Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-01-23
ECLI:NL:OGHACMB:2024:8
Civiel recht
Hoger beroep
1,997 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202001764 – CUR2021H00371
Uitspraak: 23 januari 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en P.M. Noordhoek,
tegen
de stichting
STICHTING KADASTER EN OPENBARE REGISTERS CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.B. van Hees.
Partijen worden hierna het Land en de Stichting genoemd.
1De zaak in het kort
De Stichting is in 2002 opgericht bij de privatisering van de Dienst Kadaster en Hypotheekwezen. Volgens de jaarrekening van de Stichting bedroeg het cumulatief saldo van haar baten en lasten aan het einde van 2018 ruim NAf 21 miljoen.
In deze rechtszaak heeft het Land betaling van dat bedrag gevorderd, met rente, en een bevel om vanaf 2019 jaarlijks opgave te doen van het saldo van baten en lasten, en indien het saldo batig is, dat te betalen aan het Land.
Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen.
In dit hoger beroep heeft het Hof bij tussenvonnis een mondelinge behandeling bevolen. Nu, na die mondelinge behandeling, wijst het Hof een eindvonnis.
2Het verdere verloop van de procedure
2.1
De bij tussenvonnis van 4 juli 2023 bevolen mondelinge behandeling heeft op 23 november 2023 plaatsgehad ten overstaan van de leden van het Hof die dit eindvonnis wijzen. Mr. Noordhoek heeft namens het Land een akte overlegging productie tevens toelichting ter comparitie voorgedragen en overgelegd, met productie C, die ook vooraf was toegezonden (een legal opinion van prof. mr. A.B. van Rijn). Mr. Van Hees heeft namens de Stichting spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd en productie 53 in het geding gebracht, die eveneens vooraf was toegezonden (een rapport van A.C.C. Cijntje RA). Ook is het woord gevoerd door:
- D. Puriel, secretaris-generaal van het Ministerie van Verkeer, Vervoer
en Ruimtelijke Planning van het Land;
- R. Faneyte, general director van de Stichting Overheidsaccountantsbureau Curaçao;
- G.G. de Palm, directeur van de Stichting;
- A.C. Cijntje RA, registeraccountant, ingeschakeld door de Stichting;
- M. Ascencion, bewaarder van de openbare registers.
2.2
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
3De verdere beoordeling
3.1
Het Hof blijft bij hetgeen is overwogen in zijn tussenvonnis. Voor zover het Hof in rov. 2.6 van het tussenvonnis ruimte heeft gelaten voor het oordeel dat de vorderingen in dit geval met succes kunnen worden gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking en in rov. 2.8 dat de vorderingen in dit geval met succes kunnen worden gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:7 BW, overweegt het Hof nu dat het Land onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op die grondslagen kunnen worden gebaseerd.
3.2
Het Land heeft aan zijn vorderingen ook ten grondslag gelegd dat de toepasselijke publiekrechtelijke wet- en regelgeving geen grondslag biedt voor het standpunt dat de door de Stichting geïnde gelden tot het vermogen van de Stichting zijn gaan behoren. Het Hof verwerpt dit betoog op grond van het volgende.
3.3
Het Land is rechtsopvolger van zowel het eilandgebied Curaçao als (voor zover van belang voor deze zaak) het land de Nederlandse Antillen. Het zijn dus de rechtsvoorgangers van het Land zelf geweest, die de volgende publiekrechtelijke en privaatrechtelijke (rechts)handelingen hebben verricht:
- invoering van het Kadasterbesluit 2000;
- oprichting van de Stichting;
- vaststelling van de statuten van de Stichting;
- opheffing van de Dienst Kadaster en Hypotheekwezen;
- wijziging van het Kadasterbesluit 2000 bij eilandsbesluit in 2006.
Indien al juist is dat de rechtsvoorgangers van het Land daarmee een (lagere) regeling in het leven hebben geroepen die met schending van het legaliteitsbeginsel de (hogere) wettelijke vereisten van de Kadasterlandsverordening 1938 doorkruist, dan kan niet worden aanvaard dat het rechtsgevolg daarvan zou moeten zijn dat het op de voet van art. 3 van de statuten van de Stichting gevormde vermogen niet aan de Stichting toekomt, maar aan het Land. De bedoelde wettelijke vereisten, wat daarvan verder zij, strekken immers in elk geval niet tot bescherming van het vermogen van het Land tegen regelgevend optreden van de eigen rechtsvoorgangers. Dat regelgevend optreden valt, zoals de Stichting ook heeft aangevoerd, niet de Stichting aan te rekenen, maar het Land.
3.4
Prof. Van Rijn heeft in zijn legal opinion geschreven dat de in het Kadasterlandsverordening 1938 omschreven taken niet behoren te worden uitgeoefend door een privaatrechtelijke rechtspersoon. Indien dat gebeurt, levert dat volgens hem strijd op met het legaliteitsbeginsel en de doorkruisingsleer. Op grond van het voorgaande kan in het midden blijven of die rechtsopvatting juist is. De legal opinion van prof. Van Rijn biedt slechts beperkte steun aan het hiervoor onder 3.2 bedoelde, verdergaande betoog van het Land. Op p. 8 merkt prof. Van Rijn op dat een bespreking van de mogelijke rechtsgevolgen het kader van de legal opinion te buiten gaat. Zijn op p. 11 samengevatte conclusies houden niet in dat het vermogen dat op de voet van art. 3 van de statuten van de Stichting is gevormd aan het Land toekomt.
3.5
De vorderingen van het Land zijn dus bij gebrek aan deugdelijke grondslag terecht afgewezen.
3.6
De mondelinge behandeling heeft wellicht bijgedragen aan een bereidheid van partijen om overleg te voeren over de vraag in hoeverre het wenselijk is dat bij reserveopbouw van de Stichting afdracht aan het Land plaatsvindt. In dit verband ziet het Hof voor zichzelf verder geen taak weggelegd. Het Hof ziet daarom ook geen aanleiding om de Stichting Overheidsaccountantsbureau Curaçao te verzoeken (nader) advies uit te brengen aan het Hof.
3.7
Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. Het Land zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt het Land in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Stichting gevallen en tot op heden begroot op NAf 549,50 aan verschotten en NAf 27.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten in eerste aanleg van NAf 379,47 en de nakosten in hoger beroep van NAf 250,00 zonder betekening en NAf 400,00 in geval van betekening, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vandaag tot aan de dag van de voldoening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.