Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-12-17
ECLI:NL:OGHACMB:2024:310
Civiel recht
Hoger beroep
13,290 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202102297 en CUR2022H00360 (zaak A)
CUR202303343 en CUR2024H00120 (zaak B)
Uitspraak: 17 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de gevoegde zaken van:
CUR2022H00360 (zaak A)
de naamloze vennootschap
Exploitatiemaatschappij Brakkeput N.V.,
die is gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. E.R. de Vries,
tegen
de openbare rechtspersoon
De Staat der Nederlanden,
handelend namens het krijgsmachtdeel de Koninklijke Marine,
die zetelt in Nederland,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. T. Aardenburg.
en
CUR2024H00120 (zaak B)
de naamloze vennootschap
Exploitatiemaatschappij Brakkeput N.V.,
die is gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellante,
gemachtigde: mr. E.R. de Vries,
tegen
de openbare rechtspersoon
De Staat der Nederlanden,
handelend namens het krijgsmachtdeel de Koninklijke Marine,
die zetelt in Nederland,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. T. Aardenburg.
Partijen worden hierna aangeduid als Brakkeput respectievelijk de Koninklijke Marine.
1De zaken in het kort
1.1
Brakkeput huurde van de Koninklijke Marine het Marine Watersport en Recreatiecentrum in Curaçao. Zij exploiteerde daar het restaurant Boathouse. De huur is door de Koninklijke Marine opgezegd. Brakkeput heeft schadevergoeding gevorderd (zaak A, de schadestaatprocedure).
1.2
De Koninklijke Marine heeft het Gerecht verzocht vervangende toestemming te geven om de huur met Brakkeput op te zeggen omdat de Huurcommissie nalaat op een dergelijk verzoek te beslissen (zaak B).
1.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de vordering van Brakkeput (zaak A) afgewezen op 14 november 2022. De vordering van de Koninklijke Marine (zaak B) is toegewezen op 8 april 2024.
1.4
Het Hof zal het vonnis in zaak A, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bekrachtigen. In zaak B wordt het vonnis vernietigd en wordt de vordering van de Koninklijke Marine alsnog afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom zo wordt geoordeeld.
2Het verloop van de procedure
Zaak A
2.1
Bij op 22 december 2022 ingekomen akte van appel is Brakkeput in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 14 november 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 1 februari 2023 ingekomen memorie van grieven (met producties 8 tot en met 15) heeft Brakkeput acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis, voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen, vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de Koninklijke Marine veroordeelt tot betaling van NAf 10.074.236,30, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
2.3
Bij op 22 maart 2023 ingekomen memorie van antwoord (met producties A en B) heeft de Koninklijke Marine de door Brakkeput aangevoerde grieven weersproken.
2.4
Op 24 oktober 2023 hebben de advocaten van partijen pleitnotities ingediend (mr. Aardenburg met productie C).
2.5
Op 18 april 2024 heeft de Koninklijke Marine een vordering hernieuwd schriftelijk pleidooi gedaan. Dat verzoek is door het Hof op de rolzitting van 23 april 2024 toegewezen.
2.6
Op 21 mei 2024 hebben de advocaten van partijen opnieuw pleitnotities overgelegd (mr. De Vries met productie 16 en mr Aardenburg met productie D). De zaak is toen verwezen naar de rolzitting van 18 juni 2024 voor akte uitlating productie aan de zijde van de Koninklijke Marine. Op enig moment in juni 2024, maar voorafgaand aan de datum van 18 juni 2024 (en dus voordat de Koninklijke Marine de akte had kunnen nemen en voordat de zaak in staat van wijzen was gekomen) is als gevolg van een administratieve fout bij het Hof een stuk (“vonnis”) in deze zaak op rechtspraak.nl gepubliceerd. Dat stuk is niet als vonnis uitgesproken op enige rolzitting van het Hof en een vonnis is niet aan partijen afgegeven. De publicatie op rechtspraak.nl is op instructie van het Hof op 10 juni 2024 verwijderd en dit is aan partijen meegedeeld.
2.7
Brakkeput heeft daarop verzocht om een mondelinge behandeling van de zaak ten overstaan van andere rechters dan die welke genoemd zijn in het op rechtspraak.nl gepubliceerde stuk. Dat verzoek is door het Hof gehonoreerd.
Zaak B
2.8
Bij op 16 mei 2024 ingekomen akte van appel is Brakkeput in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 8 april 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.9
Bij op dezelfde dag ingekomen memorie van grieven (met producties 1 tot en met 3) heeft Brakkeput zes grieven tegen het vonnis van 8 april 2024 aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende zich onbevoegd verklaart, althans de Koninklijke Marine niet-ontvankelijk verklaart, althans de vordering van de Koninklijke Marine alsnog afwijst, met haar veroordeling in de proceskosten.
2.10
Bij op 22 juli 2024 ingekomen incidentele vordering tot voeging tevens memorie van antwoord (met productie A) heeft De Koninklijke Marine verzocht zaak B te voegen met zaak A en heeft zij de aangevoerde grieven weersproken.
Zaken A en B
2.11
Op 19 november 2024 zijn door beide partijen aanvullende stukken ingediend in beide zaken: door Brakkeput productie 17 en door de Koninklijke Marine producties B tot en met F.
2.12
De mondelinge behandeling heeft in beide zaken gelijktijdig plaats gevonden op 22 november 2024. De gemachtigden van partijen hebben toen pleitnotities overgelegd. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
2.13
Vonnis is gevraagd en, nader, bepaald op vandaag.
3De voeging
3.1
In zaak B heeft de Koninklijke Marine, in een incidentele conclusie, voeging verzocht met zaak A. Tijdens de mondelinge behandeling van beide zaken heeft Brakkeput met dat verzoek ingestemd.
3.2
De zaken A en B worden gevoerd tussen dezelfde partijen en zijn inhoudelijk verknocht. De voeging wordt daarom bevolen.
Feiten
4.1
Het Hof gaat, in beide gevoegde zaken, uit van de volgende feiten.
4.2
De Koninklijke Marine is eigenaar van twee percelen grond te Brakkeput Ariba. Deze percelen werden aanvankelijk gehuurd van de stichting Johannes Bosco (hierna: de stichting). In 1996 en 2006 zijn de percelen door de Koninklijke Marine gekocht.
