gebleken dat er een andere weigeringsgrond uit dat artikel is, heeft de minister de gevraagde bouwvergunning terecht verleend, aldus het Gerecht.
3.1.
FPM en AdT brengen hier tegenin dat de minister niet met een mondelinge toelichting van de ministeriële beschikking kan afwijken, omdat dat tot willekeur leidt. Daarnaast betogen zij dat door schending van dit vergunningsvoorschrift problemen kunnen ontstaan als een boot in de vaargeul vast blijft zitten terwijl brand uitbreekt op de boot dan wel als een brandende boot afdrijft richting de brug. Zij betogen dat de brandweer nog hierover zou moeten adviseren.
3.2.
Artikel 22 van de Bwv bepaalt dat een beslissing tot het verlenen van een voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering slechts gegrond kan zijn op een of meer van de volgende omstandigheden:“1. dat de aanvraag, de tekening, de omschrijving of het gebouw of gebouwsgedeelte niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening gegeven;2. dat het gebouw ook in verband met de toegepaste bouwwijze niet zodanige hechtheid kan geacht worden te zullen bezitten, dat het voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving geen gevaar oplevert; 3. dat de afmetingen der vertrekken of der trappen, of het aantal of de inrichting der privaten, of het aantal toegangswegen voor licht en lucht onvoldoende te achten zijn;4. dat het gebruik van het gebouw of gebouwsgedeelte schadelijk voor de openbare gezondheid of voor de gezondheid van de gebruikers te achten is;5. dat het gebouw of gebouwsgedeelte wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zijn zal;6. dat de weg, waaraan de woning zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen, welke betreffende het tracé, de breedte en de constructie daarvan, rekening houdende met de aard der woning en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de gouvernementsdiensten, gesteld worden;7. het gebruik van het gebouw dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het gebouw bevindende of in het gebouw te realiseren faciliteiten, gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door haar verkeersaantrekkend karakter de omgeving overlast zal bezorgen;8. dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen;9. dat voor het bouwplan een vergunning ingevolge de Monumentenlandsverordening 1989 is vereist en deze niet is verleend.”
3.3.
De voorwaarde in artikel 2, eerste lid, van de bouwvergunning, dat de aan te leggen beweegbare brug dient te zijn berekend op incidenteel berijden door een brandweerauto, raakt niet aan de hiervoor weergegeven gronden uit de Bwv om de vergunning te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden. Zoals namens de minister en de vergunninghouder op de zitting is toegelicht en door appellanten niet is betwist, gaat het om een brug die is bedoeld voor gebruik door voetgangers.
Conclusie
4. Het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. CUR202304284 (over de vergunning maritiem beheer) is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt in zoverre bevestigd.
4.1.
Het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. CUR202301905 (over de bouwvergunning) is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de beweegbare brug. Dit gedeelte van de uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep is gegrond voor zover dat gericht is tegen onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023, dat de beweegbare brug berekend dient te zijn op incidenteel berijden door een brandweerauto. De beschikking van 12 mei 2023 wordt vernietigd voor zover daarin dit onderdeel is opgenomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 april 2024 in zaak nr. CUR202304284;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 april 2024 in zaak nr. CUR202301905 voor zover deze betrekking heeft op de bouwvergunning voor de beweegbare brug;
III. verklaart het beroep in zaak nr. CUR202301905 gegrond, voor zover gericht tegen onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023, dat de beweegbare brug berekend dient te zijn op incidenteel berijden door een brandweerauto;
IV. vernietigt onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023;
V. gelast dat de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning aan FPM en AdT het door hen voor de behandeling van de beroepen en hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 900,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2025.
Inleiding
CUR2024H00131 en CUR2024H00136
Datum uitspraak: 1 juli 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraak op de hoger beroepen van:
Fundashon Pro Monumento (hierna: FPM) en Amigu di Tera (hierna: AdT), beide gevestigd in Curaçao,
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 april 2024 in zaken nrs. CUR202301905 en CUR202304284, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 10 mei 2023 heeft de minister aan Royal Holding Company II B.V. (hierna: de vergunninghouder) een vergunning verleend krachtens de Landsverordening maritiem beheer voor het aanleggen van een golfbreker, een verversingsduiker en een brug in de territoriale zee (hierna: de vergunning maritiem beheer).
Bij beschikking van 12 mei 2023 heeft de minister aan de vergunninghouder een vergunning verleend krachtens de Bouw- en Woningverordening (hierna: Bwv) voor de aanleg van een beweegbare brug en een golfbreker (hierna: de bouwvergunning).
