Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-06-04
ECLI:NL:OGHACMB:2024:66
Civiel recht
Hoger beroep
2,121 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: AUA202203626 – AUA2022H00256
Uitspraak: 4 juni 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
1. [APPELLANT 1],
wonende in Aruba,
procederende in persoon,
2. [APPELLANTE 2],
wonende in Aruba,
procederende in persoon,
3. MASSIMO CONSULTANT AND FINANCIAL SERVICES N.V.,
gevestigd in Aruba,
vertegenwoordigd door haar bestuurder E.A.A. Mathew,
in eerste aanleg eisers, thans appellanten,
tegen
1. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NOTARISKANTOOR MR. C.A. TROMP VBA,
handelende onder de naam
NEWLEAF,
gevestigd in Aruba,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,
2. de naamloze vennootschap
FATUM GENERAL INSURANCE (ARUBA) N.V.,
mede handelende onder de naam
GUARDIAN GROUP GENERAL INSURANCE,
gevestigd in Aruba,
gemachtigde: mr. M.R. Hammoud,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden.
Partijen worden hierna [appellant 1], [appellante 2], Massimo, het notariskantoor en Fatum genoemd. [appellant 1], [appellante 2] en Massimo worden gezamenlijk [appellanten] genoemd.
1De zaak in het kort
Dit kort geding in hoger beroep heeft betrekking op bezwaren van [appellanten] tegen een openbare verkoop van percelen, die in 2022 heeft plaatsgehad in opdracht van Fatum met tussenkomst van het notariskantoor.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 25 november 2022 ingekomen gedingstuk, getiteld “verzoekschrift hoger beroep”, met producties, zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 9 november 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). Bij dat gedingstuk hebben [appellanten] het hoger beroep toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof zal bepalen dat de in deze rechtszaak bedoelde openbare verkoop onrechtmatig is, de verkoop nietig zal verklaren, zal bevelen de openbare verkoop en de levering te staken en het notariskantoor en Fatum zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
2.2
Bij op 6 februari 2023 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft het notariskantoor het hoger beroep bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof [appellanten] noch in hun hoger beroep, noch in hun vorderingen zal ontvangen, althans de vorderingen aan hen zal ontzeggen, met veroordeling van [appellanten], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.
2.3
Bij op 10 februari 2023 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft ook Fatum het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het bestreden vonnis zal bevestigen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en de nakosten, met rente.
2.4
Op 3 oktober 2023 heeft alleen Fatum pleitnotities ingediend, met producties.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
De procespartijen
3.1
Het Hof heeft de procespartijen aangeduid zoals in de kop van dit vonnis staat vermeld. Voor een motivering daarvan verwijst het Hof naar rov. 2.1-2.3 van het bestreden vonnis. Het Hof verenigt zich met die overwegingen van het Gerecht.
Uitgangspunten in hoger beroep
3.2
Het Hof gaat uit van het volgende. Op 14 oktober 2022 zijn twee percelen aan [adres] in Aruba in het openbaar verkocht. De percelen stonden op naam van [appellant 1], die getrouwd is met [appellante 2]. De openbare verkoop vond in opdracht van Fatum plaats ten overstaan van de notaris die aan het notariskantoor is verbonden. De percelen zijn gegund aan de hoogste bieder. Achteraf is namens [appellant 1] bij Fatum geprotesteerd tegen de openbare verkoop. [appellant 1] heeft een akte ondertekend waarin staat dat een deel van zijn vordering op Fatum wordt overgedragen aan Massimo.
Vorderingen
3.3
In dit kort geding hebben [appellanten] bij een op 21 oktober 2022 ingediend inleidend verzoekschrift gevorderd, naar het Hof begrijpt en verkort weergegeven, dat de rechter, uitvoerbaar bij voorraad:
a. beveelt dat de openbare verkoop wordt gestaakt;
b. indien al een koopsom is betaald: beslag doet leggen op de bankrekeningen van Fatum en het notariskantoor en de koop annuleert;
c. indien al een koopsom is betaald: beveelt dat de koopsom wordt terugbetaald;
d. een dwangsom oplegt voor iedere dag dat Fatum haar registratie handhaaft dat zij een recht van hypotheek heeft op de twee percelen.
Beoordeling
3.5
Er is geen goede reden om [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep.
3.6
De vorderingen in hoger beroep strekken ertoe, naar het Hof begrijpt, dat het Hof:
e. voor recht verklaart dat de openbare verkoop onrechtmatig is;
f. voor recht verklaart dat de openbare verkoop nietig is;
g. beveelt dat de openbare verkoop wordt gestaakt; en
h. beveelt dat de levering van de percelen wordt gestaakt.
3.7
De rechter kan in kort geding geen verklaringen voor recht uitspreken. Hierop stranden de vorderingen e en f.
3.8
Zoals het notariskantoor en Fatum hebben aangevoerd en [appellanten] niet hebben betwist, moet worden aangenomen dat de openbare verkoop heeft plaatsgehad, dat deze tot een koop heeft geleid en dat de koop geheel is uitgevoerd doordat de percelen zijn geleverd en de koopsom is betaald. Gelet hierop is het niet meer mogelijk om de openbare verkoop of de levering te staken. Hierop lopen de vorderingen a, g en h stuk. Aangenomen moet worden dat dit ook al zo was ten tijde van de bestreden beslissing.
3.9
Met betrekking tot dit geschil zijn [appellanten] ook een bodemzaak begonnen. [appellanten] hebben er in hoger beroep op aangedrongen dat de diverse geschilpunten in die bodemzaak beoordeeld worden. In het licht daarvan hebben [appellanten] in hoger beroep onvoldoende duidelijk kenbaar gemaakt dat zij de vorderingen b, c en d (ook) in dit kort geding in hoger beroep handhaven (indien dat hun bedoeling was). Die vorderingen kunnen dus evenmin worden toegewezen.
3.10
Gelet op het voorgaande komt geen van de vorderingen in aanmerking voor toewijzing in dit kort geding in hoger beroep. Daarom is het niet nodig dat het Hof de verschillende door [appellanten] aangevoerde grondslagen van hun vorderingen bespreekt.
3.11
Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van het notariskantoor gevallen en tot op heden begroot op Afl. 197,00 aan verschotten en Afl. 4.000,00 aan salaris voor de gemachtigde en aan de zijde van Fatum gevallen en tot op heden begroot op Afl. 197,00 aan verschotten en Afl. 5.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 4 juni 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.