Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-04-23
ECLI:NL:OGHACMB:2024:68
Civiel recht
Hoger beroep
2,883 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR2022H00306 en CUR202101450
Uitspraak: 23 april 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
gemachtigde: mr. L.F. Herben.
tegen
1. De stichting STICHTING JOHANNES BOSCO,
gevestigd in Curaçao,
gemachtigden: mrs. M.F. Murray en S.J.C. Anthonio,
2. De openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden.
gemachtigde: mr. G.N. Hollander.
Partijen worden hierna [appellant], SJB en het Land genoemd.
1De zaak in het kort
SJB heeft grond aan het Spaanse water in eigendom. [appellant] heeft twee woningen op aangrenzende waterkavels van het Land. Na een geschil zijn [appellant] en SJB in 1977 een minnelijke regeling overeengekomen over het gebruik door [appellant] van grond van SJB. Vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw hebben partijen vele procedures gevoerd in verband met dat gebruik. In 2010 is op basis van een grensregeling en een meetbrief een grens vastgelegd in een notariële akte. Ook daarna hebben partijen nog een groot aantal procedures gevoerd.
In deze procedure heeft [appellant] andermaal de toegang tot zijn beide waterkavels over grond van SJB aan de orde gesteld. Het Gerecht heeft zijn daartoe strekkende vorderingen afgewezen. In dit hoger beroep zijn de vorderingen van [appellant] opnieuw aan de orde.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 8 november 2022 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 17 oktober 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 15 december 2022 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog geheel zal toewijzen, alsmede zijn in hoger beroep ingestelde vordering.
2.3
Bij op 10 maart 2023 ingekomen memorie van antwoord heeft het Land de grief bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.
2.4
Bij op 14 maart 2023 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft ook SJB de grief bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.
2.5
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend, [appellant] en SJB met overlegging van producties.
2.6
SJB heeft zich bij akte over de producties van [appellant] uitgelaten.
2.7
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
3.1
Het Hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door het Gerecht in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.18 van het vonnis waarvan beroep, nu partijen daartegen geen bezwaren hebben aangevoerd en het Hof er geen bedenkingen bij heeft.
3.2 [
appellant] vordert in dit geding bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat (A) SJB jegens hem onrechtmatig handelt door inbreuk te maken op zijn huurdersrechten, (B) het Land jegens hem onrechtmatig handelt door tekort te schieten in de verplichting om het gehuurde ter beschikking van de huurder te stellen en te laten, voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is, (C) dat [appellant] als huurder de oorspronkelijke eigendomsgrens zoals volgt uit de plankaart, althans de toenmalige oeverlijn langs de dam, zoals die in 1985 feitelijk bestond, met de terugwerkende kracht als vastgelegde grens mag aanmerken, en (D) gedaagde te veroordelen in de proceskosten.
3.2 [
[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het Land en SJB in 2004 de grenzen op onjuiste wijze – over de grenzen van de huurpercelen van [appellant] en over het water in plaats van op de (hoogwater) grens tussen land en water – hebben aangewezen en de grens als bedoeld in artikel 5:31 BW hebben vastgelegd in een notariële akte van 26 februari 2010, waardoor sprake is van onrechtmatig handelen jegens [appellant].
[appellant] betoogt voorts dat SJB doelbewust inbreuk maakt op zijn rechten als huurder en dat het Land tekort schiet in zijn verplichting om het gehuurde ter beschikking te stellen en te laten van [appellant] als huurder. [appellant] heeft daarom ten onrechte geen toegang tot zijn waterkavels, zo luidt zijn betoog.
3.3
Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen. Het heeft geoordeeld dat de vordering is verjaard voor zover daaraan ten grondslag is gelegd dat SJB onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Sinds de vonnissen van het Hof van 8 maart 2011 (productie 3 bij conclusie van antwoord) en 14 april 2015 (productie 7 bij conclusie van antwoord) - beide in kracht van gewijsde gegaan – weet [appellant] dat SJB niet verplicht is om hem toegang tot zijn waterpercelen over haar grond te verschaffen. De verjaringstermijn van 5 jaar is derhalve sinds maart 2016 verstreken. De vordering van [appellant] tegen het Land stuit af op het feit dat het Land zijn verplichtingen jegens [appellant] is nagekomen door hem toegang tot zijn percelen over het water te verschaffen. Het Land is als verhuurder niet verplicht [appellant] toegang te verschaffen tot diens percelen via grond van SJB. In dat verband overweegt het Gerecht: “Het wel of niet toegang verschaffen van toegang aan [appellant] via grond van SJB is en blijft een aangelegenheid van SJB”.
3.4
Tegen deze laatste overweging is de (enige) grief van [appellant] gericht. De vorderingen van [appellant] berusten echter op stellingen die eerder (en zelfs meermaals) aan de rechter zijn voorgelegd en door deze consequent zijn verworpen. Die oordelen hebben tussen [appellant] en SJB gezag van gewijsde, zoals SJB terecht heeft aangevoerd. Bovendien komt het Hof thans tot dezelfde oordelen. Om niet in herhalingen te vervallen zal het Hof zal zijn beslissingen hier summier motiveren, onder verwijzing naar eerdere uitspraken.
