Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-04-09
ECLI:NL:OGHACMB:2024:75
Civiel recht
Hoger beroep
1,384 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: AUA201701625 – AUA2021H00162
Uitspraak: 9 april 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
[APPELLANTE],
wonend in Aruba,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. W.J. Noordhuizen,
tegen
1. [GEÏNTIMEERDE 1],
wonend in Venezuela,
2. [GEÏNTIMEERDE 2],
wonend in Aruba,
oorspronkelijk gedaagden,
thans geïntimeerden,
gemachtigde geïntimeerde sub 1: mr. G. de Hoogd,
geïntimeerde sub 2 is in hoger beroep niet verschenen.
De partijen worden hierna [appellante] respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 5 september 2023 waarbij de zaak naar de rol van 3 oktober 2023 is verwezen voor akte zijdens [appellante] over de schadehoogte en de onderbouwing daarvan.
1.2 [
appellante] heeft op 31 oktober 2023 een akte ingediend. [geïntimeerde 1] heeft op 6 januari 2024 een contra-akte ingediend.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
2.1
Het Hof heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat de vorderingen van [appellante] zoals weergegeven onder 1.2 sub 1, 2, 3, 5 en 6 van het tussenvonnis voor toewijzing in aanmerking komen. Ten aanzien van de sub 4 gevorderde verklaring voor recht dat [appellante] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] schade heeft geleden, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot vergoeding van die nader bij staat op te maken schade, heeft het Hof de mogelijkheid van schade aannemelijk geacht. Het Hof heeft de zaak vervolgens verwezen naar de rol zodat [appellante] bij akte de door haar gestelde schade nader kan onderbouwen.
2.2
Bij akte uitlating van 31 oktober 2023 heeft [appellante] aangegeven in dit stadium niet in staat te zijn de schade nader te berekenen en te onderbouwen. [appellante] heeft haar eis daarom in die zin gewijzigd dat zij de gevorderde verklaring voor recht dat zij schade heeft geleden door het handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] intrekt.
2.3 [
geïntimeerde 1] heeft bij contra-akte aangegeven hierop geen opmerkingen te hebben.
2.4
Nu [appellante] de gevorderde verklaring voor recht tot vergoeding van schade heeft ingetrokken hoeft het Hof daarover geen oordeel meer te geven.
2.5
Het bestreden vonnis wordt vernietigd en het Hof zal met inachtneming van het overwogene in het tussenvonnis rechtdoen als na te melden. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:
verbiedt [geïntimeerde 1] het verstekvonnis van 23 maart 2016 ten uitvoer te leggen;
gebiedt [geïntimeerde 1] de executie van het hofvonnis van 28 juli 2015 te gehengen en te gedogen zonder aanspraak te maken op (een deel van) het resultaat van die executie;
verklaart voor recht dat [appellante] het hofvonnis van 28 juli 2015 mag executeren alsof tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen veroordelend vonnis was gewezen op 23 maart 2016;
verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ieder voor zich en gezamenlijk onrechtmatig handelen door een vordering te fingeren van [geïntimeerde 1] op [geïntimeerde 2] en die gefingeerde vordering te verhalen op het vermogen van [geïntimeerde 2] en toe te staan dat die gefingeerde vordering wordt verhaald op zijn vermogen;
veroordeelt [geïntimeerde 1] om het beslag op de woning [adres] op te heffen en te doen doorhalen in het Kadaster;
machtigt [appellante] om indien [geïntimeerde 1] daaraan niet voldoet, zelf opdracht te geven tot opheffing van het beslag;
veroordeelt [geïntimeerde 2] om te gehengen en te gedogen dat deze vorderingen worden voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten aan de zijde van [appellante] gevallen en tot op heden begroot op
eerste aanleg: Afl. 834,74 aan verschotten en Afl. 1.750,- aan gemachtigdensalaris,
hoger beroep: Afl. 1.325,54 aan verschotten en Afl. 7.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 9 april 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.