Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-19
ECLI:NL:OGHACMB:2025:166
Civiel recht
Hoger beroep
8,324 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM202200461 – SXM2023H00068
Uitspraak: 19 maart 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellante,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [stad], [land],
oorspronkelijk eiser,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.G. Snow.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellante] en [geïntimeerde].
De zaak in het kort
Partijen hebben een liefdesrelatie gehad. Gedurende de relatie heeft [geïntimeerde] [appellante] een aantal goederen geschonken. Ook heeft hij haar een bedrag van US$ 285.380,- geleend. [geïntimeerde] verzoekt in deze procedure vernietiging van de schenkingen en de leningsovereenkomst op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Het Gerecht heeft de leningsovereenkomst vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden en heeft de overige vorderingen afgewezen. In hoger beroep beoordeelt het Hof de vordering tot vernietiging van de leningsovereenkomst opnieuw. Ook beoordeelt het Hof de in hoger beroep door [geïntimeerde] gevorderde ontbinding van de leningsovereenkomst op grond van niet-nakoming.
1Het verloop van de procedure
1.1
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen en op 30 mei 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht). Bij akte van hoger beroep, ingediend op 11 juli 2023, is [appellante] in hoger beroep gekomen van dat vonnis.
1.2
Op 22 augustus 2023 heeft [appellante] een memorie van grieven met producties ingediend waarbij een grief is voorgedragen en toegelicht. [appellante] heeft geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen zal afwijzen, met zijn veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf zeven dagen na de uitspraak.
1.3 [
geïntimeerde] heeft op 11 oktober 2023 een memorie van antwoord ingediend en geconcludeerd dat het Hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel het bestreden vonnis zal bevestigen, althans de leningsovereenkomst van 13 oktober 2021 zal ontbinden c.q. vernietigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.
1.4
Op 15 mei 2024 hebben partijen een pleitnota overgelegd.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
Partijen hebben elkaar voor het eerst ontmoet in december 2020 in het [bedrijf] in Sint Maarten, waar [appellante] werkzaam was.
2.2
Partijen zijn vrij snel daarna gaan samenwonen.
2.3
Vanaf maart 2021 heeft [geïntimeerde] ringen, een halsketting, oorbellen, een bed en zonnebrillen met een totale waarde van ongeveer US$ 25.000,- aan [appellante] geschonken.
2.4
In juni 2021 heeft [geïntimeerde] een nieuwe auto van het merk [het merk] voor [appellante] gekocht met een waarde van US $ 39.385,-.
2.5
Op 5 juli 2021 heeft [geïntimeerde] [appellante] ten huwelijk gevraagd. [appellante] heeft dit verzoek aanvaard. Beide partijen waren toen nog gehuwd met andere partners.
2.6
Gedurende zeven maanden vanaf de maand juli 2021 heeft [geïntimeerde] maandelijks een bedrag van € 4.100,- aan [appellante] betaald ten behoeve van levensonderhoud, zodat zij niet meer hoefde te werken. [appellante] heeft in die maand haar baan bij het [bedrijf] opgezegd.
2.7
Bij notariële akte van 13 oktober 2021 heeft [appellante] tot zekerheid voor de terugbetaling van een door [geïntimeerde] aan haar verstrekte lening van US$ 285.380 het recht van hypotheek verleend op een appartementsrecht (meetbrief 39/2006, appartement A-13) te Cupecoy, Sint Maarten. De lening inclusief rente van 1% per jaar moet uiterlijk 13 oktober 2036 worden terugbetaald in maandelijkse termijnen van US$ 1.521,78, te beginnen op 13 november 2021. Een van de leningsvoorwaarden is dat het appartement zonder toestemming van [geïntimeerde] niet aan derden mag worden verhuurd.
2.8
Op 2 januari 2022 besloot [appellante] weer aan het werk te gaan bij het [het bedrijf].
2.9 [
geïntimeerde] is op 16 januari 2022 naar Duitsland vertrokken.
2.10
Op 21 januari 2022 deelde [appellante] [geïntimeerde] telefonisch mee dat zij de relatie verbrak en afzag van een huwelijk met [geïntimeerde].
2.11
Bij brief van 29 maart 2022 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd tot teruggave van de ringen, oorbellen, auto, zonnebrillen, bed en matras en een bedrag van € 20.500. Ook heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] meegedeeld een verzoek tot ontbinding van de leningsovereenkomst bij het Gerecht te zullen indienen.
