Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-07-30
ECLI:NL:OGHACMB:2024:332
Civiel recht
Hoger beroep
2,007 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:OGHACMB:2024:332 text/xml public 2026-04-01T15:35:02 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2024-07-30 CUR2023H00195 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2024:332 text/html public 2026-04-01T15:33:51 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2024:332 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 30-07-2024 / CUR2023H00195 Aruba. Doorbetaling loon korting covid-19. Burgerlijke zaken over 2024 Uitspraak: 30 juli 2024 Zaaknr: AUA202000994 – AUA2021H00030 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Beschikking in de zaak van: de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MERANTILLAS V.B.A. , gevestigd in Aruba, in eerste aanleg verweerster, thans appellante, hierna te noemen: RIU, gemachtigde: mr. R.A. Wix, -tegen- [geïntimeerde] , wonende in [woonplaats], in eerste aanleg verzoeker, thans geïntimeerde, hierna te noemen: de werknemer, gemachtigde: mr. D.G. Kock. 1 Het verloop van de procedure 1.1 Verwezen wordt naar de op 19 januari 2021 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2 RIU is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 2 maart 2021 van een beroepschrift, met een productie. 1.3 De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 27 september 2021 in het gerechtsgebouw te Aruba. RIU is verschenen, bijgestaan door mr. Zeppenfeldt, occuperende voor de gemachtigde van RIU. De werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. Smit, occuperende voor de gemachtigde van de werknemer. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van RIU aan de hand van een overgelegde pleitnota en de gemachtigde van de werknemer aan de hand van een door haar overgelegd verweerschrift. Ook zijn vragen van het Hof beantwoord. 1.4 Uitspraak is bepaald op 30 november 2021. 1.5 Bij email van 18 november 2022 heeft de griffie van het Hof partijen bericht dat er nog geen uitspraak is gedaan, dat een van de rechters de uitspraak niet zal kunnen mee wijzen en dat het Hof zonder tegenbericht ervan uitgaat dat partijen ermee instemmen dat een gewijzigde combinatie beslist en uitspraak doet. Het Hof heeft van partijen geen bericht ontvangen. 1.6 Bij email van 14 mei 2024 heeft de griffie van het Hof partijen bericht, naar aanleiding van een verzoek van mr. Kock om aandacht voor deze zaak, dat het dossier helaas in het ongerede is geraakt met het verzoek om een afschrift van het dossier aan het Hof te verstrekken. 1.7 Bij email van 27 mei 2024 heeft de griffie van het Hof partijen bericht dat het dossier terecht is met het verzoek partijen te laten weten of bij de verdere behandeling van de zaak rekening moet worden gehouden met de huidige stand van zaken. De gemachtigde van de werknemer heeft verzocht om uitspraak. 1.8 Uitspraak is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1 De werknemer is op 31 mei 2019 voor de duur van zes maanden in loondienst getreden van RIU, in de functie van ‘cleaner’ tegen een brutoloon van Afl. 683,64 per quincena, vermeerderd met 1.00 punt F&B Service Charge Points. 2.2 Op 20 oktober 2019 is de werknemer op het werk ziek geworden en met de ambulance afgevoerd. Op 21 oktober 2019 heeft de werknemer zich bij de SVB gemeld en is hij arbeidsongeschikt verklaard. 2.3 Gedurende de arbeidsongeschiktheid heeft RIU aan de werknemer meegedeeld dat zijn dienstverband per eind november 2019 van rechtswege is geëindigd. 2.4 Bij aan RIU gerichte brief van 27 februari 2020 heeft de werknemer zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten en heeft hij doorbetaling van loon gevorderd. 2.5 Op 18 maart 2020 is de werknemer weer arbeidsgeschikt verklaard. 3 De beoordeling 3.1 De werknemer heeft verzocht: 1. voor recht te verklaren dat de bepalingen inzake de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst van 28 mei 2019; 2. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat totdat deze op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd; 3. RIU te veroordelen om aan de werknemer het loon door te betalen vanaf 1 december 2019 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW; 4. RIU te veroordelen in de proceskosten. 3.2 Het Gerecht heeft de verzoeken van de werknemer sub 1 en 2 toegewezen en RIU veroordeeld tot betaling aan de werknemer van zijn volledige loon gerekend vanaf 1 december 2019 tot de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% telkens gerekend vanaf de opeisbaarheid van dat loon en RIU veroordeeld in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. 3.3 Partijen hebben tijdens de procedure in hoger beroep de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 27 augustus 2021 tegen betaling van een vergoeding aan de werknemer van in totaal Afl. 13.236,-. 3.4 Gelet hierop bestaat geen belang meer bij een oordeel over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 30 november 2019 van rechtswege is geëindigd. Aan de orde is nog wel de vraag of de werknemer aanspraak heeft op het volledig loon over de periode 1 december 2019 tot en met 27 augustus 2021 dan wel slechts op 60% daarvan. 3.5 RIU stelt zich op het standpunt dat de werknemer over de periode mei 2020 tot 27 augustus 2021 recht heeft op 60% van het loon. Die stelling ziet dus niet op de periode van 1 december 2019 tot mei 2020. Met betrekking tot laatstgenoemde periode heeft RIU geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij niet gehouden zou zijn het volledige loon te betalen. RIU is dus over de periode 1 december 2019 tot mei 2020 het volledig loon aan de werknemer verschuldigd. 3.6 Ten aanzien van de resterende periode (mei 2020-27 augustus 2021) oordeelt het Hof als volgt. 3.7 RIU stelt dat de werknemer zich door ondertekening van formulieren van SVB telkens uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met betaling van 60% van zijn loon over de maanden april 2021 tot en met 27 augustus 2021. De werknemer heeft niet betwist dat hij dergelijke formulieren heeft ondertekend. De werknemer heeft evenmin de stellingen van RIU betwist dat hij begreep wat hij tekende omdat de formulieren behalve in het Nederlands ook in het Papiamento waren en dat hij destijds nooit heeft geklaagd dat hij 60% van het loon ontving. Het Hof gaat dan ook hiervan uit. Gelet hierop leggen de stellingen van de werknemer dat hij niet wist wat hij ondertekende, dat RIU het salaris had moeten aanvullen, dat de formulieren enkel vermeldden dat het loon niet lager zou zijn dan 60% en dat RIU geen intentie had om loonsubsidie aan te vragen onvoldoende gewicht in de schaal. Gelet op het voorgaande kan de werknemer over de periode april 2021 tot 27 augustus 2021 geen aanspraak maken op het volledige loon maar slechts op 60% van het loon. Nu RIU over genoemde periode 60% van het loon heeft uitbetaald is zij niets meer aan de werknemer verschuldigd. 3.8 Niet is komen vast te staan dat de werknemer ook over de periode mei 2020 tot april 2021 akkoord is gegaan met betaling van 60% van zijn loon. De stelling van RIU dat zij ook over die maanden niet het volledig loon verschuldigd is, maar slechts 60% daarvan wordt door het Hof aangemerkt als een beroep op matiging. Voor matiging is plaats indien toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Bij de beoordeling of hiervan sprake is dient terughoudendheid te worden betracht. Alle bijzonder omstandigheden van het geval dienen in aanmerking te worden genomen.