Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-05-14
ECLI:NL:OGHACMB:2025:169
Civiel recht
Hoger beroep
5,732 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM202401035 – SXM2024H00143
Uitspraak: 14 mei 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
de naamloze vennootschap CARIBBEAN ARCHITECTURAL TECHNOLOGY N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg niet verschenen,
thans appellante,
hierna te noemen: CAT,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg verzoeker,
thans geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. F.K. Kutluer.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij appelschrift met producties van 29 oktober 2024, ingediend ter griffie op 1 november 2024, is CAT in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 11 oktober 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht).
1.2 [
geïntimeerde] heeft op 13 maart 2025 een verweerschrift met producties ingediend.
1.3
Op 18 maart 2025 heeft in het gerechtsgebouw te Sint Maarten een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn mevrouw [managing director CAT], managing director van CAT, bijgestaan door de gemachtigde van CAT en [geïntimeerde], bijgestaan door zijn gemachtigde. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord. De gemachtigde van CAT heeft een pleitnota overgelegd. De gemachtigden hebben op voorhand producties naar het Hof en de wederpartij gestuurd.
1.4
Beschikking is aangezegd, waarvan de uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
CAT houdt zich bezig met projectmanagement op het gebied van bouwwerkzaamheden. Mevrouw [managing director CAT] (hierna: [managing director CAT]) is managing director van CAT.
2.2 [
geïntimeerde] en [managing director CAT] zijn op 19 september 2012 met elkaar getrouwd in [land]. Uit dit huwelijk is geboren de thans nog minderjarige [minderjarige]. [geïntimeerde] heeft de [nationaliteit] nationaliteit.
2.3
Sinds maart 2023 wonen partijen niet meer samen. Bij beschikking van 2 september 2024 is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Die beschikking is op 11 september 2024 ingeschreven bij de griffie van het Gerecht.
2.3
Bij brief van 11 september 2023 heeft [managing director CAT] de immigratiedienst als volgt bericht:
“ (…) In my capacity as Managing Director of Caribbean Architectural Technology N.V., hereby confirm that (…) [geïntimeerde]has been in our employ since November 1, 2021. Mr. [geïntimeerde] holds the position of manager and is entitled to a gross monthly salary of NAfl: 2,636.54 for the year 2022.”
2.4
In het dossier bevindt zich een loonbelastingkaart 2022 waarop staat dat [geïntimeerde] in loondienst is van CAT met vermelding van een bruto jaarsalaris van NAf 32.400.
2.5
Bij e-mail van 8 maart 2024 heeft [geïntimeerde] [managing director CAT] bericht dat zijn salaris over de maanden januari tot en met december 2023, en januari en februari 2024 niet is betaald en sommeert hij tot betaling van US$ 21.000,- binnen 30 dagen.
2.6
In het dossier bevinden zich credit card afschriften waaruit blijkt dat ten laste van [geïntimeerde] de volgende bedragen zijn afgeboekt: 23 maart 2023: US$ 1.040, 25 mei 2023: US$ 520, 15 augustus 2023: US$ 520 en 22 augustus 2023: US$ 260.
Procesverloop
3.1 [
geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat-:
a. doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2023 van tenminste NAf 2.700, althans US$ 1.500,- per maand totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met wettelijke verhoging;
b. een bevel tot overlegging van alle loonstroken vanaf 1 november 2021 op straffe van een dwangsom van US$ 500,- per dag;
c. CAT te veroordelen tot betaling van US$ 2.340,-;
d. CAT te veroordelen in de proceskosten.
3.2
Het Gerecht heeft, nu CAT niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, de verzoeken toegewezen waarbij de dwangsom is gemaximeerd op US$ 5.000,- en de wettelijke verhoging is vastgesteld op 20%.
Beoordeling
4.1
In deze zaak is de centrale vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, zoals [geïntimeerde] stelt en CAT gemotiveerd betwist. Een schriftelijke overeenkomst is niet in het geding gebracht.