4.3
Op de percelen is het Marine Watersport en Recreatie Centrum (hierna: het watersportcentrum) gevestigd. Het watersportcentrum is een faciliteit voor het personeel van de Koninklijke Marine. Naast watersportfaciliteiten was er een horecagelegenheid aanwezig.
4.4
In de leveringsakte waarbij de percelen zijn overgegaan van de stichting naar de Koninklijke Marine, is als persoonlijke verplichting opgenomen dat in het watersportcentrum een bar, keuken en watersportfaciliteiten ten behoeve van de leden wordt geëxploiteerd.
4.5
In 2004 heeft de Koninklijke Marine een aanbesteding gehouden met als doel om de exploitatie van het watersportcentrum en de horecagelegenheid uit te besteden aan een derde. Vervolgens is in december 2004 een overeenkomst aangegaan met Brakkeput voor de duur van vijf jaar. Op 14 december 2007 is een amendement bij de overeenkomst getekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“Artikel 1 - Onderwerp en duur van de overeenkomst
1. Ingebruikgever Koninklijke Marine] geeft aan Bruiklener [Brakkeput] in bruikleen het in de considerans omschreven Object en goederen voor de duur van 10 jaren, ingaand 25 juli 2006, derhalve eindigend op 24 juli 2016. Op 1 juli 2015 zal Ingebruikgever aangeven of zij de intentie heeft de uitbesteding van de exploitatie opnieuw onder de alsdan geldende condities te verlengen met eenzelfde periode, of dat Ingebruikgever de uitbesteding gaat beëindigen. Beëindiging kan slechts plaatsvinden op redelijke gronden of voor dwingend eigen gebruik.
2. Ingebruikgever geeft het Object uitsluitend in bruikleen ter exploitatie als
watersport-, recreatie- en horecagelegenheid, onder de condities en voorwaarden die daaraan in deze overeenkomst zijn gesteld.
3. Bruiklener verklaart het Object in gebruikte doch goede staat van onderhoud van Ingebruikgever in ontvangst te hebben genomen, deze uitsluitend te gebruiken voor het in lid 2 van dit artikel omschreven doel en in goede staat van onderhoud terug te geven aan Ingebruikgever.
(…)
Artikel 5 -
Kosten en Vergoeding
1. De Bruiklener verkrijgt het Object van Ingebruikgever in bruikleen gedurende de looptijd van de overeenkomst. Enerzijds verkrijgt Bruiklener hiermee binnen de kaders die worden gevormd door de exploitatiecondities in Bijlage 1 de mogelijkheid om het Object te exploiteren. Anderzijds houden de exploitatiecondities een aantal diensten in, die Bruiklener zal verlenen aan Ingebruikgever. In verband hiermee is een maandelijkse vergoeding overeengekomen, groot ANG 1,00, te voldoen door Bruiklener aan Ingebruikgever.
(...)”
4.6
In de in artikel 5 van het amendement genoemde bijlage 1 is onder meer het volgende opgenomen:
“3. Doelgroep
De doelgroep bestaat uit defensiepersoneel en leden van de Kustwacht Nederlandse
Antillen en Aruba, geplaatst of tewerkgesteld in het Caribisch gebied. Tot de doelgroep worden gerekend de partner, alsmede kinderen en ouders;
(...)
4.
Prijzen doelgroep
Voor de doelgroep geldt op vertoon van de defensielegitimatie voor alle
horecaprijzen op de menukaart een korting van 30%.
(...)”
4.7
De horecagelegenheid is geëxploiteerd onder de naam Boathouse. Boathouse ontwikkelde zich tot een meer commercieel restaurant.
4.8
Op 27 maart 2013 heeft de stichting bij het Gerecht een verzoekschrift ingediend, gericht tegen Brakkeput en de Koninklijke Marine, met als inzet dat de commerciële uitbating van Boathouse diende te stoppen.
4.9
Bij brief van 27 juni 2013 (de brief zelf is niet gedateerd, maar deze datum is niet in geschil) heeft de Koninklijke Marine aan Brakkeput onder meer het volgende bericht:
“Met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 1 lid 1 van Amendement 1 van 17 december 2007, kan ik de overeenkomst op redelijke gronden beëindigen.
Zoals reeds eerder is aangegeven is de Koninklijke Marine van mening dat uw commerciële activiteiten dermate groot zijn geworden, dat zij de oorspronkelijke doelstelling overschrijden. Daarnaast ben ik van mening dat het ondersteunen van commerciële activiteiten van deze aard, te weten een voor het algemeen publiek toegankelijk restaurant, niet past bij de taakstelling van Defensie en de huidige financiële werkelijkheid van onze organisatie. De huidige exploitatie gaat voorbij aan de bruikleenovereenkomst en de insteek van de Koninklijke Marine om wat extra's te doen voor haar personeel op Curaçao in de vorm van een Marine watersportcentrum met een beperkte horeca ondersteuning van de vereniging.
Hoewel in het huidige oneigenlijke gebruik aanleiding kan worden gevonden voor een beëindiging op korte termijn, ben ik van mening dat u, nu het overleg met de Stichting Johannes Bosco enerzijds en met uw Maatschappij anderzijds lang heeft geduurd, een redelijke termijn moet worden gegund om de activiteiten van de Boathouse af te bouwen en geheel te beëindigen.
Ik meen derhalve dat, door aan te sluiten bij de einddatum van de overeenkomst, met de einddatum van 24 juli 2016 u een alleszins redelijke termijn wordt geboden uw activiteiten te staken. De Koninklijke Marine zal de bruikleenovereenkomst van 29 december 2004, geamendeerd op 14 december 2007, bij ommekomst op 24 juli 2016 niet verlengen.”
4.10
Brakkeput heeft in haar antwoordbrief van 1 augustus 2013 betwist dat er een reden zou zijn voor beëindiging. Volgens Brakkeput was het juist de afspraak dat zij de Boathouse commercieel zou uitbaten en heeft zij zich daaraan gehouden. In de brief staat verder onder meer:
“Concluderend is EMB [Brakkeput] er stellig van overtuigd dat de eigenlijke reden van de door KM [Koninklijke Marine] gewenste beëindiging van de overeenkomst ligt in de dreiging van de door SJB [de stichting] geëntameerde gerechtelijke procedure. Zulks kan onder de omstandigheden van het geval evenwel niet gelden als een redelijke grond voor beëindiging. EMB kan dan ook onder geen beding akkoord gaan met de (plotseling) door u gewenste voorbehoudloze beëindiging van de overeenkomst tussen partijen, zoals aangezegd in uw brief van 27 juni 2013.
