Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-11-26
ECLI:NL:OGHACMB:2024:315
Civiel recht
Hoger beroep
1,466 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202203442 en CUR2023H00208
Uitspraak: 26 november 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G op een verzoek om zekerheidsstelling voor proceskosten
in de zaak van:
[appellant],
domicilie gekozen in [land],
hierna te noemen: [appellant],
appellant,
gemachtigden: mrs. L.F.F. M. Drissen en H.N. Kirpalani,
tegen
de besloten vennootschap
CARIBBEAN MEDICAL UNIVERSITY (CMU) B.V.
gevestigd in Curaçao,
hierna te noemen: CMU,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 14 juli 2023 ingekomen beroepschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 6 juni 2023 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij verweerschrift, tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep heeft CMU het hoger beroep van [appellant] bestreden en incidenteel hoger beroep ingesteld. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover de tegenvorderingen van CMU zijn afgewezen en die vorderingen alsnog zal toewijzen, met bevestiging voor het overige van de bestreden beschikking en met veroordeling van [appellant]– uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep.
1.3
Bij ditzelfde verweerschrift heeft CMU verzocht dat het Hof [appellant] beveelt zekerheid te stellen voor de proceskosten in hoger beroep.
1.4
Bij verweerschrift in het incidenteel beroep heeft [appellant] het incidenteel hoger beroep en het verzoek om zekerheidsstelling bestreden.
1.5
Beschikking op het verzoek om zekerheidsstelling is bepaald op vandaag.
Procesverloop
2.1 [
[appellant] heeft doorbetaling van loon verzocht, toelating tot zijn werkzaamheden bij CMU en nabetalingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, met de wettelijke vertragingsrente en de wettelijke rente.
2.2
CMU heeft een tegenverzoek ingesteld, waarbij zij ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht, zonder toekenning van enige vergoeding, en terugbetaling van in totaal USD 70.000 wegens onverschuldigde betaling.
2.3
Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van [appellant] geheel afgewezen, is het verzoek van CMU tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegewezen per datum beschikking, zonder toekenning van enige vergoeding en zijn de overige tegenverzoeken van CMU afgewezen.
Beoordeling
3.1
CMU beroept zich op artikel 122 Rv jo artikel 279 Rv en stelt dat [appellant] zekerheid moet stellen voor de proceskosten in hoger beroep. CMU heeft daartoe aangevoerd dat [appellant] niet meer in Curaçao woont, dat hij voorheen in Anguilla woonde en dat CMU ervan uitgaat dat hij naar Anguilla is teruggekeerd.
3.2
Hoewel dit niet is bepaald in Boek 1 Titel 10 Rv, kan ook in een procedure die met een beschikking eindigt, verzocht worden om zekerheidsstelling voor proceskosten.
3.3
CMU moet stellen en bewijzen dat aan de eisen van art. 122 Rv is voldaan en dus dat [appellant] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Curaçao heeft. [appellant] heeft dit betwist en heeft gesteld dat hij wel degelijk in Curaçao woont, onder overlegging van een uittreksel uit de Basisadministratie Persoonsgegevens (met als adres [adres]). Per mailbericht van 8 oktober 2024 aan het Hof met kopie aan de wederpartij heeft de gemachtigde van CMU gesteld dat dit appartement aan de directeur van CMU toebehoort en dat [appellant] dit appartement heeft verlaten kort na de beëindiging van zijn dienstverband in 2023.
3.4
Het Hof zal alvorens te beslissen [appellant] in de gelegenheid stellen bij hierna te melden antwoordakte te reageren op de stellingen van CMU in dit emailbericht (een reactiegelegenheid daarna voor CMU is niet nodig).
3.5
Wat betreft het verschuldigde griffierecht stelt de griffier zich op het standpunt dat [appellant], gelet op de hoogte van zijn vorderingen in eerste aanleg, op grond van artikel 20 lid 1 sub f en lid 7 van het Landsbesluit Tarieven in Burgerlijke Zaken NAf 15.000 verschuldigd is. [appellant] heeft NAf 900 betaald en dient het resterende bedrag van NAf 14.100 te voldoen uiterlijk vóór de roldatum waarop hij genoemde akte moet nemen. Bij de door hem te nemen akte dient [appellant] een bewijs te voegen dat het verschuldigde griffierecht volledig is voldaan. Het Hof zal de termijn voor betaling en reactie op zes weken stellen. Om onredelijke vertraging te voorkomen zal het Hof ambtshalve de rolaanduiding P3 toevoegen (en dus geen uitstel toestaan).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 januari 2025 voor antwoordakte aan de zijde van [appellant] (ambtshalve P3) zoals hiervoor bedoeld in 3.4 en 3.5;
houdt de zaak voor het overige aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 26 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.