4.2
Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst (ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 en ECLI:NL:HR:2020:1746). De bedoeling van partijen speelt geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
4.3
De vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Welke rechten en verplichtingen stonden partijen voor ogen, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
4.4 [
geïntimeerde] heeft het volgende gesteld. Partijen zijn in november 2021 een arbeidsovereenkomst aangegaan. Deze hield in dat [geïntimeerde] in de functie van manager een salaris zou ontvangen van US$ 1.500 (NAf 2.700) per maand. Omdat [geïntimeerde] vanwege de zorg voor het kind van partijen flexibiliteit wenste en omdat hij zijn vrouw wilde ondersteunen in haar werk, heeft hij ervoor gekozen om bij CAT te werken. [geïntimeerde] voerde uit wat hem werd gevraagd. Hij verzorgde alle Amazon-bestellingen zoals voor de auto’s van CAT, hij ging naar de cargoservice en de garage en kocht kantoorspullen. Ook regelde hij alle zaken met de Marina waar de boot van CAT lag. Daarnaast gaf hij advies. [geïntimeerde] verwijst in dit verband naar de hiervoor onder 2.3 en 2.4 genoemde brief van CAT aan de immigratiedienst van 11 september 2023 en de loonbelastingkaart 2022. Om bankkosten te besparen werd [geïntimeerde] niet maandelijks betaald maar stortte CAT om de drie maanden een bedrag van US$ 4.500 (3x1.500) op zijn rekening. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk gesteld dat hij deeltijd werkte bij CAT. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gaf [geïntimeerde] aan dat het een voltijd baan betrof.
4.5
CAT betwist dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Zij stelt hiertoe het volgende. [geïntimeerde] heeft de [nationaliteit] nationaliteit, zodat hij zich als vreemdeling dient aan te melden bij de immigratie en naturalisatiedienst. Om in aanmerking te komen voor een vergunning tot tijdelijk verblijf had hij een baan nodig en een nationale verzekering. Nadat partijen al niet meer samen woonden, heeft [geïntimeerde] [managing director CAT] verzocht om een ‘job letter’ voor zijn nieuwe immigratieaanvraag. Omdat hij de vader is van haar kind was [managing director CAT] vanzelfsprekend bereid hem daarmee te helpen. Zij heeft [geïntimeerde] op de loonlijst van CAT geplaatst en de hiervoor genoemde brief naar de immigratiedienst gestuurd. [geïntimeerde] heeft nooit (advies) werkzaamheden voor CAT verricht. Het was een bewuste keuze van [geïntimeerde] om niet te werken. Omdat hij thuis was, deed hij boodschappen en het huishouden, zorgde hij ervoor dat de gezinsauto naar de garage werd gebracht en knapte hij de privé boot op. De auto en de boot stonden weliswaar op naam van CAT, maar dat was vanwege belastingtechnische redenen. CAT betwist dat [geïntimeerde] kantoorspullen voor haar heeft gekocht. De door [geïntimeerde] genoemde taken hadden betrekking op het gezamenlijk huishouden van partijen en betroffen geen arbeid voor CAT. Hiernaast geldt dat [geïntimeerde] een financiële opleiding en ervaring heeft op financieel gebied, terwijl CAT geen financiële diensten verleent. CAT geeft bouwkundig advies en op dat gebied heeft [geïntimeerde] geen expertise. Omdat er geen arbeidsovereenkomst was en [geïntimeerde] geen werkzaamheden heeft verricht voor CAT, zijn er geen salarisstroken. Weliswaar zijn er overboekingen gedaan van CAT naar [geïntimeerde], maar deze hielden geen verband met door [geïntimeerde] voor CAT verrichte werkzaamheden. De overboekingen hadden betrekking op boodschappen en online bestellingen via Amazon voor het huishouden van [managing director CAT] en [geïntimeerde]. [managing director CAT heeft de daarmee verband houdende kosten via CAT aan [geïntimeerde] betaald. Het klopt ten slotte niet dat [geïntimeerde] meerdere malen mondeling om betaling van salaris heeft verzocht voordat hij de schriftelijke aanmaning stuurde, aldus CAT.
4.6
Het lag, gelet op de gemotiveerde betwisting door CAT op de weg van [geïntimeerde] om zijn stellingen nader te onderbouwen en eventueel bewijs aan te bieden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en de door [geïntimeerde] in dat verband voorgeschoten kosten. [geïntimeerde] heeft nagelaten zijn stellingen met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, wat hij heeft aangevoerd is in het licht van het verweer van CAT daarvoor onvoldoende. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Niet is dus komen vast te staan dat partijen zodanige rechten en verplichtingen zijn overeengekomen dat voldaan is aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat de verzoeken van [geïntimeerde], die zijn gebaseerd op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet toewijsbaar zijn. Hetgeen over en weer is gesteld over de vereisten om in aanmerking te komen voor een tijdelijke verblijfsvergunning behoeft gelet hierop en op voormeld toetsingskader geen verdere bespreking.