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft het Gerecht de door FPM en AdT ingestelde beroepen ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de bouwvergunning (CUR202301905) en niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de vergunning maritiem beheer (CUR202304284).
Tegen deze uitspraak hebben FPM en AdT hoger beroepen ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 mei 2025. FPM en AdT werden vertegenwoordigd door hun bestuursvoorzitters D. Klaus (FPM) en Y. Raveneau (AdT). De minister werd vertegenwoordigd door mr. G.N. Hollander, werkzaam bij het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, en de vergunninghouder werd vertegenwoordigd door mr. M.R. Hammoud, advocaat.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een bouwvergunning en een vergunning maritiem beheer, die zijn aangevraagd ten behoeve van de realisatie van een jachthaven in het gebied van de lagune Zakitó. De ontwikkeling van dit gebied wordt uitgevoerd in verschillende fases en daarmee zijn meerdere vergunningstrajecten gemoeid. Zo zijn er onder andere vergunningen afgegeven voor de bouw van acht woontorens en voor een ontheffing krachtens de Rifbeheersverordening. Verder is het de bedoeling om een steiger te bouwen voor de aanleg van jachten en om het binnenwater uit te baggeren in verband met vervuiling van het water. Daarover gaat deze uitspraak niet.
1.1. Het Hof beoordeelt in deze uitspraak het oordeel van het Gerecht dat FPM en AdT het beroep tegen de vergunning maritiem beheer te laat hebben ingesteld. Daarna beoordeelt het Hof de overweging van het Gerecht dat het beroep tegen de bouwvergunning ongegrond is omdat de vraag of de brug sterk genoeg is om een brandweerauto te dragen niet van belang is voor het afgeven van de bouwvergunning.
De vergunning maritiem beheer
2. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat FPM en AdT te laat beroep hebben ingesteld tegen de vergunning maritiem beheer en dat die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het Hof legt dit oordeel hieronder uit.
2.1. Artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) schrijft voor dat in een beroepschrift een duidelijke omschrijving wordt gegeven van de beschikking waartegen het beroep is gericht. FPM en AdT hebben op 20 juni 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht, maar in dat beroepschrift wordt alleen gesproken over de bouwvergunning. Het op 20 juni 2023 ingestelde beroep kan daarom niet worden gezien als een beroep dat (ook) gericht is tegen de vergunning maritiem beheer. Niet in geschil is dat FPM en AdT op 7 augustus 2023 bekend zijn geworden met de vergunning maritiem beheer, die op 13 mei 2023 aan de vergunninghouder is uitgereikt. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, hebben FPM en AdT de vergunning maritiem beheer pas genoemd op 21 september 2023, toen zij de aanvullende gronden van het beroep tegen de bouwvergunning indienden. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat dit het moment is waarop FPM en AdT beroep hebben ingesteld tegen de vergunning maritiem beheer. Pas op dat moment voldeden zij namelijk aan artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Lar, voor zover het gaat over de vergunning maritiem beheer.
2.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie de uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:14) is een belanghebbende in een situatie als deze in ieder geval niet verwijtbaar te laat met het instellen van het beroep als hij dat doet binnen zes weken nadat hij bekend is geworden met de desbetreffende beschikking. FPM en AdT hebben het beroep ingesteld zes weken en drie dagen nadat zij bekend zijn geworden met de vergunning maritiem beheer. In wat zij hebben aangevoerd ziet het Hof geen grond voor het oordeel dat zij dat niet binnen zes weken hadden kunnen doen. FPM en AdT wijzen erop dat zij geen juridische opleiding hebben gevolgd, maar dat is geen omstandigheid die maakt dat het verschoonbaar is dat zij meer dan zes weken nadat zij bekend werden met de beschikking daartegen beroep instelden. Deze omstandigheid geldt immers voor de meeste burgers die zonder beroepsmatige procesvertegenwoordiging een bestuursrechtelijke procedure voeren. Daarom waren zij verwijtbaar te laat met het instellen van het beroep.
2.3. Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht het beroep tegen de vergunning maritiem beheer terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt niet.