(…)”
4.11
De onder 4.8 genoemde vordering van de stichting is in eerste aanleg toegewezen. Bij vonnis van 23 oktober 2014 van het Gerecht is voor recht verklaard dat de Koninklijke Marine jegens de stichting tekortschiet door toe te laten dat de door de stichting aan de Koninklijke Marine verkochte percelen commercieel worden uitgebaat. De Koninklijke Marine en Brakkeput is bevolen om de exploitatie van het restaurant uiterlijk 24 juli 2016 te staken en gestaakt te houden.
4.12
Tegen dit vonnis is (alleen) Brakkeput in hoger beroep gegaan. Het vonnis in eerste aanleg is door het Hof bij vonnis van 28 juli 2015 vernietigd en de vorderingen van de stichting tegen Brakkeput zijn afgewezen op de grond dat Brakkeput niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting.
4.13
De Koninklijke Marine heeft in een kort gedingprocedure -samengevat-gevorderd dat Brakkeput wordt veroordeeld tot ontruiming van Boathouse, uiterlijk op 24 juli 2016.
Dictum
Verleent aan de Koninklijke Marine toestemming om de huur van het bedrijfspand "Marine Watersport en Recreatiecentrum" gelegen te Brakkeput met Exploitatie Maatschappij Brakkeput N.V. te beëindigen per 1 december 2018.
Beveelt Exploitatie Maatschappij Brakkeput N.V. het Marine Watersport en Recreatiecentrum Brakkeput per 1 december 2018 te verlaten met medeneming van al haar eigendommen en overigens in goed overleg met de Koninklijke Marine.”
4.15
Op vordering van de Koninklijke Marine heeft het Gerecht op 1 oktober 2018 vonnis gewezen en Brakkeput veroordeeld tot ontruiming van het watersportcentrum.
4.16
Op 19 december 2018 is een beschikking gegeven in het hoger beroep tegen de beschikking van de huurcommissie van 5 juli 2018. Dit hoger beroep was ingesteld door Brakkeput. In de beschikking van het Gerecht is onder meer geoordeeld dat geen sprake was van een huurovereenkomst en de Huurcommissie de Koninklijke Marine daarom niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek.
4.17
Op 16 januari 2019 is het watersportcentrum ontruimd door Brakkeput en zijn de sleutels ervan ingeleverd bij de gemachtigde van de Koninklijke Marine.
4.18
Op 13 oktober 2020 heeft het Hof uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van het Gerecht van 1 oktober 2018 (genoemd in 4.15). Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een gemengde overeenkomst met een overheersend karakter van huurelementen. In het vonnis (hierna: het vonnis in de hoofdprocedure) staat verder:
“(…)
3.10
De reconventionele vorderingen van EMB [Brakkeput} gaan terecht uit van het bestaan van een huurovereenkomst, althans van de toepasselijkheid van bepaalde huurrechtelijke regels op de (gemengde) overeenkomst. De opzegging van de overeenkomst zonder toestemming van de huurcommissie levert een tekortkoming op in de nakoming van de verplichtingen van KM [Koninklijke Marine]. KM is dan ook aansprakelijk voor de dientengevolge door EMB geleden schade. Ook grief 4 slaagt dus. EMB zal wel moeten stellen en bewijzen dat zij schade heeft geleden en ook het causale verband moeten aantonen. Het debat over de schade is in hoger beroep nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Het debat is hoofdzakelijk althans voornamelijk gericht geweest op de vraag of er wel of niet sprake was van een huurovereenkomst en of KM al dan niet rechtsgeldig de overeenkomst heeft opgezegd. Daarom ziet het Hof aanleiding om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen, zoals ook door EMB is gevorderd.
(…)
Dictum
het Hof
vernietigt het vonnis van het Gerecht van 1 oktober 2018;
en opnieuw rechtdoende
verklaart voor recht dat sprake is van een gemengde overeenkomst, dat daarop van toepassing zijn de dwingendrechtelijke huurbepalingen en dat de overeenkomst niet op rechtsgeldige wijze door KM is opgezegd;
verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure voor verdere afwikkeling van de schade;
(...)”
4.19
Tegen het vonnis van het Hof van 13 oktober 2020 heeft geen van partijen cassatie ingesteld. Het is daardoor onherroepelijk
4.20
Bij verzoekschrift van 19 november 2020 heeft de Koninklijke Marine de huurcommissie opnieuw gevraagd om toestemming voor de beëindiging van de huur. Er was ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep (22 november 2024) nog geen beschikking gegeven door de huurcommissie.
4.21
Op 2 december 2021 heeft de Koninklijke Marine een verzoek tot (vervangende) toestemming beëindiging huur ingediend bij het gerecht. Op 24 oktober 2022 heeft het Gerecht eindvonnis gewezen. Het verzoek is afgewezen, omdat aannemelijk is dat de Huurcommissie (weer) actief is en er dus geen sprake is van een rechtsvacuüm, waarin de civiele rechter, als restrechter, zou moeten beslissen.
Vorderingen
Zaak A
4.22
Brakkeput heeft, in conventie, gevorderd veroordeling van de Koninklijke Marine tot betaling van een schadevergoeding van NAf 10.074.236,30. Dat bedrag is onderverdeeld in een viertal componenten, te weten derving winst (NAf 8.238.000,-), omzetderving ter zake van bestuurderssalarissen (NAf 1.739.594,40), directe kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW (NAf 330.641,90) en niet terug ontvangen waarborgsom (NAf 20.000,-). Alles vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
4.23
De Koninklijke Marine heeft, in reconventie, gevorderd veroordeling van Brakkeput tot betaling van een schadevergoeding van NAf 1.500.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Zaak B
4.24
Op 19 oktober 2023 heeft de Koninklijke Marine het Gerecht, opnieuw, om vervangende toestemming tot beëindiging van de huur verzocht omdat nog steeds geen beslissing van de Huurcommissie was verkregen op het verzoek van 19 november 2020.