4.7
Het hoger beroep slaagt. De bestreden beschikking zal worden vernietigd en de verzoeken van [geïntimeerde] worden alsnog afgewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
Dictum
Het Hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:
wijst het verzochte af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van CAT gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Cg 900,- aan verschotten en Cg 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2025 in Curacao, in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM202401035 – SXM2024H00143
Uitspraak: 14 mei 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
de naamloze vennootschap CARIBBEAN ARCHITECTURAL TECHNOLOGY N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg niet verschenen,
thans appellante,
hierna te noemen: CAT,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg verzoeker,
thans geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. F.K. Kutluer.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij appelschrift met producties van 29 oktober 2024, ingediend ter griffie op 1 november 2024, is CAT in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 11 oktober 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht).
1.2 [
geïntimeerde] heeft op 13 maart 2025 een verweerschrift met producties ingediend.
1.3
Op 18 maart 2025 heeft in het gerechtsgebouw te Sint Maarten een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn mevrouw [managing director CAT], managing director van CAT, bijgestaan door de gemachtigde van CAT en [geïntimeerde], bijgestaan door zijn gemachtigde. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord. De gemachtigde van CAT heeft een pleitnota overgelegd. De gemachtigden hebben op voorhand producties naar het Hof en de wederpartij gestuurd.
1.4
Beschikking is aangezegd, waarvan de uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
CAT houdt zich bezig met projectmanagement op het gebied van bouwwerkzaamheden. Mevrouw [managing director CAT] (hierna: [managing director CAT]) is managing director van CAT.
2.2 [
geïntimeerde] en [managing director CAT] zijn op 19 september 2012 met elkaar getrouwd in [land]. Uit dit huwelijk is geboren de thans nog minderjarige [minderjarige]. [geïntimeerde] heeft de [nationaliteit] nationaliteit.
2.3
Sinds maart 2023 wonen partijen niet meer samen. Bij beschikking van 2 september 2024 is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Die beschikking is op 11 september 2024 ingeschreven bij de griffie van het Gerecht.
2.3
Bij brief van 11 september 2023 heeft [managing director CAT] de immigratiedienst als volgt bericht:
“ (…) In my capacity as Managing Director of Caribbean Architectural Technology N.V., hereby confirm that (…) [geïntimeerde]has been in our employ since November 1, 2021. Mr. [geïntimeerde] holds the position of manager and is entitled to a gross monthly salary of NAfl: 2,636.54 for the year 2022.”
2.4
In het dossier bevindt zich een loonbelastingkaart 2022 waarop staat dat [geïntimeerde] in loondienst is van CAT met vermelding van een bruto jaarsalaris van NAf 32.400.
2.5
Bij e-mail van 8 maart 2024 heeft [geïntimeerde] [managing director CAT] bericht dat zijn salaris over de maanden januari tot en met december 2023, en januari en februari 2024 niet is betaald en sommeert hij tot betaling van US$ 21.000,- binnen 30 dagen.
2.6
In het dossier bevinden zich credit card afschriften waaruit blijkt dat ten laste van [geïntimeerde] de volgende bedragen zijn afgeboekt: 23 maart 2023: US$ 1.040, 25 mei 2023: US$ 520, 15 augustus 2023: US$ 520 en 22 augustus 2023: US$ 260.
Procesverloop
3.1 [
geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat-:
a. doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2023 van tenminste NAf 2.700, althans US$ 1.500,- per maand totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met wettelijke verhoging;
b. een bevel tot overlegging van alle loonstroken vanaf 1 november 2021 op straffe van een dwangsom van US$ 500,- per dag;
c. CAT te veroordelen tot betaling van US$ 2.340,-;
d. CAT te veroordelen in de proceskosten.
3.2
Het Gerecht heeft, nu CAT niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, de verzoeken toegewezen waarbij de dwangsom is gemaximeerd op US$ 5.000,- en de wettelijke verhoging is vastgesteld op 20%.
Beoordeling
4.1
In deze zaak is de centrale vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, zoals [geïntimeerde] stelt en CAT gemotiveerd betwist. Een schriftelijke overeenkomst is niet in het geding gebracht.
