Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-12-03
ECLI:NL:OGHACMB:2024:312
Civiel recht
Hoger beroep
4,725 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202101907 en CUR2022H00266
Uitspraak: 3 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de openbare rechtspersoon
Het Land Curaçao,
dat zetelt in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak,
thans appellant,
gemachtigden: mrs. E.G.I. van der Plank en A.C. van Hoof,
tegen
S.B. Construction B.V.,
die is gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in de hoofdzaak,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.M. Nagelmakers,
en
[geïntimeerde],
handelende onder de naam Bright Activities,
die woont in [woonplaats],
in eerste aanleg in de vrijwaringszaak gedaagde tevens eiser in reconventie,
thans geïntimeerde
gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie.
Partijen worden hierna aangeduid als het Land, S.B. en [geïntimeerde].
1De zaak in het kort
1.1
S.B. is aannemer. Zij stelt in opdracht en voor rekening van het Land meerwerk te hebben verricht bij een project en vordert betaling van haar rekening daarvoor. [geïntimeerde] is adviseur. Hij stelt in opdracht en voor rekening van het Land werkzaamheden te hebben verricht en vordert betaling daarvoor.
Het Land voert in beide gevallen aan dat geen schriftelijke opdracht is verstrekt. Die eis wordt echter in de Landsverordening Financieel Beheer wel gesteld. Betwist wordt voorts dat het meerwerk door S.B. is verricht. De rekeningen van [geïntimeerde] vindt het Land onvoldoende gespecificeerd.
1.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft geoordeeld dat het beroep dat het Land doet op het schriftelijkheidsvereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De beide vorderingen zijn voldoende onderbouwd. Om die reden zijn deze beide toegewezen.
1.3
Het Hof zal het vonnis van het Gerecht vernietigen en alsnog de vorderingen van S.B. en [geïntimeerde] afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom zo geoordeeld wordt.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 29 september 2022 ingekomen akte van appel is het Land in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 22 augustus 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 10 november 2022 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft het Land twee grieven aangevoerd in de hoofdzaak en twee grieven in de vrijwaringszaak. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog
- in de hoofdzaak de vorderingen van S.B. afwijst met veroordeling van S.B. in de proceskosten van beide instanties en
- in de vrijwaringszaak de vorderingen van het Land in conventie toewijst en de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie afwijst met veroordeling, naar het Hof begrijpt, van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3
Bij op 23 januari 2023 ingekomen memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] het hoger beroep bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe het vonnis waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie, te bekrachtigen met veroordeling van het Land in de kosten van het hoger beroep.
2.4
Bij op 25 januari 2023 ingekomen memorie van antwoord heeft ook S.B. het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen met veroordeling van het Land in de kosten van het hoger beroep.
2.5
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. [geïntimeerde] heeft daarbij producties overgelegd.
2.6
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3De beoordeling
Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
S.B. heeft in opdracht van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (hierna: het Ministerie) het Sentro di Bario Koraal Specht verbouwd. Tijdens de uitvoering van die opdracht is aanvankelijk Heren 2 Caribbean B.V. en vervolgens [geïntimeerde] als bouwdirectie voor het Ministerie opgetreden.
3.3
De oplevering van het werk werd besproken op 16 augustus 2017 ten kantore van het Ministerie. Aanwezig waren: S.B., [geïntimeerde] en namens het Land mevrouw [betrokkene A] en de heer [betrokkene B]. [geïntimeerde] stelde aan de orde dat nog gewacht werd op definitieve goedkeuring en fondsen voor de meerwerken die waren opgenomen in de offerte van S.B. Mevrouw [betrokkene A] verliet daarop de kamer om te telefoneren met de heer [betrokkene C]. Na terugkeer deelde zij mede dat het akkoord was. Op 18 augustus 2017 is door [geïntimeerde] schriftelijk akkoord gegeven aan S.B. om de meerwerken uit te voeren.
3.4
Op 21 september 2017 heeft S.B. een bedrag van NAf 31.694,70 aan meerwerk gefactureerd.
Vorderingen
3.5
S.B. heeft bij het Gerecht in de hoofdzaak gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van het Land tot betaling van een hoofdsom van
NAf 31.694,70, vermeerderd met rente en kosten, alsmede de proceskosten.
3.6
In de vrijwaringszaak heeft het Land (in conventie) gevorderd dat [geïntimeerde] het Land volledig dan wel ten dele moet vrijwaren voor het bedrag waartoe het Land in de hoofdzaak zal worden veroordeeld met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.7 [
geïntimeerde] heeft in de vrijwaringszaak in reconventie gevorderd veroordeling van het Land tot betaling van NAf 7.420,- en NAf 1.230,-, vermeerderd met rente en kosten, alsmede de proceskosten.
Dictum
3.8
In het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht:
- in de hoofdzaak het Land veroordeeld tot betaling aan S.B. van NAf 28.832,53 en de proceskosten;
- in de vrijwaringszaak in conventie de vordering van het Land afgewezen met veroordeling van het Land in de proceskosten;
- in de vrijwaringszaak in reconventie het Land veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen NAf 8.650,- en de proceskosten.
