Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-12-17
ECLI:NL:OGHACMB:2024:308
Civiel recht
Hoger beroep
5,601 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202102689 en CUR2023H00205
Uitspraak: 17 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
die woont in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.
Partijen worden hierna aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn ex-echtelieden. Zij waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Deze procedure gaat over de wijze waarop tussen hen nog moet worden afgerekend en met name over de toedeling van de voormalige echtelijke woning.
1.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft de woning aan de vrouw toegedeeld. De man is veroordeeld, per saldo, aan de vrouw te betalen NAf 40.457,46. De proceskosten zijn gecompenseerd.
1.3
Het Hof beoordeelt de zaak opnieuw.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 13 juli 2023 ingekomen akte van appel is de man in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 5 juni 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
2.2
Bij (op 24 augustus 2023 gedateerde, maar) op 25 augustus 2023 ingekomen memorie van grieven heeft de man vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis vernietigt en alsnog de verdeling bepaalt met inachtneming van de grieven van de man, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3
Op 18 oktober 2023 is bij de griffie ingekomen een memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van de vrouw. Zij verzoekt daarin de vorderingen van de man af te wijzen en die van haar toe te wijzen. Een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep is door de man niet genomen.
2.4
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
3De beoordeling
Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
Partijen zijn op 27 juli 2002 onder huwelijkse voorwaarden (hierna: HV) gehuwd. In de HV is bepaald dat elke gemeenschap van goederen is uitgesloten.
3.3
Bij beschikking van 22 januari 2019 is de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking is op 4 februari 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4
Tussen partijen bestaat een bijzondere gemeenschap. Die omvat de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres 1] te Curaçao (verder: de woning). Vanaf de zomer van 2018 zijn partijen gescheiden gaan wonen en woonde de man alleen daar. De man heeft de woning per 1 oktober 2023 ontruimd en ter beschikking gesteld van de vrouw.
Vorderingen
3.5
De vrouw heeft bij het Gerecht gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verdeling van de bijzondere gemeenschap in die zin dat de woning met de daarop rustende hypothecaire lening aan haar wordt toebedeeld, onder verrekening van haar vorderingen op de man en met veroordeling van de man tot betaling van wat hij per saldo aan haar verschuldigd is. Ook heeft zij gevorderd een bevel tot ontruiming van de woning door de man en benoeming van een boedelnotaris.
3.6
De man heeft, in reconventie, ook verdeling van de bijzondere gemeenschap (woning en hypotheek) gevorderd alsmede benoeming van een boedelnotaris.
Dictum
3.7
Na tussenvonnissen van 16 mei 2022 en 27 februari 2023 heeft het Gerecht in het eindvonnis van 5 juni 2023, kort weergegeven, het volgende overwogen en beslist:
- het aandeel van de man in de woning komt per 1 oktober 2023 aan de vrouw toe, de eigendom van die woning gaat per die datum op haar over met alle rechten en plichten en de hypothecaire geldlening wordt aan de vrouw toegedeeld onder vrijwaring van de man voor aanspraken van derden;
- partijen wordt gelast deze verdeling te doen opnemen in een notariële akte;
- de man wordt bevolen de woning uiterlijk op 1 oktober 2023 te ontruimen;
- bepaald wordt dat het aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke auto (Nissan Qashqai) aan de man toekomt per augustus 2018 en dat de eigendom daarvan per die datum op hem is overgegaan met alle rechten en plichten;
- de man wordt veroordeeld aan de vrouw te betalen NAf 40.547,46;
- het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, de proceskosten worden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Tijdigheid van de memorie van grieven
3.8
De vrouw heeft opgeworpen dat de memorie van grieven te laat is ingediend en op de inhoud daarvan om die reden geen acht geslagen mag worden.
3.9
De akte van hoger beroep (van de man) is door de griffie ontvangen op 13 juli 2023. Ingevolge artikel 271 Rv diende de memorie van grieven in ieder geval binnen zes weken na die datum te worden ingediend, derhalve uiterlijk op 25 augustus 2023. Dat is ook gebeurd. De memorie van grieven is dus tijdig ingediend. Dit verweer van de vrouw slaagt niet.
