Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-06-12
ECLI:NL:OGHACMB:2024:82
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,886 tokens
Inleiding
AUA2023H00159
Datum uitspraak: 12 juni 2024
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Financiën, Economische Zaken en Cultuur, thans de minister van Financiën en Cultuur (hierna: de minister)
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 31 juli 2023 in zaak nr. AUA202103579, in het geding tussen:
Eagle Aruba Casino Operating Corporation N.V., gevestigd in Aruba (hierna: Eagle),
en
de minister
Procesverloop
Bij beschikking van 29 januari 2021 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) namens de minister aan Eagle bericht dat zij per januari 2021 niet langer in aanmerking komt voor subsidie als tegemoetkoming in de loonkosten en overige werkgeverslasten.
Bij beschikking van 8 mei 2021 heeft de minister het door Eagle daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 31 juli 2023 heeft het Gerecht het door Eagle daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en bepaald dat de minister binnen drie maanden opnieuw beschikt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Eagle heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op 16 april 2024 op een zitting behandeld. De minister werd vertegenwoordigd door mr. C.L. Geerman, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, vergezeld door [medewerker 1], werkzaam bij de SVB. Eagle werd vertegenwoordigd door mr. W.J. Noordhuizen, advocaat, vergezeld door [medewerker 2], werkzaam bij Eagle.
Overwegingen
Inleiding
Bij Ministeriële Beschikking van 13 mei 2020 (hierna: de loonsubsidieregeling) heeft de minister besloten om aan een werkgever die door de COVID-19-pandemie en de daarmee samenhangende maatregelen is geraakt en die een daling van zijn bedrijfsomzet van ten minste 25% verwacht, een loonsubsidie toe te kennen voor de gedeeltelijke dekking van ten hoogste 60% van de loonsom van zijn werknemers, indien wordt voldaan aan onder punt 6 gestelde voorwaarden en verplichtingen.
Eagle, exploitante van een casino, ontving eerder een loonsubsidie als bedoeld in de loonsubsidieregeling. Op 20 januari 2021 constateerde zij dat zij in het daarvoor ingerichte portaal van de SVB niet opnieuw om loonsubsidie kon vragen. Desgevraagd is op 29 januari 2021 aan Eagle bericht dat zij niet langer in aanmerking komt voor loonsubsidie. Het casino is namelijk volledig gesloten en niet langer operationeel. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat de loonsubsidie bedoeld is voor het behouden van werkgelegenheid. Daaraan heeft de minister toegevoegd dat door de beëindigingsovereenkomsten met 61 werknemers en de ten aanzien van acht werknemers ingediende ontbindingsverzoeken niet wordt voldaan aan punt 6, aanhef en onder c, van de loonsubsidieregeling. In de bestreden beschikking heeft de minister daaraan toegevoegd dat zodra de werkgever is aangevangen met handelingen die erop gericht zijn een arbeidsovereenkomst te beëindigen en de werkgelegenheid dus niet zal worden behouden, hij geen aanspraak meer maakt op een loonsubsidie. Aan de bestreden beschikking heeft de minister ook het bij Ministeriële Beschikking van 4 juni 2020 ingevoegde en bij Ministeriële Beschikking van 11 juni 2020 gewijzigde artikel 1A van de loonsubsidieregeling ten grondslag gelegd. Daarin is bepaald dat geen recht op loonsubsidie bestaat voor de werknemer die niet heeft ingestemd met een vermindering van de arbeidsomvang met 20% respectievelijk 40%.
Aangevallen uitspraak
3. Het Gerecht heeft eerst overwogen dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. De termijnoverschrijding is echter verschoonbaar omdat de beschikking van 8 mei 2021 niet naar de gemachtigde van Eagle is gestuurd, maar alleen naar de Human Resource Director van Eagle. De gemachtigde van Eagle ontving de beschikking pas op 8 november 2021 en heeft vervolgens zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd beroep ingesteld. Vervolgens heeft het Gerecht overwogen dat de minister een onjuiste uitleg aan de loonsubsidieregeling heeft gegeven. De subsidie is bedoeld voor ondernemingen die als gevolg van de COVID-19-pandemie te maken hebben gehad met een nagenoeg gehele staking van hun bedrijfsactiviteiten. Het ligt dan niet voor de hand aan deze ondernemingen de eis te stellen dat zij hun personeel, ondanks het ontbreken van enige economische bedrijvigheid van betekenis, nog voor ten minste 60% feitelijk werkzaamheden laten verrichten. Verder heeft de minister gelet op de duidelijke bewoordingen van de loonsubsidieregeling aan Eagle ten onrechte tegengeworpen dat beëindigingsovereenkomsten zijn gesloten en ontslagen zijn aangevraagd. Er is geen reden om aan te nemen dat abusievelijk is verzuimd om in punt 6 van de loonsubsidieregeling ook andere vormen van (voorgenomen) beëindiging van de arbeidsovereenkomsten te noemen dan het doen van aanvragen voor het verlenen van toestemming om deze op te zeggen. Het standpunt van de minister dat toekenning van loonsubsidie niet mogelijk is indien beëindiging van de bedrijfsactiviteiten niet is veroorzaakt door de COVID19pandemie, volgt niet uit de loonsubsidieregeling. De regeling laat geen ruimte voor het betrekken van de oorzaken van teruglopende bedrijfsresultaten, aldus het Gerecht.