De grieven van het Land
3.9
De grieven van het Land tegen het vonnis van het Gerecht kunnen als volgt worden samengevat:
- voor een geldige overeenkomst tussen S.B. en het Land en tussen [geïntimeerde] en het Land was een schriftelijke opdrachtverstrekking nodig. Die is er niet. [geïntimeerde], die de bouwdirectie voerde, was niet bevoegd het Land te binden.
- het schriftelijkheidsvereiste kan niet opzij geschoven worden door de redelijkheid en billijkheid.
- S.B. heeft het gefactureerde meerwerk feitelijk niet verricht.
- de reconventionele vordering van [geïntimeerde] is onvoldoende onderbouwd.
Het vereiste van schriftelijkheid
3.10
In artikel 9 Landsverordening Financieel Beheer (PB 2015, No 79) staat:
“1. Opdrachten tot het uitvoeren van werken of tot het doen van leveringen of dienstverrichtingen ten behoeve van het Land worden verstrekt door de budgethouder.
(…)
3. Opdrachten tot het uitvoeren van werken of tot het doen van leveringen of dienstverrichtingen ten behoeve van het Land voor een bedrag groter dan NAf 1.000,- worden steeds schriftelijk verstrekt.”
3.11
Een bepaalde vorm van schriftelijke verstrekking van opdrachten is niet voorgeschreven. Zo zal een, bij het Land gebruikelijke, bestelbon kunnen gelden als een schriftelijke opdrachtverstrekking, maar andere vormen van schriftelijke vastlegging zijn dus eveneens toegestaan.
3.12
De budgethouder is degene die op grond van artikel 40 lid 1 Landsverordening comptabiliteit 2010 is gemachtigd tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van financiële verplichtingen.
De door [geïntimeerde] aan S.B. verstrekte opdracht
3.13
Op 18 augustus 2017 is door [geïntimeerde] schriftelijk opdracht verstrekt aan S.B. om het meerwerk uit te voeren. Het Gerecht heeft overwogen (in overweging 4.4) dat [geïntimeerde] als bouwdirectie niet bevoegd was het Land te vertegenwoordigen ter zake het opdragen van meerwerk. Dat is juist omdat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] budgethouder was. Hij voerde wel de directie, maar dat hield in toezicht op het werk binnen het kader van het door de opdrachtgever (het Land) geaccordeerde budget. Zijn bevoegdheid hield niet in zelf over nieuwe budgetten te beslissen.
3.14
Voor die functies waarvoor geen overheidsdienaar van een machtiging is voorzien, kan voor een incidenteel geval een ministeriële machtiging van de Minister van Financiën worden gegeven. Die machtiging heeft dan betrekking op de rechtshandeling die samenhangt met het aangaan van een specifieke (financiële) verplichting. De machtiging moet voorafgaand aan het verrichten van de rechtshandeling zijn verstrekt. Dat staat in de memorie van toelichting op artikel 40 Landsverordening Comptabiliteit. Dat [geïntimeerde] een dergelijke bijzondere gemachtigde was, is niet gesteld.
3.15
De op 18 augustus 2017 schriftelijk aan S.B. verstrekte opdracht kan dus niet worden aangemerkt als een door het Land verstrekte opdracht. S.B. vordert betaling van wat haar op grond van die gestelde opdracht toekomt. Zonder geldige opdracht is er echter geen basis voor de gevorderde betaling.
Het beroep op de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van S.B.
3.16
S.B. heeft bij het Gerecht aangevoerd dat het beroep van het Land op onbevoegdheid van [geïntimeerde] en/of het ontbreken van een schriftelijk verstrekte opdracht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het Gerecht is haar daarin gevolgd op grond van de overweging, samengevat, dat de gang van zaken op 16 augustus 2017 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt bij S.B. dat het Land akkoord was met het opdragen van het geoffreerde meerwerk.
3.17
Bij de beoordeling van deze kwestie wordt het volgende voorop gesteld.
Gelet op de ratio van de hier bedoelde comptabiliteitsregels kan het alleen in uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar zijn dat het Land daarop een beroep doet. In een democratische rechtsstaat komt immers groot gewicht toe aan de bevoegdheidsverdeling in financiële aangelegenheden en juist in een kleinschalige samenleving zoals Curaçao, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, geldt dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht moeten worden genomen (vergelijk Gemeenschappelijk Hof 26 mei 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:130 en Gemeenschappelijk Hof 29 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:157).
3.18
Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is geen sprake. S.B. beroept zich erop dat de bij het project betrokken ambtenaar [betrokkene A] contact heeft gehad met de, kennelijk hiërarchisch hogere, ambtenaar [betrokkene C] en dat deze [betrokkene C] toen heeft ingestemd met de opdracht voor het meerwerk. Dat [betrokkene C] budgethouder was of een incidentele bijzondere volmacht van de Minister van Financiën had, is niet gesteld. Dat eerdere contacten over het project van [geïntimeerde] met [betrokkene C] bestonden kan wel worden afgeleid uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken (productie 5 bij diens memorie van antwoord), maar dat enkele feit kon bij S.B. niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat [betrokkene C] zelfstandig budgetbevoegd was.