Dictum
Zaak A
4.25
Het Gerecht heeft de (conventionele) vorderingen van Brakkeput toegewezen met betrekking tot de borgsom van NAf 20.000,-. Voor het overige zijn deze vorderingen afgewezen met veroordeling van Brakkeput in de proceskosten.
4.26
De (reconventionele) vordering van de Koninklijke Marine is afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten.
Zaak B
4.27
Het Gerecht heeft de vordering van de Koninklijke Marine toegewezen en heeft bepaald dat de toestemming om de huurovereenkomst te beëindigen geldt met ingang van 16 januari 2019, met veroordeling van Brakkeput in de kosten van de procedure.
Beoordeling
Inleiding
4.28
Brakkeput heeft, in zaak A, acht grieven aangevoerd tegen het vonnis van 14 november 2022. Die grieven zien op de volgende thema’s:
a. het causaal verband voor de periode vanaf 16 januari 2019 (grieven 4, 5 en 6)
b. het causaal verband voor de periode tot 16 januari 2019 (grief 3)
c. de voortzetting van de huurovereenkomst (grief 1)
d. het al dan niet in stand blijven van de beslissing van de Huurcommissie van 5 juli 2018 (grief 2)
e. de kosten ex artikel 6:96 lid 2 BW (grief 7)
f. de proceskosten (grief 8)
4.29
Brakkeput heeft, in zaak B, zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van 8 april 2024. Die grieven zien op de volgende thema’s:
a. is er een rechtsvacuüm? (grief 1)
b. de duur van de huurovereenkomst (grief 2)
c. is er een bijzonder geval als bedoeld in artikel 7:250 lid 2 BW? (grief 3)
d. is er een redelijke grond voor beëindiging van de huur? (grief 4)
e. de terugwerkende kracht (grief 5)
f. het misbruik van bevoegdheid (grief 6)
4.30
Het Hof zal de genoemde thema’s in de aangegeven volgorde behandelen. In zaak A wordt de behandeling voorafgegaan door een introductie (1) over de tot uitgangspunt te nemen tekortkoming(en) van de Koninklijke Marine én een introductie (2) over de te hanteren maatstaf om de schadevordering te beoordelen.
Omvang hoger beroep
Zaak A
4.31
Door de Koninklijke Marine is geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen
- de veroordeling (in conventie) tot terugbetaling van de borgsom van NAf 20.000,-;
- de afwijzing van de (reconventionele) vordering tot schadevergoeding van
NAf 1.500.000,-.
In zoverre is het vonnis niet aan hoger beroep onderworpen.
Wel heeft de Koninklijke Marine beroep gedaan op verrekening met het bedrag van de door haar in reconventie gevorderde schadevergoeding van NAf 1.500.000,- voor het geval het Hof de door Brakkeput gevorderde schadevergoeding (deels) toewijst.
Zaak B
4.32
In zaak B is het geschil in volle omvang aan hoger beroep onderworpen.
De verdere beoordeling in zaak A
Introductie 1: de tekortkoming
4.33
Het Gerecht heeft in de rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 van het bestreden vonnis, kort weergegeven, het volgende voorop gesteld:
- de rechter in de schadestaatprocedure is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdprocedure over de grondslag van de aansprakelijkheid;
- in de hoofdprocedure is geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst zonder toestemming van de Huurcommissie een tekortkoming oplevert in de nakoming van de uit de tussen partijen gesloten overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van de Koninklijke Marine en dat de Koninklijke Marine aansprakelijk is voor de dientengevolge door Brakkeput geleden schade.
4.34
Tegen deze beide rechtsoverwegingen heeft Brakkeput geen grief gericht. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Brakkeput, deels in aanvulling op haar pleitnota, nog wel opgemerkt
a. dat er meer tekortkomingen van de Koninklijke Marine zijn dan de zojuist genoemde. Zij stelt:
- de opzegging van de overeenkomst als zodanig (afgezien van de vereiste toestemming van de Huurcommissie) was een tekortkoning van de Koninklijke Marine in de nakoming van de overeenkomst omdat deze in strijd was met wat in de overeenkomst bepaald is over verlenging daarvan;
- de Koninklijke Marine heeft niet gehandeld zoals een zorgvuldig handelend overheidsorgaan (zoals de Koninklijke Marine) had behoren te doen door op oneigenlijke gronden in te zetten op beëindiging van de huurovereenkomst;
b. de ontruiming op 16 januari 2019 was gebaseerd op een later door het Hof vernietigd vonnis en daarom onrechtmatig.
4.35
De rechter in de schadestaatprocedure is, zoals het Gerecht terecht heeft vooropgesteld, gebonden aan de door de rechter in de hoofdprocedure vastgestelde grondslag voor aansprakelijkheid. In het vonnis van 13 oktober 2020 in de hoofdprocedure is slechts één grondslag benoemd, namelijk de tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst die bestaat uit opzegging van de huur zonder toestemming van de Huurcommissie. Enige onrechtmatigheid is daarin niet vastgesteld. Het is die grondslag voor aansprakelijkheid waaraan de rechter in de schadestaatprocedure is gebonden. Ook dat is door het Gerecht terecht vooropgesteld. De overwegingen 5.1 en 5.2 van het Gerecht zijn daarom ook voor het Hof uitgangspunt voor verdere beoordeling.
4.36
Overigens betekent dit niet dat aan de door Brakkeput genoemde aspecten bij de verdere beoordeling voorbij gegaan moet worden. Waar dat nodig is om het causaal verband tussen de tekortkoming (opzegging zonder toestemming Huurcommissie) en de gestelde schade dan wel de hoogte van de schade te beoordelen zal aan de genoemde aspecten (inhoud overeenkomst, zorgvuldigheid, onrechtmatige ontruiming) aandacht besteed worden. Dat kan en mag het Hof doen omdat die aspecten in de van Brakkeput afkomstige processtukken zijn benoemd en de Koninklijke Marine daarop ook heeft gereageerd.