2.12
Op 24 maart 2022 heeft [geïntimeerde] conservatoire beslagen doen leggen op de geschonken goederen, de bankrekening en het loon van [appellante].
Procesverloop
3.1 [
geïntimeerde] heeft - na wijziging van eis - gevorderd dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] zal veroordelen tot teruggave van de geldbedragen en goederen die hij haar heeft geschonken, dan wel vergoeding van de waarde daarvan en heeft voorts gevorderd ontbinding van de leningsovereenkoüst van oktober 2021, althans voorzieningen te treffen in goede justitie te bepalen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.2 [
geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat alle door hem gedane schenkingen, inclusief de hypothecaire lening, zijn gedaan onder invloed van dwaling. [geïntimeerde] verkeerde namelijk in de verwachting dat partijen in het huwelijk zouden treden. Subsidiair heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden, omdat [appellante] wist of had moeten weten dat [geïntimeerde] door zijn verliefde toestand is bewogen tot het verrichten van deze schenkingen en zij deze heeft bevorderd, terwijl zij hem daarvan had moeten weerhouden.
3.3
Het Gerecht heeft de leningsovereenkomst vernietigd en [appellante] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van US$ 285.380,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4
Het Gerecht heeft daartoe, samengevat weergegeven, als volgt overwogen. Tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] een vermogend man is zijn de schenkingen niet zodanig uitzonderlijk dat [appellante] wist of had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] door lichtzinnigheid of bijzondere omstandigheden daartoe werd bewogen. De conclusie dat sprake is van misbruik van omstandigheden is niet gerechtvaardigd. Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling (rov. 4.3). Ook ten aanzien van de Honda wordt het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden verworpen (rov. 4.4). [appellante] had [geïntimeerde] er wel van moeten weerhouden om zich voor twee decennia lang te binden aan een hypothecaire lening. [appellante] had immers al enige tijd “second thoughts” ten aanzien van de relatie, terwijl zij begrepen moet hebben dat die er bij [geïntimeerde] niet waren.
Beoordeling
Omvang van het hoger beroep
4.1 [
geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel van het Gerecht dat het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden met betrekking tot de schenking van de ringen, halsketting, oorbellen, een bed, zonnebrillen en de auto wordt verworpen. Hetzelfde geldt voor de afwijzing van de vordering tot terugbetaling van het door [geïntimeerde] betaalde levensonderhoud. Die onderdelen van de vordering van [geïntimeerde] liggen in hoger beroep dan ook niet meer voor.
4.2
De grief van [appellante] is gericht tegen de vernietiging door het Gerecht van de leningsovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden. Het Hof zal ook de overige door [geïntimeerde] aangevoerde gronden behandelen, te weten primair dwaling, subsidiair misbruik van omstandigheden en meer subsidiair ontbinding.
Het beroep op dwaling faalt
4.3
Voor een geslaagd beroep op dwaling is op grond van artikel 6:228 BW vereist dat de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij en dat de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten, de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan.
4.4 [
geïntimeerde] heeft aan het beroep op dwaling ten grondslag gelegd dat hij er bij het aangaan van de leningsovereenkomst vanuit ging dat partijen met elkaar zouden trouwen. Hij zou de schenkingen niet hebben gedaan als hij had geweten dat [appellante] hem voor de gek hield. Voor zover [geïntimeerde] meent dat de leningsovereenkomst een schenking betreft gaat dat niet op, omdat [appellante] zich heeft verbonden het geleende bedrag met rente terug te betalen. Dat het naar zijn zeggen een extreem lage rente betrof doet daar niet aan af. Daarnaast geldt dat [appellante] gemotiveerd heeft betwist dat zij bij het aangaan van de leningsovereenkomst niet meer van plan was met [geïntimeerde] te trouwen en dat zij [geïntimeerde] voor de gek heeft gehouden. [geïntimeerde] heeft van zijn stelling in hoger beroep geen bewijs aangeboden. Het beroep op dwaling faalt daarom.
Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt
4.5
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3: 44 lid 4 BW).
4.6 [
geïntimeerde] heeft aan het beroep op misbruik van omstandigheden het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] had heel goed door dat [geïntimeerde] smoorverliefd was. Er was dus sprake van een ernstige psychische stoornis. Door die heftige verliefdheid is [geïntimeerde] bewogen tot het verrichten van de schenkingen.