Hoger beroep
4. De minister betoogt primair dat de termijnoverschrijding van Eagle niet verschoonbaar is. Het is de minister niet aan te rekenen dat de gemachtigde van Eagle de bestreden beschikking pas op 8 november 2021, als dat al zo is, heeft ontvangen. Eagle heeft de minister namelijk nooit verzocht de correspondentie aan haar gemachtigde te richten.
4.1.
Artikel 22, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) luidt:"1. De beslissing op het bezwaarschrift wordt de indiener uiterlijk op de laatste dag van de termijn toegezonden of uitgereikt, onverminderd artikel 20, tweede lid."Artikel 27, eerste lid, van de Lar luidt: "1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend." Artikel 28 van de Lar luidt voor zover hier van belang: "1. Een beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.[…]3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschriftblijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt." Artikel 1 van de Algemene termijnenverordening luidt:"Een in een landsverordening gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is."
4.2.
De bestreden beschikking is gedagtekend op 8 mei 2021 zodat de beroepstermijn op grond van artikel 27, eerste lid, van de Lar in samenhang gelezen met artikel 1 van de Algemene termijnenverordening is aangevangen op zondag 9 mei 2021 en zes weken later is geëindigd op maandag 21 juni 2021. Het beroepschrift is ruim buiten deze termijn ingediend op 16 november 2021. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De gemachtigde van Eagle heeft namens Eagle het bezwaarschrift ingediend en daarin aangegeven dat Eagle domicilie heeft gekozen ten kantore van de gemachtigde. Redelijke toepassing van artikel 22, eerste lid, van de Lar brengt mee dat indien zich bij het betrokken bestuursorgaan een gemachtigde heeft gesteld, toezending of uitreiking van de beslissing op het bezwaarschrift aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Dat heeft de minister in het geval van Eagle nagelaten. Dat de bestreden beschikking aan Eagle zelf is toegezonden, is daarom niet van belang. Het Hof ziet geen grond om de verklaring dat de gemachtigde pas op 8 november 2021 op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking, in twijfel te trekken. In een dergelijke situatie geldt dat de te late indiening van het bezwaarschrift in ieder geval niet verwijtbaar is, als dat binnen zes weken na kennisname wordt ingediend. Het Hof verwijst naar zijn uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:14. Omdat het beroepschrift binnen zes weken na 8 november 2021 is ingediend, is Eagle daarmee niet verwijtbaar te laat en is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het betoog slaagt niet.
5. De minister heeft verder aangevoerd dat het Gerecht de loonsubsidieregeling in het geval van Eagle onjuist heeft toegepast. De regeling is namelijk in het leven geroepen om de werkgelegenheid te behouden bij ondernemingen die door de COVID-19-pandemie geraakt zijn. De eerste toets is dan ook of een bedrijf als gevolg van de pandemie te maken heeft gehad met een nagenoeg gehele staking van de bedrijfsactiviteiten. Dat was bij Eagle niet langer het geval omdat zij het casino volledig gesloten heeft.
5.1.
Het Hof volgt de minister in dit betoog en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de considerans van de loonsubsidieregeling volgt dat het doel van de regeling is om financiële steun te bieden aan werkgevers die door de maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie te maken hebben met een nagenoeg algehele staking van hun bedrijfsactiviteiten en daardoor in plotselinge en acute financiële nood zijn komen te verkeren, opdat de werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden wordt.
Conclusie
6. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.
7. De minister hoeft de proceskosten van Eagle niet te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 31 juli 2023 in zaak nr. AUA202103579;
II. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
III. gelast dat het Land Aruba aan de minister van Financiën en Cultuur het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht
van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024.