Introductie 2: de te hanteren maatstaf voor beoordeling van de schadevordering van Brakkeput
4.37
Het Gerecht heeft overwogen (zie onder 5.8 van het vonnis):
“Zoals hiervoor is overwogen is inhoudelijk echter steeds hetzelfde geoordeeld, namelijk dat beëindiging van de overeenkomst redelijk was, zowel toen de overeenkomst werd gekwalificeerd als een bruikleenovereenkomst als toen de overeenkomst (mede) werd aangemerkt als een huurovereenkomst. Onder die omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de schade (het niet kunnen voortzetten van het restaurant) is ontstaan door de tekortkoming aan de zijde van de Koninklijke Marine. Die schade zou zich immers ook hebben verwezenlijkt als er geen sprake was geweest van een tekortkoming in de vorm van een niet rechtsgeldige opzegging." (onderstreping: Hof)
4.38
Uit deze overweging blijkt dat het Gerecht als maatstaf voor beoordeling van het causaal verband tussen de gestelde schade en de tekortkoming van de Koninklijke Marine heeft genomen de vergelijking tussen de feitelijke situatie waarin sprake is van de tekortkoming met die waarin Brakkeput zou hebben verkeerd (de hypothetische situatie) als die tekortkoming wordt weggedacht.
4.39
In haar vierde grief komt Brakkeput op tegen (ook) dit onderdeel van overweging 5.8 van het vonnis. In de toelichting daarop valt echter niet te lezen dat en waarom de hiervoor genoemde maatstaf volgens Brakkeput onjuist is. Bij de mondelinge behandeling is de vraag naar de toepasselijke maatstaf aan partijen voorgelegd. De Koninklijke Marine heeft toen, nogmaals (zie namelijk ook haar pleitnota sub 5), geantwoord dat dit de juiste maatstaf is. Brakkeput heeft verklaard dat haar bekend is dat in schadezaken vaak wordt uitgegaan van deze maatstaf.
4.40
De door het Gerecht genoemde maatstaf is juist.
Conclusie
4.78
In zaak A slagen de grieven van Brakkeput niet. Ambtshalve heeft het Hof geen bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep. Dat vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, kan daarom worden bekrachtigd.
4.79
Als in het ongelijk gestelde partij wordt Brakkeput veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Die kosten bedragen (in NAf):
- salaris advocaat: 36.000 (4 punten tarief 11 à 9.000,- per punt)
- verschotten 499,50
Conclusie
4.80
In zaak B slaagt het hoger beroep. Het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd.
4.81
Als in het ongelijk gestelde partij wordt de Koninklijke Marine veroordeeld in de proceskosten. Die kosten bedragen:
eerste aanleg
- salaris advocaat: 2.500,- (2 punten tarief 6 à 1.250,- per punt)
hoger beroep
- salaris advocaat: 6.000,- (3 punten tarief 5 à 2.000,- per punt)
- verschotten: 1.521,16
B E S L I S S I N G
Het Hof:
recht doende in hoger beroep:
beveelt de voeging van de zaken A en B;
Voorts in zaak A:
bekrachtigt het vonnis van het Gerecht van 14 november 2022, voor zover dit aan hoger beroep is onderworpen;
veroordeelt Brakkeput tot betaling van de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de Koninklijke Marine gevallen en begroot die kosten op NAf 36.000,- aan salaris advocaat en NAf 499,50 aan verschotten;
Voorts in zaak B:
vernietigt het vonnis van het Gerecht van 8 april 2024 en doet als volgt opnieuw recht:
wijst af de vordering van de Koninklijke Marine;
veroordeelt de Koninklijke Marine tot betaling van de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Brakkeput gevallen en begroot die kosten op:
- eerste aanleg: NAf 2.500,- aan salaris advocaat;
- hoger beroep: NAf 6.000,- aan salaris advocaat en NAf 1.521,16 aan verschotten;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarbij in zaak B uitgesproken proceskostenveroordeling;
Voorts in de zaken A en B
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, C.G. ter Veer en
C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
ECLI:NL:OGEAC:2022:304
ECLI:NL:OGEAC:2024:64
ECLI:NL:OGHACMB:2017:13
ECLI:NL:OGEAC:2018:267
ECLI:NL:OGHACMB:2020:248
Beoordeling
Voorop staat dat artikel 6:98 BW bepaalt:
“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband
staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”
4.41
Toegepast op deze zaak betekent dit dat de vraag of causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de tekortkoming van de Koninklijke Marine beoordeeld moet worden op basis van een vergelijking tussen de feitelijke situatie waarin Brakkeput is komen te verkeren als gevolg van de tekortkoming (opzegging van de huur zonder toestemming van de Huurcommissie) met de hypothetische situatie dat die tekortkoming er niet was. Anders dan Brakkeput meent betekent dat niet dat de huurovereenkomst dan zonder meer was verlengd tot 24 juli 2026. Onderzocht moet worden of het op enig moment na 27 juni 2013 (datum tekortkoming) tot rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst zou zijn gekomen of is gekomen. Als daarvan sprake is geldt namelijk dat de gestelde schade vanaf dat moment niet het gevolg is van ‘de gebeurtenis’ (opzegging zonder toestemming van de Huurcommissie) maar het gevolg is van de dan aan te nemen rechtsgeldige beëindiging van de huur.
4.42
De verdere beoordeling vindt plaats op basis van het nu geformuleerde uitgangspunt.
Het causaal verband voor de periode vanaf 16 januari 2019 (grieven 4, 5 en 6)
4.43
Het gerecht heeft in (overweging 5.8 van) het vonnis geoordeeld dat van causaal verband tussen de gestelde schade vanaf 16 januari 2019 (ontruiming) en de in de hoofdprocedure vastgestelde tekortkoming van de Koninklijke Marine geen sprake is. Ook bij het ontbreken van die tekortkoming zou, aldus het Gerecht, Brakkeput Boathouse hebben moeten sluiten. Bij een nieuwe beoordeling van de Huurcommissie hebben partijen dan ook geen belang meer, aldus het Gerecht.
4.44
Brakkeput komt tegen dit oordeel op in haar grieven 4, 5 en 6. Zij stelt dat niet de rechter maar de Huurcommissie bevoegd was toestemming voor ontruiming te geven. Een dergelijke toestemming is er niet. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Brakkeput de exploitatie heeft moeten staken om enige andere reden dan de niet-rechtsgeldige opzegging door de Koninklijke Marine.
