Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-04-01
ECLI:NL:OGHACMB:2025:161
Civiel recht
Hoger beroep
3,486 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: AUA2025H00022
Uitspraak: 1 april 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot het gelasten van de voorlopige tenuitvoerlegging niettegenstaande cassatie
1. [geïntimeerde], in haar hoedanigheid van erfgenaam van [erflater],
2. ENEBIZ GROUP S.R.L.,
wonend respectievelijk gevestigd in de [land],
hierna te noemen: Enebiz Group c.s.,
in eerste aanleg eiseressen, in hoger beroep geïntimeerden,
eiseressen tot voormelde vordering,
gemachtigde: mr. J.F.M. Zara,
tegen
de naamloze vennootschap
JOHNSON’S SUPERMARKET N.V.,
gevestigd in Aruba,
hierna te noemen: Johnson’s,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
verweerster tegen voormelde vordering,
gemachtigde: mr. D.G. Illes.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 20 februari 2025 ingekomen verzoekschrift met producties heeft Enebiz Group c.s. gevorderd dat het Hof de voorlopige tenuitvoerlegging niettegenstaande cassatie zal gelasten van de tussen partijen gewezen vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 15 maart 2023 en van het Hof van 4 februari 2025 (zaaknummers AUA201904304 - AUA2023H00064).
1.2
De griffie van het Hof heeft het verzoekschrift van Enebiz Group c.s. op 21 februari 2025 naar Johnson’s gestuurd met de mededeling dat Johnson’s de gelegenheid krijgt een verweerschrift in te dienen, per e-mail aan het Hof (met kopie aan de wederpartij) uiterlijk 28 februari 2025. In die e-mail staat verder vermeld dat na ontvangst van het verweerschrift het Hof beide partijen in de gelegenheid zal stellen zich uit te laten over het verzoek, per e-mail aan het Hof (met kopie aan de wederpartij), uiterlijk 11 maart 2025.
1.3
Johnson’s heeft bij e-mail van 4 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
1.4
Enebiz Group c.s. heeft bij e-mail van 10 maart 2025 een uitlating ingediend.
1.4
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
De stelling van Enebiz Group c.s. dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten omdat het te laat is ingediend, wordt verworpen. Weliswaar heeft Johnson’s van het Hof de gelegenheid gekregen om het verweerschrift uiterlijk 28 februari 2025 in te dienen en heeft zij dat pas op 4 maart 2025 gedaan, maar dit heeft niet tot gevolg dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten. Enebiz Group c.s. heeft voldoende gelegenheid gehad om zonder tijdverlies op het verweerschrift te reageren en dat heeft zij ook gedaan. Enebiz Group c.s. is daarom niet geschaad in enig rechtens te respecteren processueel belang doordat het Hof het verweerschrift in beschouwing neemt.
2.2
Bij voormeld vonnis van 15 maart 2023 heeft het Gerecht Johnson’s veroordeeld tot betaling aan Enebiz Group c.s. van het bedrag van USD 90.066,10, vermeerderd met wettelijke rente en Johnson’s veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Johnson’s heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het bestreden vonnis bevestigd en Johnson’s veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van het Hof is niet in het dictum uitvoerbaar bij voorraad verklaard; daartoe was in de memorie van antwoord ook niet geconcludeerd.
2.3
Enebiz Group c.s. vorderen dat het Hof de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen van het Gerecht van 15 maart 2023 en van het Hof van 13 juni 2023 zal gelasten niettegenstaande cassatie. Kennelijk verkeren Enebiz Group c.s. in de veronderstelling dat (verdedigbaar is dat) indien Johnson’s cassatieberoep instelt, de uitvoerbaarheid van het vonnis van het Gerecht daardoor geschorst zal worden, en strekt de vordering ertoe dat het Hof bewerkstelligt (of buiten twijfel stelt) dat een cassatieberoep de uitvoerbaarheid niet zal schorsen. Het Hof vat de vordering daarom op als een vordering als bedoeld in art. 56 Rv.