3.19
Uit de aantekeningen van de mondelinge behandeling van de zaak bij het Gerecht blijkt dat S.B. aanvoerde dat op enig moment met de secretaris-generaal van het Ministerie en de Minister is gesproken over de uitblijvende betaling van de factuur van S.B. en dat toen zowel de Minister als de secretaris-generaal hebben gezegd dat betaling zou volgen. Door het Land is dit tijdens die mondelinge behandeling weersproken. In hoger beroep heeft S.B. zich uitsluitend geconcentreerd op de kwestie van de schriftelijkheid. Aan de gestelde toezegging is geen woord meer gewijd. Indien S.B. die toezegging, ook in hoger beroep, mede ten grondslag heeft willen leggen aan haar verweer (dat het beroep van het Land op de schriftelijkheidseis onaanvaardbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid) geldt daarom dat onderbouwing van het verweer ontbreekt en S.B. reeds daarom niet daarin gevolgd kan worden.
3.20
Het niet nakomen van die eventuele toezegging neemt echter nog steeds niet weg dat het Land er alle belang bij heeft dat, in de eerdere fase van de opdrachtverlening, de regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. Als in die fase de Minister en/of de secretaris-generaal, op basis van toereikende informatie, uitdrukkelijk mondeling opdracht hebben verleend zou dat wellicht anders kunnen zijn, maar die situatie is niet gesteld en doet zich dus niet voor.
3.21
Het beroep van het Land op onbevoegdheid van [geïntimeerde] en/of het ontbreken van een schriftelijk verstrekte opdracht is dan ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.22
De grief van het Land ten aanzien van het nu besproken punt slaagt dus. De vordering van S.B. zal daarom alsnog worden afgewezen.
Conclusie
3.27
De grieven van het Land tegen het vonnis van 22 augustus 2022 slagen. Dat vonnis wordt daarom vernietigd en de vorderingen van zowel S.B. als [geïntimeerde] worden alsnog afgewezen. Daarbij wordt aangetekend dat strikt genomen het vonnis van het Gerecht bevestigd zou kunnen worden ten aanzien van de beslissing in de vrijwaringszaak in conventie: de vordering van het Land werd daarin immers door het Gerecht afgewezen en ook het Hof komt tot een afwijzing, zij het op andere gronden. Ter wille van de overzichtelijkheid zal echter het vonnis van het Gerecht ook op dit onderdeel worden vernietigd.
3.28
In de hoofdzaak tussen het Land en S.B. is S.B. te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. Die kosten zijn (in NAf):
In eerste aanleg:
Hoofdzaak:
salaris gemachtigde 2.500,- (2 punten tarief 5 à 1.250,- per punt)
Vrijwaringsincident: de kosten worden gecompenseerd.
In hoger beroep:
- salaris gemachtigde 5.000,- (2,5 punt tarief 5 à 2.000,- per punt)
- griffierecht 1.500,-
- verschotten 354,73
3.29
In de vrijwaringszaak tussen het Land en [geïntimeerde] is het Land in conventie te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. Die kosten zijn (in NAf):
In eerste aanleg:
salaris gemachtigde 2.500,- (2 punten tarief 5 à 1.250,- per punt)
In hoger beroep:
- salaris gemachtigde 5.000,- (2,5 punt tarief 5 à 2.000,- per punt)
- verschotten 354,73
3.30
In de vrijwaringszaak tussen het Land en [geïntimeerde] is [geïntimeerde] in reconventie te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. Die kosten zijn (in NAf):
In eerste aanleg:
salaris gemachtigde 1.000,- (2 punten tarief 3 à 500,- per punt)
In hoger beroep:
- salaris gemachtigde 1.500,- (2,5 punt tarief 3 à 500,- per punt)
- verschotten 354,73
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis van 22 augustus 2022 en, opnieuw rechtdoende:
wijst af de vordering van S.B. Construction B.V.;
wijst af de vordering van [geïntimeerde];
veroordeelt S.B. Construction B.V. in de kosten van de procedure tussen haar en het Land en stelt die kosten vast op:
in eerste aanleg: NAf 2.500,- salaris gemachtigde;
in hoger beroep: NAf 5.000,- aan salaris gemachtigde, NAf 1.500,- griffierecht en
NAf 354,73 aan (overige) verschotten;
compenseert de kosten van de procedure in het vrijwaringsincident tussen het Land en S.B. Construction B.V.;
veroordeelt het Land in de kosten van de procedure in de vrijwaringszaak in conventie en stelt die kosten vast op:
in eerste aanleg: NAf 2.500,- salaris gemachtigde;
in hoger beroep: NAf 5.000,- aan salaris gemachtigde en NAf 354,73 aan verschotten;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in de vrijwaringszaak in reconventie en stelt die kosten vast op:
in eerste aanleg: NAf 1.000,- salaris gemachtigde;
in hoger beroep: NAf 1.500,- aan salaris gemachtigde en NAf 354,73 aan verschotten;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de daarbij uitgesproken veroordelingen in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, E.W.A. Vonk en
W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.