4.45
Indachtig het hiervoor geformuleerde toetsingskader moet eerst bezien worden welke de feitelijke situatie was die ontstond als gevolg van de tekortkoming van de Koninklijke Marine. Daarvoor geldt dat het feitelijk gevolg van die tekortkoming (opzegging zonder toestemming Huurcommissie) was dat het tot een beëindiging van de exploitatie is gekomen. De Koninklijke Marine heeft immers, volhardend in de opzegging, een ontruimingsvonnis gevraagd en (op 1 oktober 2018) verkregen, waarna dat vonnis is tenuitvoergelegd en de exploitatie door Brakkeput stopte op 16 januari 2019.
4.46
Het geformuleerde toetsingskader verder volgend zal moeten worden bezien hoe de situatie zou zijn geweest als van de tekortkoming geen sprake was geweest. Daarna kan dan beoordeeld worden of tussen de gestelde schade en de tekortkoming causaal verband bestaat.
4.47
De Koninklijke Marine heeft op 27 juni 2013 aan Brakkeput meegedeeld de overeenkomst per einddatum (24 juli 2016) niet te willen verlengen. Dat uitgangspunt is sedertdien onveranderd gebleven. In alle contacten met Brakkeput na die datum en in alle procedures die na de opzegging zijn gevolgd (bij de Huurcommissie, bij het Gerecht en bij het Hof) heeft de Koninklijke Marine vastgehouden aan de opzegging en dus aan de wens om de overeenkomst tussen partijen per 24 juli 2016 niet te verlengen.
4.48
Toen het Hof op 21 februari 2017 (in kort geding) had beslist dat de overeenkomst tussen partijen, deels, moest worden aangemerkt als een huurovereenkomst en om die reden voor beëindiging ervan toestemming van de Huurcommissie nodig was, heeft de Koninklijke Marine alsnog toestemming gevraagd aan de Huurcommissie om de huur te mogen beëindigen.
4.49
Op 5 juli 2018 heeft de Huurcommissie op dat verzoek beslist en toestemming verleend de huur te beëindigen met ingang van 1 december 2018. Als het hierbij gebleven was zou de situatie zijn ontstaan dat de huur per 1 december 2018 rechtsgeldig, namelijk op basis van de opzegging en de toestemming van de Huurcommissie, was geëindigd. Terzijde: tussen partijen staat vast dat de huur feitelijk is geëindigd per 16 januari 2019 (datum ontruiming). Het Hof zal daarom verder van die datum uitgaan; voor de beoordeling maakt dat geen verschil.
4.50
Omdat Brakkeput zich niet bij die beslissing van de Huurcommissie heeft willen neerleggen heeft dat geleid tot een (verdere) stapeling van procedures met meerdere, deels tegenstrijdige, rechterlijke beslissingen. In al die procedures is het niet gekomen tot een inhoudelijke beoordeling van de beslissing van de Huurcommissie van 5 juli 2018. Daarvan zal het ook niet meer kunnen komen omdat thans daartegen geen rechtsmiddel meer open staat: dat rechtsmiddel is immers al aangewend en heeft geleid tot de (onherroepelijke) beschikking van het Gerecht van 19 december 2018, waarbij de beschikking van de Huurcommissie is vernietigd, zij het niet op inhoudelijke gronden, maar op de (onjuiste) grond dat niet van een huurovereenkomst sprake was.
4.51
Onderzocht moet worden of het oordeel van de Huurcommissie van 5 juli 2018, inhoudelijk, zou hebben stand gehouden bij de rechter. Als dat niet zo is moet immers worden aangenomen dat van een rechtsgeldige opzegging nog steeds geen sprake was. Het desondanks beëindigen van de huur per 16 januari 2019 dient dan te worden aangemerkt als een aan de Koninklijke Marine toerekenbaar gevolg van de tekortkoming.
4.52
Voor het antwoord op die vraag is van belang de inhoud van artikel 7:250 BW (opgenomen in paragraaf 3 van afdeling 5 die betrekking heeft op woonruimte), welk artikel ingevolge artikel 7:274 BW ook van toepassing is op restaurants, zoals het door Brakkeput geëxploiteerde Boathouse.
Artikel 7:250 BW luidt, voor zover van belang:
“1. De huurcommissie verleent haar toestemming indien de huurder niet aan zijn in afdeling 3 omschreven verplichtingen voldoet. Zij kan de huurder, op zijn verzoek, een termijn gunnen om alsnog aan zijn verplichting te voldoen. Na het verstrijken van die termijn beslist de huurcommissie na verhoor, althans behoorlijke oproeping, van partijen.
2. In bijzondere gevallen kan de huurcommissie de beëindiging van de huur op andere grond toestaan, indien haar blijkt, dat de eigenaar, of in geval van gedeeltelijke onderhuur, de hoofdbewoner daarbij een rechtmatig belang heeft.
3. Indien de huurcommissie haar toestemming verleent, bepaalt zij, met inachtneming van artikel 228, het tijdstip waarop de huur een einde zal nemen en
geeft zij een bevel tot ontruiming.”
4.53
De Huurcommissie heeft toestemming voor beëindiging van de huur uitdrukkelijk gebaseerd op de aanwezigheid van een rechtmatig belang en impliciet op het bestaan van een bijzondere geval (artikel 7:250 lid 2 BW). De Koninklijke Marine heeft in deze procedure niet verdedigd dat de toestemming ook of uitsluitend verleend had moeten worden op de in artikel 7:250 lid 1 BW genoemde grond (huurder voldoet niet aan verplichtingen).
Beoordeling
Beoordeeld moet dus worden of de rechter, als het tot een inhoudelijke beoordeling van de beslissing van de Huurcommissie zou zijn gekomen, zou hebben geoordeeld dat van een bijzonder geval en een rechtmatig belang sprake was.
4.54
De begrippen ‘bijzondere gevallen’ en ‘rechtmatig belang’ worden niet in het Burgerlijk Wetboek en ook niet in de Memorie van Toelichting gedefinieerd. In de rechtspraak en literatuur wordt daaronder verstaan dat van een bijzonder geval en rechtmatig belang sprake is indien de maatschappelijke en economische belangen van partijen tegen elkaar afwegende, van de eigenaar niet kan worden gevergd dat hij in voortzetting van de huur berust.