3.5
Blijkens de toelichting op de grief baseert [appellant] zijn vordering jegens SJB onder meer op de grensregeling tussen SJB en het Land uit 2010 (zie hierboven onder 3.2). Dat beroep faalt. Het Hof verwijst hiervoor naar zijn onder registratienummer CUR201701045 – CUR2021H00120 tussen [appellant] en zijn echtgenote enerzijds, en SJB anderzijds (in de overweging aangeduid als “de stichting”), gewezen vonnis van 19 september 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:171, waarin weer wordt verwezen naar de hiervoor onder 3.3. genoemde vonnissen van dit hof (r.o. 3.7):
“In de hiervoor onder 3.1.13 tot en met 3.1.15 genoemde rechterlijke uitspraken, die tussen partijen zijn uitgesproken, heeft de rechter oordelen gegeven over de grens tussen de eigendommen van de stichting en die van het Land. Deze oordelen hebben gezag van gewijsde. Daarom moet tussen partijen worden aangenomen dat de grensregeling uit 2004 geldig is en dat de grens loopt overeenkomstig meetbrief 2009/467. Om dezelfde reden moet worden aangenomen dat de stichting niet onrechtmatig jegens [appellant] c.s. heeft gehandeld door tot die grensregeling te komen en dat zij daardoor (op zichzelf) ook geen inbreuk heeft gemaakt op huurdersrechten van [appellant] c.s. In het verlengde daarvan moet worden aangenomen dat de door [appellant] c.s. bedoelde hekken niet op kavel [kavelnummer] zijn geplaatst, maar op grond die in eigendom is van de stichting”.
3.6
Van onrechtmatig handelen aan de zijde van SJB jegens [appellant] is geen sprake. Voor zover in het in de memorie van grieven vervatte betoog van [appellant] nieuwe argumenten voor die stelling worden aangevoerd, leiden die niet tot een ander oordeel. Aan de als productie 1 tot en met 4 overgelegde brieven en gespreksverslagen – wat daar verder ook van zij – kan niet een krachtens beleid of gewoonterecht geldend recht van overpad worden ontleend. Een zodanig recht volgt evenmin uit het door [appellant] ingeroepen artikel 11 Bouw- en Woningverordening 1935 en artikel 1, tweede en achtste lid, Verkavelingsplan Brakkeput Ariba. Hoewel niet duidelijk is welke rechtsgevolgen [appellant] precies aan deze bepalingen wenst te verbinden, kan daaraan in ieder geval niet een verplichting voor SJB worden ontleend om [appellant] over hun grond toegang te verschaffen tot zijn waterkavels, noch een recht van [appellant] van die inhoud en strekking.
3.7
Over het door [appellant] gepretendeerde recht van overpad heeft het Hof in zijn hiervoor onder 3.3 en 3.5 aangehaalde vonnis van 8 maart 2011 (productie 3 bij conclusie van antwoord) het volgende overwogen:
“[appellant]s stelling dat hem een recht van overpad toekomt op grond van erfdienstbaarheid of bij wijze van een noodweg zal het Hof niet volgen. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij hetgeen het GEA terzake heeft overwogen onder 4.17 van het bestreden vonnis. Voorts verwijst het Hof naar hetgeen het Hof heeft overwogen in de onder registratienummer H 168/06 tussen partijen gewezen vonnissen van 30 januari 2007 (r.o 4.3) en 18 maart 2008 (r.o 3.2). Van een voor het door verklaring verkrijgen van een erfdienstbaarheid vereiste bezit is bij het door [appellant] gestelde overpad geen sprake, terwijl zich naar het oordeel van het Hof hier evenmin een “bijzondere situatie” voor doet als door [appellant] bedoeld. Daargelaten dat [appellant] “slechts” huurder en dus houder is van kavel [kavelnummer 2], voorheen nota bene in gebruik als botenhuisje, een waterkavel betreft en via het openbaar vaarwater van het Spaanse water bereikbaar is. Daarmee is derhalve ook geen sprake van een noodweg door artikel 5:57 BW vereiste noodtoestand dat geen behoorlijke toegang bestaat tot een openbare weg of openbaar vaarwater”.
3.8
De stelling van [appellant] dat de naast zijn waterkavels gelegen en aan SJB toebehorende kavels 50 en 167 “bewust leeg of onbenut (zijn) gelaten”, treft evenmin doel. Zelfs indien dat het geval zou zijn – SJB heeft als eigenaar in beginsel recht en belang bij een door haar gekozen gebruik - volgt daaruit nog niet dat [appellant] enig (persoonlijk of zakelijk) recht op (een bepaald gebruik van) deze kavels kan doen gelden. Daarvoor is immers een toereikende grondslag vereist – zoals een huurovereenkomst, of een zakelijk gebruiksrecht – die niet is komen vast te staan. Van een noodweg als bedoeld in artikel 5:57 BW kan geen sprake zijn nu de door [appellant] gehuurde waterkavels via het Spaanse water bereikbaar zijn.