4.7
Hevige verliefdheid is een vaak voorkomende en daarmee niet een zo bijzondere omstandigheid dat daaruit zonder meer moet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] daardoor op onregelmatige wijze zou zijn bewogen tot het aangaan van de leningsovereenkomst met [appellante]. Uit niets blijkt dat de verliefdheid van [geïntimeerde] ertoe heeft geleid dat aan zijn wil om de leningsovereenkomst aan te gaan een gebrek kleeft. Van (financiële) afhankelijkheid dan wel onervarenheid aan de zijde van [geïntimeerde] ten opzichte van [appellante] was geen sprake. [geïntimeerde] is immers een ervaren accountant en vermogend. Hetgeen hij stelt duidt er niet op dat [geïntimeerde] zich ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomst in een zwakkere positie bevond dan [appellante]. Hier komt nog bij dat [appellante] onbestreden heeft gesteld dat [geïntimeerde] had voorgesteld dat zij niet bij de bank zou lenen maar bij hem en dat op initiatief van [geïntimeerde] de leningsovereenkomst is vastgelegd in een notariële akte. Dat het overeengekomen leningspercentage lager is dan gebruikelijk leidt in het licht van het voorgaande niet tot een andere conclusie. Anders dan hevige verliefdheid heeft [geïntimeerde] geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3: 44 lid 4 BW. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt.
De overeenkomst wordt ontbonden
4.8 [
geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd met een vordering tot ontbinding van de leningsovereenkomst. [appellante] heeft hierop bij pleidooi kunnen reageren. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Zolang geen eindvonnis is gewezen is de oorspronkelijk eiser zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bevoegd zijn eis te veranderen of te vermeerderen (artikel 109 Rv). Van strijd met de eisen van een goede procesorde is in dit geval geen sprake. Aan het bezwaar van [appellante] tegen de vermeerdering van eis gaat het Hof dan ook voorbij.
4.9 [
geïntimeerde] legt aan zijn vordering tot ontbinding ten grondslag dat [appellante] in strijd met het bepaalde in de leningsovereenkomst het appartement zonder zijn toestemming heeft verhuurd. Partijen hebben het appartement samen uitgezocht en [geïntimeerde] heeft voor de renovatie betaald en het tweepersoonsbed uitgezocht. Partijen hebben het appartement gekocht om er samen te wonen. Vandaar de voorwaarde dat het niet zonder zijn toestemming mocht worden verhuurd. [appellante] laat hiernaast na de huurpenningen af te dragen. Daarnaast is [appellante] vanaf augustus 2023 (productie 18 MvA) in gebreke met de maandelijkse aflossing van de lening.
4.10 [
appellante] betwist dat zij het appartement zonder toestemming van [geïntimeerde] verhuurt. Samen hebben zij besproken om een appartement te kopen en dit te verhuren aan studenten en/of toeristen. Dit was altijd de wens van [appellante]. [geïntimeerde] als zakenman had hier wel oren naar, hij zag het als een investering. [geïntimeerde] heeft zelfs op 25 oktober 2023 naar de consulaire afdeling in Duitsland een mail gestuurd waarbij hij bevestigt dat partijen bezig waren met het kopen van een appartement en dat dit zou worden verhuurd aan studenten en/of toeristen. Zij heeft dit met haar eigen geld opgeknapt. [appellante] betwist ook dat zij in gebreke is met betaling van de aflossingstermijnen. Tot aan juli 2023 heeft [geïntimeerde] iedere maand de aflossingen ontvangen. In augustus 2023 heeft [geïntimeerde] de betaling terug laten storten. Vanaf augustus 2023 heeft [appellante] de maandelijkse aflossingen gestort op een andere rekening.
4.11
Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
4.12
Niet in geschil is dat [appellante] vanaf augustus 2023 de aflossingstermijnen niet meer aan [geïntimeerde] heeft betaald. Blijkens de als productie bij pleidooi overgelegde uitdraai zijn de maandelijkse termijnen gestort op haar spaarrekening.
[geïntimeerde] heeft bij pleidooi in hoger beroep gemotiveerd betwist dat hij de betaling van augustus 2023 heeft geweigerd. [appellante] heeft die stelling niet met stukken onderbouwd noch daarvan bewijs aangeboden.