2.4
Aan de voorwaarde van art. 56 Rv dat een rechtsmiddel is ingesteld, is niet voldaan. De rechtsgang van art. 56 Rv staat niet reeds open als het rechtsmiddel (nog) niet is ingesteld en de termijn daarvoor nog loopt. Reeds daarom wordt de vordering afgewezen.
2.5
Bovendien is de hiervoor in 2.3 weergegeven veronderstelling niet juist. Het Gerecht heeft zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij vonnis van 2 juni 2023 (zaaknummer AUA2023H00066) heeft het Hof weliswaar de tenuitvoerlegging geschorst, maar dat was slechts tot het moment waarop op het hoger beroep zou zijn beslist. Bij vonnis van 4 februari 2025 heeft het Hof op het hoger beroep beslist door het vonnis van het Gerecht te bevestigen. Daardoor is het schorsingsvonnis van 2 juni 2023 uitgewerkt, is het vonnis van het Gerecht weer uitvoerbaar geworden, en is de werking van het dictum van het Gerecht herleefd waarbij het zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaarde. Het vonnis van het Gerecht is dus weer uitvoerbaar bij voorraad. Cassatieberoep tegen het vonnis van het Hof schorst de uitvoerbaarheid van het vonnis van het Gerecht niet (art. 404 Rv NL). Hierbij is niet van belang dat het vonnis van het Hof niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard is. Enebiz Group c.s. heeft om dit resultaat te bereiken dus geen ingrijpen van het Hof nodig. Aruba Bank N.V. heeft een bankgarantie afgegeven. Enebiz Group c.s. hebben gesteld dat Aruba Bank N.V. verlangt dat zij bewijs overleggen dat geen cassatieberoep is ingesteld. Voor zover dat verlangen is gebaseerd op een andere rechtsopvatting dan hiervoor uiteengezet, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
De vordering van Enebiz Group c.s. wordt dus afgewezen. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vordering af;
veroordeelt Enebiz Group c.s. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Johnson’s gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,- aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 1 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: AUA2025H00022
Uitspraak: 1 april 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot het gelasten van de voorlopige tenuitvoerlegging niettegenstaande cassatie
1. [geïntimeerde], in haar hoedanigheid van erfgenaam van [erflater],
2. ENEBIZ GROUP S.R.L.,
wonend respectievelijk gevestigd in de [land],
hierna te noemen: Enebiz Group c.s.,
in eerste aanleg eiseressen, in hoger beroep geïntimeerden,
eiseressen tot voormelde vordering,
gemachtigde: mr. J.F.M. Zara,
tegen
de naamloze vennootschap
JOHNSON’S SUPERMARKET N.V.,
gevestigd in Aruba,
hierna te noemen: Johnson’s,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
verweerster tegen voormelde vordering,
gemachtigde: mr. D.G. Illes.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 20 februari 2025 ingekomen verzoekschrift met producties heeft Enebiz Group c.s. gevorderd dat het Hof de voorlopige tenuitvoerlegging niettegenstaande cassatie zal gelasten van de tussen partijen gewezen vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 15 maart 2023 en van het Hof van 4 februari 2025 (zaaknummers AUA201904304 - AUA2023H00064).
1.2
De griffie van het Hof heeft het verzoekschrift van Enebiz Group c.s. op 21 februari 2025 naar Johnson’s gestuurd met de mededeling dat Johnson’s de gelegenheid krijgt een verweerschrift in te dienen, per e-mail aan het Hof (met kopie aan de wederpartij) uiterlijk 28 februari 2025. In die e-mail staat verder vermeld dat na ontvangst van het verweerschrift het Hof beide partijen in de gelegenheid zal stellen zich uit te laten over het verzoek, per e-mail aan het Hof (met kopie aan de wederpartij), uiterlijk 11 maart 2025.
1.3
Johnson’s heeft bij e-mail van 4 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
1.4
Enebiz Group c.s. heeft bij e-mail van 10 maart 2025 een uitlating ingediend.
