Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-05-20
ECLI:NL:OGHACMB:2025:129
Civiel recht
Hoger beroep
1,883 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer eerste aanleg: CUR202403024
Hoger beroep: CUR2024H00296
Uitspraak: 20 mei 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
appellant, in eerste aanleg verweerder,
procederend in persoon,
tegen
[de moeder],
wonend in [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
geïntimeerde, in eerste aanleg verzoekster,
procederend in persoon.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 30 december 2024 ingekomen beroepschrift is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 19 november 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). Hierbij heeft de man bezwaren tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht.
1.2
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Partijen zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Partijen hebben verder vragen van het Hof beantwoord.
1.3
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
Feiten
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij zijn de ouders van een thans nog minderjarig kind, genaamd: [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum ] 2007 in Curaçao.
Procesverloop
3.1
De moeder heeft verzocht een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen op Cg 914,14 per maand, zijnde de helft van de door haar gestelde behoefte van Cg 1.829,- per maand van de minderjarige. Aan haar verzoek heeft de moeder ten grondslag gelegd dat de minderjarige daaraan behoefte heeft. De moeder heeft daartoe een kostenplaatje van de minderjarige overgelegd.
3.2
De vader heeft geen verweer gevoerd.
3.3
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de behoefte van de minderjarige gematigd tot Cg 1.105,75 per maand. Het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie heeft het gerecht bepaald op Cg 553,- per maand, zijnde de helft van de behoefte.
Beoordeling
het wettelijk kader
4.1
Ingevolge artikel 1:404 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn de ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Bij de bepaling van het verschuldigde bedrag aan kinderalimentatie wordt, op grond van artikel 1:397 lid 1 BW, rekening gehouden met de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van degene die moet voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige.
4.2
Op grond van artikel 1:395a BW loopt de betalingsverplichting van de ouders in beginsel door tot de 25-jarige leeftijd van het kind, als het kind een opleiding of studie volgt.
de standpunten
4.3
De vader voert in hoger beroep aan dat hij zich bewust is van zijn verplichting om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, maar dat hij het maandelijkse bedrag aan kinderalimentatie van Cg 553,- niet kan betalen. De vader verzoekt daarom het maandelijks te betalen bedrag te verlagen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft vader verwezen naar een specificatie van zijn maandelijkse lasten.
4.4
De moeder kan zich met het verzoek van de vader om verlaging niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat zij ieder voor de helft dienen te voorzien in de behoefte van de minderjarige.
behoefte minderjarige
4.5
De behoefte van de minderjarige is door het Gerecht vastgesteld op Cg 1.105,75 per maand. In hoger beroep hebben partijen tegen deze vaststelling niets aangevoerd, zodat het hof ook van die behoefte uitgaat (afgerond op Cg 1.106,-).
draagkracht
4.6
De draagkracht van een ouder is het verschil tussen de daadwerkelijke inkomsten, verminderd met de som van het bestaansminimum (zijnde Cg 1.456,-) en de woonlasten. Het hof zal bij de berekening van de woonlasten uitgaan van een redelijke netto woonlast van 30% van het inkomen. Dit is gebaseerd op de richtlijnen voor soortgelijke zaken en het wijkt ook niet veel af van de werkelijke woonlasten van partijen in dit geval.
draagkracht moeder
4.7
Volgens haar eigen opgave in eerste aanleg heeft de moeder een netto-inkomen van (afgerond) Cg 5.303,- per maand. Verminderd met de som van het bestaansminimum (dat volgens genoemde richtlijnen Cg 1.456,- bedraagt) en de woonlasten houdt de vrouw over een bedrag van (afgerond) Cg 2.256,-
draagkracht vader
4.8
De man heeft loonstroken overgelegd waaruit blijkt dat hij een netto-inkomen heeft van (afgerond) Cg 3.446,- per maand. Als dit netto-inkomen wordt verminderd met de som van het bestaansminimum en de woonlasten houdt de man over een bedrag van Cg 957,-.
draagkrachtvergelijking
4.9
Uit het voorgaande volgt dat de gezamenlijk beschikbare draagkracht van partijen neerkomt op een bedrag van Cg 3.213,-.. De behoefte van de minderjarige zal naar evenredigheid over beide ouders worden verdeeld.
4.10
Dat betekent voor de alimentatieplicht het volgende. De totale behoefte van de minderjarige is Cg 1.106,- per maand. De draagkracht van de vader bedraagt (afgerond) Cg 957,-, die van de moeder (afgerond) Cg 2.256,-. Dat betekent dat de vader dient bij te dragen: Cg 957/Cg 3.213,- (de gezamenlijke draagkracht) x Cg 1.106,- = (afgerond) Cg,329,- per maand.
Conclusie
4.11
Het hoger beroep slaagt. Het Hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en opnieuw recht doen met inachtneming van het voorgaande.
4.12
Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling, gelet op de relatie tussen partijen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de bestreden beschikking en doet opnieuw recht als volgt:
stelt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige geboren op 25 december 2007 vast op Cg 329,- per maand,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, C.G. ter Veer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 20 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.