Dictum
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 14 mei 2025 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld onder 4.13;
bepaalt dat [appellante] de gelegenheid krijgt voor het nemen van een antwoordakte;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 19 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: SXM202200461 – SXM2023H00068
Uitspraak: 19 maart 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellante,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [stad], [land],
oorspronkelijk eiser,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.G. Snow.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellante] en [geïntimeerde].
De zaak in het kort
Partijen hebben een liefdesrelatie gehad. Gedurende de relatie heeft [geïntimeerde] [appellante] een aantal goederen geschonken. Ook heeft hij haar een bedrag van US$ 285.380,- geleend. [geïntimeerde] verzoekt in deze procedure vernietiging van de schenkingen en de leningsovereenkomst op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Het Gerecht heeft de leningsovereenkomst vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden en heeft de overige vorderingen afgewezen. In hoger beroep beoordeelt het Hof de vordering tot vernietiging van de leningsovereenkomst opnieuw. Ook beoordeelt het Hof de in hoger beroep door [geïntimeerde] gevorderde ontbinding van de leningsovereenkomst op grond van niet-nakoming.
1Het verloop van de procedure
1.1
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen en op 30 mei 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht). Bij akte van hoger beroep, ingediend op 11 juli 2023, is [appellante] in hoger beroep gekomen van dat vonnis.
1.2
Op 22 augustus 2023 heeft [appellante] een memorie van grieven met producties ingediend waarbij een grief is voorgedragen en toegelicht. [appellante] heeft geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen zal afwijzen, met zijn veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf zeven dagen na de uitspraak.
1.3 [
geïntimeerde] heeft op 11 oktober 2023 een memorie van antwoord ingediend en geconcludeerd dat het Hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel het bestreden vonnis zal bevestigen, althans de leningsovereenkomst van 13 oktober 2021 zal ontbinden c.q. vernietigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.
1.4
Op 15 mei 2024 hebben partijen een pleitnota overgelegd.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
Partijen hebben elkaar voor het eerst ontmoet in december 2020 in het [bedrijf] in Sint Maarten, waar [appellante] werkzaam was.
2.2
Partijen zijn vrij snel daarna gaan samenwonen.
2.3
Vanaf maart 2021 heeft [geïntimeerde] ringen, een halsketting, oorbellen, een bed en zonnebrillen met een totale waarde van ongeveer US$ 25.000,- aan [appellante] geschonken.
2.4
In juni 2021 heeft [geïntimeerde] een nieuwe auto van het merk [het merk] voor [appellante] gekocht met een waarde van US $ 39.385,-.
2.5
Op 5 juli 2021 heeft [geïntimeerde] [appellante] ten huwelijk gevraagd. [appellante] heeft dit verzoek aanvaard. Beide partijen waren toen nog gehuwd met andere partners.
2.6
Gedurende zeven maanden vanaf de maand juli 2021 heeft [geïntimeerde] maandelijks een bedrag van € 4.100,- aan [appellante] betaald ten behoeve van levensonderhoud, zodat zij niet meer hoefde te werken. [appellante] heeft in die maand haar baan bij het [bedrijf] opgezegd.
2.7
Bij notariële akte van 13 oktober 2021 heeft [appellante] tot zekerheid voor de terugbetaling van een door [geïntimeerde] aan haar verstrekte lening van US$ 285.380 het recht van hypotheek verleend op een appartementsrecht (meetbrief 39/2006, appartement A-13) te Cupecoy, Sint Maarten. De lening inclusief rente van 1% per jaar moet uiterlijk 13 oktober 2036 worden terugbetaald in maandelijkse termijnen van US$ 1.521,78, te beginnen op 13 november 2021. Een van de leningsvoorwaarden is dat het appartement zonder toestemming van [geïntimeerde] niet aan derden mag worden verhuurd.
2.8
Op 2 januari 2022 besloot [appellante] weer aan het werk te gaan bij het [het bedrijf].
2.9 [
geïntimeerde] is op 16 januari 2022 naar Duitsland vertrokken.
2.10
Op 21 januari 2022 deelde [appellante] [geïntimeerde] telefonisch mee dat zij de relatie verbrak en afzag van een huwelijk met [geïntimeerde].
2.11
Bij brief van 29 maart 2022 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd tot teruggave van de ringen, oorbellen, auto, zonnebrillen, bed en matras en een bedrag van € 20.500. Ook heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] meegedeeld een verzoek tot ontbinding van de leningsovereenkomst bij het Gerecht te zullen indienen.