4.2
Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Waar het om gaat is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst (ECLI:NL:HR:1997:ZC2495 en ECLI:NL:HR:2020:1746). De bedoeling van partijen speelt geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
4.3
De vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Welke rechten en verplichtingen stonden partijen voor ogen, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
4.4 [
geïntimeerde] heeft het volgende gesteld. Partijen zijn in november 2021 een arbeidsovereenkomst aangegaan. Deze hield in dat [geïntimeerde] in de functie van manager een salaris zou ontvangen van US$ 1.500 (NAf 2.700) per maand. Omdat [geïntimeerde] vanwege de zorg voor het kind van partijen flexibiliteit wenste en omdat hij zijn vrouw wilde ondersteunen in haar werk, heeft hij ervoor gekozen om bij CAT te werken. [geïntimeerde] voerde uit wat hem werd gevraagd. Hij verzorgde alle Amazon-bestellingen zoals voor de auto’s van CAT, hij ging naar de cargoservice en de garage en kocht kantoorspullen. Ook regelde hij alle zaken met de Marina waar de boot van CAT lag. Daarnaast gaf hij advies. [geïntimeerde] verwijst in dit verband naar de hiervoor onder 2.3 en 2.4 genoemde brief van CAT aan de immigratiedienst van 11 september 2023 en de loonbelastingkaart 2022. Om bankkosten te besparen werd [geïntimeerde] niet maandelijks betaald maar stortte CAT om de drie maanden een bedrag van US$ 4.500 (3x1.500) op zijn rekening. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk gesteld dat hij deeltijd werkte bij CAT. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gaf [geïntimeerde] aan dat het een voltijd baan betrof.
4.5
CAT betwist dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Zij stelt hiertoe het volgende. [geïntimeerde] heeft de [nationaliteit] nationaliteit, zodat hij zich als vreemdeling dient aan te melden bij de immigratie en naturalisatiedienst. Om in aanmerking te komen voor een vergunning tot tijdelijk verblijf had hij een baan nodig en een nationale verzekering. Nadat partijen al niet meer samen woonden, heeft [geïntimeerde] [managing director CAT] verzocht om een ‘job letter’ voor zijn nieuwe immigratieaanvraag. Omdat hij de vader is van haar kind was [managing director CAT] vanzelfsprekend bereid hem daarmee te helpen. Zij heeft [geïntimeerde] op de loonlijst van CAT geplaatst en de hiervoor genoemde brief naar de immigratiedienst gestuurd. [geïntimeerde] heeft nooit (advies) werkzaamheden voor CAT verricht. Het was een bewuste keuze van [geïntimeerde] om niet te werken. Omdat hij thuis was, deed hij boodschappen en het huishouden, zorgde hij ervoor dat de gezinsauto naar de garage werd gebracht en knapte hij de privé boot op. De auto en de boot stonden weliswaar op naam van CAT, maar dat was vanwege belastingtechnische redenen. CAT betwist dat [geïntimeerde] kantoorspullen voor haar heeft gekocht. De door [geïntimeerde] genoemde taken hadden betrekking op het gezamenlijk huishouden van partijen en betroffen geen arbeid voor CAT. Hiernaast geldt dat [geïntimeerde] een financiële opleiding en ervaring heeft op financieel gebied, terwijl CAT geen financiële diensten verleent. CAT geeft bouwkundig advies en op dat gebied heeft [geïntimeerde] geen expertise. Omdat er geen arbeidsovereenkomst was en [geïntimeerde] geen werkzaamheden heeft verricht voor CAT, zijn er geen salarisstroken. Weliswaar zijn er overboekingen gedaan van CAT naar [geïntimeerde], maar deze hielden geen verband met door [geïntimeerde] voor CAT verrichte werkzaamheden. De overboekingen hadden betrekking op boodschappen en online bestellingen via Amazon voor het huishouden van [managing director CAT] en [geïntimeerde]. [managing director CAT heeft de daarmee verband houdende kosten via CAT aan [geïntimeerde] betaald. Het klopt ten slotte niet dat [geïntimeerde] meerdere malen mondeling om betaling van salaris heeft verzocht voordat hij de schriftelijke aanmaning stuurde, aldus CAT.
4.6
Het lag, gelet op de gemotiveerde betwisting door CAT op de weg van [geïntimeerde] om zijn stellingen nader te onderbouwen en eventueel bewijs aan te bieden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en de door [geïntimeerde] in dat verband voorgeschoten kosten. [geïntimeerde] heeft nagelaten zijn stellingen met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, wat hij heeft aangevoerd is in het licht van het verweer van CAT daarvoor onvoldoende. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Niet is dus komen vast te staan dat partijen zodanige rechten en verplichtingen zijn overeengekomen dat voldaan is aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat de verzoeken van [geïntimeerde], die zijn gebaseerd op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet toewijsbaar zijn. Hetgeen over en weer is gesteld over de vereisten om in aanmerking te komen voor een tijdelijke verblijfsvergunning behoeft gelet hierop en op voormeld toetsingskader geen verdere bespreking.
4.7
Het hoger beroep slaagt. De bestreden beschikking zal worden vernietigd en de verzoeken van [geïntimeerde] worden alsnog afgewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
Dictum
Het Hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:
wijst het verzochte af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van CAT gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Cg 900,- aan verschotten en Cg 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2025 in Curacao, in tegenwoordigheid van de griffier.