4.55
In de aanzegging van niet-verlenging van 27 juni 2013 staat dat de activiteiten van Boathouse niet meer passen binnen de taakstelling van Defensie, zoals de Koninklijke Marine die op dat moment zag. Ook staat daarin dat die activiteiten niet passen bij de omstandigheid dat de Koninklijke Marine geconfronteerd werd met bezuinigingen.
4.56
Het stond de Koninklijke Marine vrij zich op het standpunt te stellen dat de activiteiten van Brakkeput niet meer pasten bij haar taakstelling en financiële situatie, ook als niet aannemelijk is dat de activiteiten van Brakkeput na de totstandkoming van het amendement (in 2007) duidelijk van karakter of omvang zijn veranderd. Uit niets blijkt dat van een voorgewende reden sprake was. Het enkele feit dat de Koninklijke Marine op de commerciële activiteiten van Brakkeput was aangesproken door de stichting betekent namelijk nog niet dat dit aspect van de aangevoerde gronden (commerciële activiteiten) niet daadwerkelijk ook een zorg van de Koninklijke Marine was.
4.57
Tegenover dit belang van de Koninklijke Marine stond het belang van Brakkeput om de exploitatie te kunnen voortzetten. Dat belang is echter in die zin relatief dat de tussen partijen gesloten overeenkomst (artikel 1 lid 1 van het Amendement, zie 4.5) uitdrukkelijk als mogelijkheid noemt dat de overeenkomst na tien jaar wordt beëindigd. De mogelijkheid van niet-verlenging was dus ingebouwd. Bijna drie jaar voor afloop van de overeenkomst is Brakkeput ervan op de hoogte gesteld dat de Koninklijke Marine niet wilde verlengen en van de in de overeenkomst ingebouwde mogelijkheid van beëindiging daadwerkelijk gebruik wilde maken. Dat gaf Brakkeput dus bijna drie jaar de tijd zich daarop in te stellen. Dat Brakkeput daardoor haar verwachting met tien jaar te kunnen verlengen niet gerealiseerd heeft gezien is ongetwijfeld commercieel nadelig voor haar geweest, maar zij kon en mocht niet ongeclausuleerd rekenen op die verlenging.
4.58
Tot slot is van belang dat de Huurcommissie ten tijde van haar beslissing van 5 juli 2018 wist dat de huurovereenkomst na 24 juli 2016 was blijven doorlopen en dat zij vrij was om de datum waarop de huur een einde zou nemen te bepalen (artikel 7:250 lid 3 BW). Ook als er vanuit zou moeten worden gegaan dat de huur voor tien jaren (zoals Brakkeput stelt) was verlengd, was begrijpelijk dat de Huurcommissie koos voor 1 december 2018 als datum waarop de huur een einde zou nemen. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat Brakkeput al sinds 27 juni 2013 wist van de wens tot beëindiging van de huurrelatie en daarop heeft kunnen inspelen.
4.59
Samenvattend: de door de Koninklijke Marine aangevoerde gronden voor beëindiging (niet-verlenging) maken dat van een bijzonder geval sprake was en die gronden rechtvaardigen deze als een rechtmatig belang aan te merken. Aannemelijk is daarom dat de beslissing van de Huurcommissie, indien inhoudelijk getoetst door de rechter, stand zou hebben gehouden.
4.60
Het gevolg daarvan is dat de gestelde schade door Brakkeput vanaf 16 januari 2019 ook zou zijn geleden als de tekortkoning achterwege was gebleven. Dat maakt dat die gestelde schade (indien aantoonbaar) redelijkerwijs niet kan worden toegerekend aan en dus het gevolg is van die tekortkoming. Het causaal verband ontbreekt. De grieven 4 tot en met 6 slagen niet.
Het causaal verband voor de periode tot 16 januari 2019 (grief 3)
4.61
Het Gerecht heeft voor de periode tot 16 januari 2019 (datum ontruiming) geen causaal verband aanwezig geacht tussen de gestelde winstderving en de tekortkoming van de Koninklijke Marine, omdat Brakkeput nu eenmaal tot die datum de exploitatie heeft voortgezet en winst heeft gemaakt. Aan de stelling dat die winst na 27 juni 2013 lager was als gevolg van de tekortkoming is het Gerecht voorbijgegaan als onvoldoende onderbouwd en op voorhand niet aannemelijk (overweging 5.7 van het vonnis).
4.62
Brakkeput bestrijdt de juistheid van dit oordeel in haar derde grief. Zij voert aan dat de Koninklijke Marine sinds 27 juni 2013 ervoor gekozen heeft om – ook nog eens in strijd met haar uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting de onderneming van Brakkeput te promoten en niet te diskwalificeren – breed bekend te maken dat de onderneming gestaakt zou worden. Daardoor is het bedrijfsdebiet van Brakkeput aangetast met als gevolg dat de klandizie is verminderd. Als het lastig is precies te bepalen hoeveel minder winst daardoor gederfd is, geldt dat Brakkeput in ieder geval een kans heeft gemist om het project ten volle te realiseren en zal de schade op basis van die gemiste kans moeten worden berekend of geschat.
4.63
Niet in geschil is dat de huur feitelijk niet eerder dan per 16 januari 2019 is beëindigd. Dat betekent dat van enig causaal verband tussen de gestelde schade en de relevante tekortkoming van de Koninklijke Marine (geen toestemming van de Huurcommissie) voor de periode tot die datum geen sprake was. De exploitatie is immers ondanks die tekortkoming feitelijk voortgezet tot 16 januari 2019.
4.64
Afgezien daarvan geldt het volgende. In de door Brakkeput overgelegde Whatsappberichten staat dat de afzenders hebben vernomen dat Boathouse gaat stoppen en wordt gevraagd of dat klopt. Uit niets blijkt dat deze berichten gebaseerd zijn op van de Koninklijke Marine afkomstige berichtgeving. Beroep is ook gedaan op een publicatie in het Antilliaans Dagblad, maar daarin wordt slechts verslag gedaan van de procedure die tot ontruiming heeft geleid. Ook in hoger beroep is daarmee onvoldoende onderbouwd dat de Koninklijke Marine het bedrijfsdebiet van Brakkeput op enige manier heeft aangetast.