De bouwvergunning
De beweegbare brug
3. Het Gerecht heeft de beroepsgrond van FPM en AdT, dat de constructie van de beweegbare brug niet sterk genoeg is om brandweerauto’s over te laten rijden, beoordeeld als een beroep op de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 2, van de Bwv. Uit die bepaling volgt dat de minister een bouwvergunning kan weigeren als het gebouw een gevaar oplevert voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving, in verband met de toegepaste bouwwijze en de hechtheid. Het Gerecht heeft over deze beroepsgrond overwogen dat de in de vergunning gestelde voorwaarde dat de constructie van de brug een brandweerauto moet kunnen dragen, zijn betekenis heeft verloren. De minister heeft namelijk op de zitting bij het Gerecht toegelicht dat het niet nodig is dat brandweerauto’s over de brug rijden, omdat de brug niet gebruikt hoeft te worden om alle delen van het gebied Zakitó te kunnen bereiken. Gelet op deze toelichting heeft het Gerecht geoordeeld dat de weigeringsgrond uit artikel 22, aanhef en onder 2, zich niet voordoet. Omdat ook niet is gebleken dat er een andere weigeringsgrond uit dat artikel is, heeft de minister de gevraagde bouwvergunning terecht verleend, aldus het Gerecht.
3.1.
FPM en AdT brengen hier tegenin dat de minister niet met een mondelinge toelichting van de ministeriële beschikking kan afwijken, omdat dat tot willekeur leidt. Daarnaast betogen zij dat door schending van dit vergunningsvoorschrift problemen kunnen ontstaan als een boot in de vaargeul vast blijft zitten terwijl brand uitbreekt op de boot dan wel als een brandende boot afdrijft richting de brug. Zij betogen dat de brandweer nog hierover zou moeten adviseren.
3.2.
Artikel 22 van de Bwv bepaalt dat een beslissing tot het verlenen van een voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering slechts gegrond kan zijn op een of meer van de volgende omstandigheden:“1. dat de aanvraag, de tekening, de omschrijving of het gebouw of gebouwsgedeelte niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening gegeven;2. dat het gebouw ook in verband met de toegepaste bouwwijze niet zodanige hechtheid kan geacht worden te zullen bezitten, dat het voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving geen gevaar oplevert; 3. dat de afmetingen der vertrekken of der trappen, of het aantal of de inrichting der privaten, of het aantal toegangswegen voor licht en lucht onvoldoende te achten zijn;4. dat het gebruik van het gebouw of gebouwsgedeelte schadelijk voor de openbare gezondheid of voor de gezondheid van de gebruikers te achten is;5. dat het gebouw of gebouwsgedeelte wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zijn zal;6. dat de weg, waaraan de woning zal komen te liggen, niet voldoet aan de eisen, welke betreffende het tracé, de breedte en de constructie daarvan, rekening houdende met de aard der woning en de eis van begaanbaarheid van de weg voor de gouvernementsdiensten, gesteld worden;7. het gebruik van het gebouw dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het gebouw bevindende of in het gebouw te realiseren faciliteiten, gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door haar verkeersaantrekkend karakter de omgeving overlast zal bezorgen;8. dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen;9. dat voor het bouwplan een vergunning ingevolge de Monumentenlandsverordening 1989 is vereist en deze niet is verleend.”
3.3.
De voorwaarde in artikel 2, eerste lid, van de bouwvergunning, dat de aan te leggen beweegbare brug dient te zijn berekend op incidenteel berijden door een brandweerauto, raakt niet aan de hiervoor weergegeven gronden uit de Bwv om de vergunning te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden. Zoals namens de minister en de vergunninghouder op de zitting is toegelicht en door appellanten niet is betwist, gaat het om een brug die is bedoeld voor gebruik door voetgangers.
Conclusie
4. Het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. CUR202304284 (over de vergunning maritiem beheer) is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt in zoverre bevestigd.
4.1.
Het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. CUR202301905 (over de bouwvergunning) is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de beweegbare brug. Dit gedeelte van de uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep is gegrond voor zover dat gericht is tegen onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023, dat de beweegbare brug berekend dient te zijn op incidenteel berijden door een brandweerauto. De beschikking van 12 mei 2023 wordt vernietigd voor zover daarin dit onderdeel is opgenomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 april 2024 in zaak nr. CUR202304284;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 april 2024 in zaak nr. CUR202301905 voor zover deze betrekking heeft op de bouwvergunning voor de beweegbare brug;
III. verklaart het beroep in zaak nr. CUR202301905 gegrond, voor zover gericht tegen onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023, dat de beweegbare brug berekend dient te zijn op incidenteel berijden door een brandweerauto;
IV. vernietigt onderdeel 1 van artikel 2 van de beschikking van 12 mei 2023;
V. gelast dat de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning aan FPM en AdT het door hen voor de behandeling van de beroepen en hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 900,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2025.