Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-06-04
ECLI:NL:OGHACMB:2024:97
Civiel recht
Hoger beroep
1,286 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: AUA202001263 – AUA2020H00198
Uitspraak: 4 juni 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. R. Marchena,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk eiser,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. D.G. Kock.
met als in het geding geroepen en verschenen belanghebbende: [belanghebbende].
De partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde] en [belanghebbende] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnissen van 14 juni 2022 en 5 september 2023, bij welk laatste vonnis de zaak naar de rol van 3 oktober 2023 is verwezen voor akte uitlating zijdens partijen P1.
1.2
Partijen hebben op 3 oktober 2023 een akte uitlating ingediend.
1.3
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
2.1
Het Hof heeft in het tussenvonnis van 14 juni 2022 onder meer het volgende overwogen:
3.9
Het Hof is van oordeel dat het feit dat [geïntimeerde] 100% van de hypothecaire lasten voor zijn rekening neemt, terwijl [appellant] in de woning woonachtig is en [geïntimeerde] thans een regresvordering opbouwt op deelgenoot [appellant] waarvan onzeker is of deze verhaalbaar is, een belang aan de zijde van [geïntimeerde] is dat veel meer gewicht in de schaal legt dan het belang van [appellant] om in de woning te blijven wonen. Immers, indien verdeling tot stand komt doordat deelgenoten besluiten de woning verkopen en de verkoopopbrengst te delen, dan is daaraan inherent dat beide deelgenoten andere woonruimte moeten zien te vinden.
2.2
Het Hof heeft bij het tussenvonnis van 5 september 2023 partijen de gelegenheid gegeven om bij akte te reageren op de uitlating van de beperkt gerechtigde op de woning, [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]), dat zij geen medewerking zal verlenen aan de verdeling. Het Hof heeft partijen verzocht in de akte ook aan te geven of een onzijdig persoon moet worden benoemd.
2.3 [
geïntimeerde] heeft aangegeven dat het standpunt van [belanghebbende] om geen medewerking te verlenen haar niet dient en heeft verzocht een onzijdig persoon aan te wijzen.
2.4 [
appellant] heeft gesteld dat geen onzijdig persoon kan worden benoemd om [belanghebbende] te vertegenwoordigen bij de verdeling omdat [belanghebbende] niet bij vonnis is bevolen om mee te werken aan een verdeling.
2.5 [
belanghebbende] heeft haar stelling dat zij geen medewerking zal verlenen aan de door [geïntimeerde] gevorderde verdeling niet onderbouwd. Het Hof ziet geen aanleiding om terug te komen op het overwogene onder 3.9 van het tussenvonnis van 14 juni 2022 (herhaald in het tussenvonnis van 5 september 2023), zoals hiervoor weergegeven onder 2.1, en heeft geen bedenkingen tegen de wijze van verdeling door het Gerecht. Dit bekent dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met aanvulling van het onderstaande.
2.6
Het Hof zal conform het verzoek van [geïntimeerde] een onzijdig persoon benoemen om [belanghebbende] te vertegenwoordigen bij de verdeling. Anders dan [appellant] meent kan ook tijdens de procedure waarin een vordering tot verdeling aanhangig is gemaakt een onzijdig persoon worden benoemd.
2.7 [
appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
benoemt tot onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW, die [belanghebbende] bij de verdeling zal vertegenwoordigen mevrouw [naam 1], wonende in Aruba
veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 206,93 aan verschotten en Afl. 7.000,- aan gemachtigdensalaris.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 4 juni 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.