2.12
Op 24 maart 2022 heeft [geïntimeerde] conservatoire beslagen doen leggen op de geschonken goederen, de bankrekening en het loon van [appellante].
Procesverloop
3.1 [
geïntimeerde] heeft - na wijziging van eis - gevorderd dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] zal veroordelen tot teruggave van de geldbedragen en goederen die hij haar heeft geschonken, dan wel vergoeding van de waarde daarvan en heeft voorts gevorderd ontbinding van de leningsovereenkoüst van oktober 2021, althans voorzieningen te treffen in goede justitie te bepalen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.2 [
geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat alle door hem gedane schenkingen, inclusief de hypothecaire lening, zijn gedaan onder invloed van dwaling. [geïntimeerde] verkeerde namelijk in de verwachting dat partijen in het huwelijk zouden treden. Subsidiair heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden, omdat [appellante] wist of had moeten weten dat [geïntimeerde] door zijn verliefde toestand is bewogen tot het verrichten van deze schenkingen en zij deze heeft bevorderd, terwijl zij hem daarvan had moeten weerhouden.
3.3
Het Gerecht heeft de leningsovereenkomst vernietigd en [appellante] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van US$ 285.380,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4
Het Gerecht heeft daartoe, samengevat weergegeven, als volgt overwogen. Tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] een vermogend man is zijn de schenkingen niet zodanig uitzonderlijk dat [appellante] wist of had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] door lichtzinnigheid of bijzondere omstandigheden daartoe werd bewogen. De conclusie dat sprake is van misbruik van omstandigheden is niet gerechtvaardigd. Hetzelfde geldt voor het beroep op dwaling (rov. 4.3). Ook ten aanzien van de Honda wordt het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden verworpen (rov. 4.4). [appellante] had [geïntimeerde] er wel van moeten weerhouden om zich voor twee decennia lang te binden aan een hypothecaire lening. [appellante] had immers al enige tijd “second thoughts” ten aanzien van de relatie, terwijl zij begrepen moet hebben dat die er bij [geïntimeerde] niet waren.
Beoordeling
Omvang van het hoger beroep
4.1 [
geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel van het Gerecht dat het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden met betrekking tot de schenking van de ringen, halsketting, oorbellen, een bed, zonnebrillen en de auto wordt verworpen. Hetzelfde geldt voor de afwijzing van de vordering tot terugbetaling van het door [geïntimeerde] betaalde levensonderhoud. Die onderdelen van de vordering van [geïntimeerde] liggen in hoger beroep dan ook niet meer voor.
4.2
De grief van [appellante] is gericht tegen de vernietiging door het Gerecht van de leningsovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden. Het Hof zal ook de overige door [geïntimeerde] aangevoerde gronden behandelen, te weten primair dwaling, subsidiair misbruik van omstandigheden en meer subsidiair ontbinding.
Het beroep op dwaling faalt
4.3
Voor een geslaagd beroep op dwaling is op grond van artikel 6:228 BW vereist dat de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij en dat de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten, de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan.
4.4 [
geïntimeerde] heeft aan het beroep op dwaling ten grondslag gelegd dat hij er bij het aangaan van de leningsovereenkomst vanuit ging dat partijen met elkaar zouden trouwen. Hij zou de schenkingen niet hebben gedaan als hij had geweten dat [appellante] hem voor de gek hield. Voor zover [geïntimeerde] meent dat de leningsovereenkomst een schenking betreft gaat dat niet op, omdat [appellante] zich heeft verbonden het geleende bedrag met rente terug te betalen. Dat het naar zijn zeggen een extreem lage rente betrof doet daar niet aan af. Daarnaast geldt dat [appellante] gemotiveerd heeft betwist dat zij bij het aangaan van de leningsovereenkomst niet meer van plan was met [geïntimeerde] te trouwen en dat zij [geïntimeerde] voor de gek heeft gehouden. [geïntimeerde] heeft van zijn stelling in hoger beroep geen bewijs aangeboden. Het beroep op dwaling faalt daarom.
Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt
4.5
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3: 44 lid 4 BW).
4.6 [
geïntimeerde] heeft aan het beroep op misbruik van omstandigheden het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] had heel goed door dat [geïntimeerde] smoorverliefd was. Er was dus sprake van een ernstige psychische stoornis. Door die heftige verliefdheid is [geïntimeerde] bewogen tot het verrichten van de schenkingen.