1.4
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
De stelling van Enebiz Group c.s. dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten omdat het te laat is ingediend, wordt verworpen. Weliswaar heeft Johnson’s van het Hof de gelegenheid gekregen om het verweerschrift uiterlijk 28 februari 2025 in te dienen en heeft zij dat pas op 4 maart 2025 gedaan, maar dit heeft niet tot gevolg dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten. Enebiz Group c.s. heeft voldoende gelegenheid gehad om zonder tijdverlies op het verweerschrift te reageren en dat heeft zij ook gedaan. Enebiz Group c.s. is daarom niet geschaad in enig rechtens te respecteren processueel belang doordat het Hof het verweerschrift in beschouwing neemt.
2.2
Bij voormeld vonnis van 15 maart 2023 heeft het Gerecht Johnson’s veroordeeld tot betaling aan Enebiz Group c.s. van het bedrag van USD 90.066,10, vermeerderd met wettelijke rente en Johnson’s veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Johnson’s heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het bestreden vonnis bevestigd en Johnson’s veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van het Hof is niet in het dictum uitvoerbaar bij voorraad verklaard; daartoe was in de memorie van antwoord ook niet geconcludeerd.
2.3
Enebiz Group c.s. vorderen dat het Hof de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen van het Gerecht van 15 maart 2023 en van het Hof van 13 juni 2023 zal gelasten niettegenstaande cassatie. Kennelijk verkeren Enebiz Group c.s. in de veronderstelling dat (verdedigbaar is dat) indien Johnson’s cassatieberoep instelt, de uitvoerbaarheid van het vonnis van het Gerecht daardoor geschorst zal worden, en strekt de vordering ertoe dat het Hof bewerkstelligt (of buiten twijfel stelt) dat een cassatieberoep de uitvoerbaarheid niet zal schorsen. Het Hof vat de vordering daarom op als een vordering als bedoeld in art. 56 Rv.
2.4
Aan de voorwaarde van art. 56 Rv dat een rechtsmiddel is ingesteld, is niet voldaan. De rechtsgang van art. 56 Rv staat niet reeds open als het rechtsmiddel (nog) niet is ingesteld en de termijn daarvoor nog loopt. Reeds daarom wordt de vordering afgewezen.
2.5
Bovendien is de hiervoor in 2.3 weergegeven veronderstelling niet juist. Het Gerecht heeft zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij vonnis van 2 juni 2023 (zaaknummer AUA2023H00066) heeft het Hof weliswaar de tenuitvoerlegging geschorst, maar dat was slechts tot het moment waarop op het hoger beroep zou zijn beslist. Bij vonnis van 4 februari 2025 heeft het Hof op het hoger beroep beslist door het vonnis van het Gerecht te bevestigen. Daardoor is het schorsingsvonnis van 2 juni 2023 uitgewerkt, is het vonnis van het Gerecht weer uitvoerbaar geworden, en is de werking van het dictum van het Gerecht herleefd waarbij het zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaarde. Het vonnis van het Gerecht is dus weer uitvoerbaar bij voorraad. Cassatieberoep tegen het vonnis van het Hof schorst de uitvoerbaarheid van het vonnis van het Gerecht niet (art. 404 Rv NL). Hierbij is niet van belang dat het vonnis van het Hof niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard is. Enebiz Group c.s. heeft om dit resultaat te bereiken dus geen ingrijpen van het Hof nodig. Aruba Bank N.V. heeft een bankgarantie afgegeven. Enebiz Group c.s. hebben gesteld dat Aruba Bank N.V. verlangt dat zij bewijs overleggen dat geen cassatieberoep is ingesteld. Voor zover dat verlangen is gebaseerd op een andere rechtsopvatting dan hiervoor uiteengezet, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
De vordering van Enebiz Group c.s. wordt dus afgewezen. Zij zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vordering af;
veroordeelt Enebiz Group c.s. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Johnson’s gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.000,- aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 1 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.