4.65
Ook voor de periode tot 16 januari 2019 geldt dat van causaal verband tussen de gestelde schade en de tekortkoming van de Koninklijke Marine geen sprake is, terwijl bovendien onvoldoende is aangevoerd om aan te nemen dat de op dit punt gestelde schade bestaat en aan de Koninklijke Marine is toe te rekenen. Grief 3 slaagt niet.
De voortzetting van de huurovereenkomst (grief 1)
4.66
Het Gerecht heeft in (overweging 5.4 van) het vonnis geoordeeld dat, mede gelet op artikel 7:230 BW, de overeenkomst tussen partijen, als deze met goedvinden van de Koninklijke Marine zou zijn voortgezet, voor onbepaalde tijd zou zijn gaan lopen en niet voor tien jaren.
4.67
Brakkeput bestrijdt dat oordeel in haar eerste grief en stelt dat uit de bedoeling van beide partijen, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het Amendement 1, blijkt dat zij een automatische verlenging van de overeenkomst beoogden voor een periode van tien jaren. Nu in strijd met dwingend recht (toestemming Huurcommissie) is opgezegd is de overeenkomst daarom met die periode verlengd.
Beoordeling
Van een situatie als bedoeld in artikel 7:230 BW is geen sprake omdat Brakkeput na afloop van de eerste termijn van tien jaren het gehuurde niet met goedvinden van de Koninklijke Marine heeft behouden.
4.68
Voor de beoordeling van de vraag naar het causaal verband tussen de tekortkoming van de Koninklijke Marine en de gestelde schade is niet van belang te onderzoeken of de overeenkomst per 24 juli 2016 verlengd was met tien jaren of voor onbepaalde tijd. In beide gevallen geldt dat, zoals hiervoor al overwogen, de Huurcommissie tot beëindiging van de huur per 1 december 2018 mocht komen en dat oordeel bij de rechter stand gehouden zou hebben. Grief 1 behoeft daarmee geen verdere bespreking.
Het al dan niet in stand blijven van de beslissing van de Huurcommissie van 5 juli 2018 (grief 2)
4.69
Het Gerecht heeft in (overweging 5.6 van) het vonnis geoordeeld dat de beslissing van de Huurcommissie van 5 juli 2018 in stand had kunnen blijven.
4.70
Brakkeput komt tegen dat oordeel op in haar tweede grief. Zij stelt dat het Gerecht in deze zaak niet oordeelt als beroepsrechter in een hoger beroep van de beslissing van de Huurcommissie. Om die reden was het Gerecht niet vrij te oordelen zoals het deed. Bovendien miskent het Gerecht dat het als beroepsrechter nu juist had geoordeeld dat de Huurcommissie zich onbevoegd had moeten verklaren kennis te nemen van het verzoek van de Koninklijke Marine tot beëindiging van de huur.
4.71
Met het oordeel dat de beslissing van de Huurcommissie ‘in stand had kunnen blijven’ heeft het Gerecht feitelijk niet anders gedaan dan het Hof hiervoor ook deed, namelijk beoordelen of de rechter, als deze de beslissing van de Huurcommissie inhoudelijk zou hebben getoetst, die beslissing in stand zou hebben gelaten. Die exercitie was bij het Gerecht en is in hoger beroep nodig om te beoordelen of van een causaal verband tussen tekortkoming en gestelde schade sprake is. Daarop stuit grief 2 af.
De kosten ex artikel 6:96 lid 2 BW (grief 7) en de proceskosten (grief 8)
4.72
Brakkeput heeft ook betaling gevorderd van, kort gezegd, redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (dus niet: terugbetaling van de borgsom). Die vordering is door het Gerecht afgewezen. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW kunnen dergelijke kosten als vermogensschade worden vergoed. Omdat niet gebleken is van causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade bestaat ook geen grond voor toekenning van kosten die op de vaststelling van de aansprakelijkheid en schade zien. Grief 7 faalt.
4.73
Omdat Brakkeput in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk is gesteld is zij door het Gerecht terecht veroordeeld in de proceskosten. Ook grief 8 faalt.
De verdere beoordeling in zaak B
4.74
Op 19 oktober 2023 heeft de Koninklijke Marine het Gerecht opnieuw gevraagd om vervangende toestemming voor beëindiging van de huur. Grondslag was dat de Huurcommissie reeds vanaf 19 november 2020 in gebreke was op het aan de Huurcommissie op die datum gerichte verzoek om toestemming te beslissen. In het vonnis van het Gerecht van 8 april 2024 is vervolgens geoordeeld dat van een rechtsvacuüm sprake was. Om die reden is vervangende toestemming verleend om de huur te beëindigen tegen 16 januari 2019.
4.75
Niet in geschil is dat de huur feitelijk is geëindigd per 16 januari 2019. Aan het verzoek van de Koninklijke Marine van 19 oktober 2023 aan het Gerecht om vervangende toestemming te geven om de huur te beëindigen lag ten grondslag het (mogelijkerwijs en nog steeds) bestaan van een huurverhouding tussen partijen. Die feitelijke grondslag was onjuist: de huur was immers al geëindigd op 16 januari 2019. Dat maakt dat het Gerecht de vordering had moeten afwijzen.
4.76
Bovendien geldt het volgende. Het belang van de Koninklijke Marine bij het verkrijgen van de gevraagde toestemming was om alsnog een titel te krijgen voor rechtsgeldige beëindiging van de huur met Brakkeput en om op die manier de vordering tot schadevergoeding van Brakkeput te kunnen pareren. Voor dat doel was de gevraagde toestemming niet nodig. De huur was immers hoe dan ook al geëindigd en voor beoordeling van de schadevordering van Brakkeput was het verkrijgen van de gevorderde vervangende toestemming niet nodig. Dat blijkt uit wat hiervoor in zaak A (de schadestaatprocedure) is overwogen.
4.77
Het Gerecht had de vordering van de Koninklijke Marine daarom moeten afwijzen. Het tegen het andersluidende oordeel van het Gerecht gerichte hoger beroep van Brakkeput slaagt op die grond. Wat overigens door Brakkeput is aangevoerd (in haar grieven 1 tot en met 6) kan om die reden onbesproken blijven.