4.7
Hevige verliefdheid is een vaak voorkomende en daarmee niet een zo bijzondere omstandigheid dat daaruit zonder meer moet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] daardoor op onregelmatige wijze zou zijn bewogen tot het aangaan van de leningsovereenkomst met [appellante]. Uit niets blijkt dat de verliefdheid van [geïntimeerde] ertoe heeft geleid dat aan zijn wil om de leningsovereenkomst aan te gaan een gebrek kleeft. Van (financiële) afhankelijkheid dan wel onervarenheid aan de zijde van [geïntimeerde] ten opzichte van [appellante] was geen sprake. [geïntimeerde] is immers een ervaren accountant en vermogend. Hetgeen hij stelt duidt er niet op dat [geïntimeerde] zich ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomst in een zwakkere positie bevond dan [appellante]. Hier komt nog bij dat [appellante] onbestreden heeft gesteld dat [geïntimeerde] had voorgesteld dat zij niet bij de bank zou lenen maar bij hem en dat op initiatief van [geïntimeerde] de leningsovereenkomst is vastgelegd in een notariële akte. Dat het overeengekomen leningspercentage lager is dan gebruikelijk leidt in het licht van het voorgaande niet tot een andere conclusie. Anders dan hevige verliefdheid heeft [geïntimeerde] geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3: 44 lid 4 BW. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt.
De overeenkomst wordt ontbonden
4.8 [
geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd met een vordering tot ontbinding van de leningsovereenkomst. [appellante] heeft hierop bij pleidooi kunnen reageren. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Zolang geen eindvonnis is gewezen is de oorspronkelijk eiser zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bevoegd zijn eis te veranderen of te vermeerderen (artikel 109 Rv). Van strijd met de eisen van een goede procesorde is in dit geval geen sprake. Aan het bezwaar van [appellante] tegen de vermeerdering van eis gaat het Hof dan ook voorbij.
4.9 [
geïntimeerde] legt aan zijn vordering tot ontbinding ten grondslag dat [appellante] in strijd met het bepaalde in de leningsovereenkomst het appartement zonder zijn toestemming heeft verhuurd. Partijen hebben het appartement samen uitgezocht en [geïntimeerde] heeft voor de renovatie betaald en het tweepersoonsbed uitgezocht. Partijen hebben het appartement gekocht om er samen te wonen. Vandaar de voorwaarde dat het niet zonder zijn toestemming mocht worden verhuurd. [appellante] laat hiernaast na de huurpenningen af te dragen. Daarnaast is [appellante] vanaf augustus 2023 (productie 18 MvA) in gebreke met de maandelijkse aflossing van de lening.
4.10 [
appellante] betwist dat zij het appartement zonder toestemming van [geïntimeerde] verhuurt. Samen hebben zij besproken om een appartement te kopen en dit te verhuren aan studenten en/of toeristen. Dit was altijd de wens van [appellante]. [geïntimeerde] als zakenman had hier wel oren naar, hij zag het als een investering. [geïntimeerde] heeft zelfs op 25 oktober 2023 naar de consulaire afdeling in Duitsland een mail gestuurd waarbij hij bevestigt dat partijen bezig waren met het kopen van een appartement en dat dit zou worden verhuurd aan studenten en/of toeristen. Zij heeft dit met haar eigen geld opgeknapt. [appellante] betwist ook dat zij in gebreke is met betaling van de aflossingstermijnen. Tot aan juli 2023 heeft [geïntimeerde] iedere maand de aflossingen ontvangen. In augustus 2023 heeft [geïntimeerde] de betaling terug laten storten. Vanaf augustus 2023 heeft [appellante] de maandelijkse aflossingen gestort op een andere rekening.
4.11
Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
4.12
Niet in geschil is dat [appellante] vanaf augustus 2023 de aflossingstermijnen niet meer aan [geïntimeerde] heeft betaald. Blijkens de als productie bij pleidooi overgelegde uitdraai zijn de maandelijkse termijnen gestort op haar spaarrekening.
[geïntimeerde] heeft bij pleidooi in hoger beroep gemotiveerd betwist dat hij de betaling van augustus 2023 heeft geweigerd. [appellante] heeft die stelling niet met stukken onderbouwd noch daarvan bewijs aangeboden.
Dictum
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 14 mei 2025 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] als bedoeld onder 4.13;
bepaalt dat [appellante] de gelegenheid krijgt voor het nemen van een antwoordakte;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 19 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.