3.10
Overigens zou het Hof op de inhoud van de memorie van grieven, als deze te laat zou zijn ingediend, wel acht mogen slaan omdat het een partij vrij staat stukken in te dienen, mits tijdig aan de wederpartij bekend gemaakt. Daarvan is in dit geval sprake: de memorie van grieven is betekend aan de vrouw en zij heeft op de inhoud ervan kunnen reageren en feitelijk ook gereageerd in haar memorie van antwoord.
De Nissan Qashqai
3.11
Het Gerecht heeft (in overweging 2.5 van het eindvonnis) tot uitgangspunt genomen dat de Nissan Qashqai (verder: de Nissan) gezamenlijk eigendom was omdat deze is betaald met gemeenschappelijke middelen waaraan partijen in gelijke mate hebben bijgedragen. Dat uitgangspunt is door de man niet bestreden.
3.12
Hij betwist wel dat de waarde van de Nissan moet worden verrekend. De vrouw is namelijk volgens hem ook in haar eigen auto blijven rijden en de waarde daarvan is niet aan de boedel ten goede gekomen. Ook betwist hij dat de waarde van de Nissan moet worden bepaald naar de toestand ervan op het moment dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan (medio 2018). Tot slot betwist hij de hoogte van de door het Gerecht aan de Nissan toegekende waarde van NAf 20.262,32. De Nissan was volgens hem al in 2018 niets meer waard.
3.13
Partijen hadden destijds twee auto’s: de Nissan en een Hyundai. De Nissan is bij de man, de Hyundai bij de vrouw gebleven. Indien het al zo zou zijn dat de waarde van de Hyundai verrekend zou moeten worden, maar dat niet is gebeurd, is dat feit nog geen reden om af te zien van verrekening van de waarde van de Nissan. Het gevolg zou hooguit zijn dat er met betrekking tot de Hyundai nog een verrekening moet plaats vinden. Bovendien geldt dat het Gerecht niet tot verrekening van de waarde van de Hyundai is overgegaan en de man in hoger beroep niet heeft onderbouwd dat, waarom en hoe verrekening van de waarde van die auto zou moeten plaats vinden.
3.14
Partijen zijn feitelijk in de zomer van 2018 uit elkaar gegaan. Vanaf dat moment heeft de man het uitsluitend gebruik van de Nissan gehad. Dat heeft het Gerecht overwogen en is door de man niet betwist. Tegen die achtergrond bezien is erg voor de hand liggend en in overeenstemming met de eisen van de redelijkheid en billijkheid die elke verdeling beheersen, dat de waarde van de Nissan in de zomer van 2018 als verdelingswaarde geldt.
3.15
Dat de Nissan in 2018 niets meer waard was, zoals de man stelt, is door hem niet onderbouwd. Algemene ervaringsregels leren bovendien dat een auto met bouwjaar 2012 zijn waarde na zes jaar nog niet volledig verloren heeft. De man spreekt wel over grote reparaties die aan de auto moeten worden verricht, maar laat ook op dit punt na zijn stelling te onderbouwen, in het bijzonder dat daarvan in de zomer 2018 al sprake was en dat die reparaties zodanig ingrijpend waren dat de waarde van de Nissan om die reden destijds feitelijk al tot nihil was gedaald.
3.16
In zijn toelichting ten behoeve van de comparitie van partijen van 21 april 2023 heeft de man, ter vaststelling van de waarde van de Nissan in 2018, een afschrijvingsschema gepresenteerd, sluitend op een waarde in 2018 van
NAf 18.234,29. Het gerecht heeft de waarde op basis daarvan bepaald met dien verstande dat de man volgens het Gerecht een jaar te vroeg is begonnen met de afschrijving. De man heeft in hoger beroep geen afstand genomen van zijn destijds voorgestelde berekening. Die berekening is reëel en kan daarom tot uitgangspunt worden genomen. Anders dan het Gerecht ziet het Hof geen reden om niet al meteen in 2012 van een afschrijving (van 25%) uit te gaan: algemeen bekend is dat een nieuwe auto meteen na aflevering al een aanmerkelijk deel van zijn waarde verliest.
3.17
De waarde van de Nissan wordt om die reden gesteld op NAf 18.234,29. De man moet de helft daarvan aan de vrouw vergoeden, derhalve NAf. 9.117,15 (in plaats van het door het Gerecht bepaalde bedrag van NAf 10.130,16).
De (over)waarde van de woning
3.18
Het Gerecht heeft de waarde van de woning bepaald op NAf 320.000,-. De helft van de door de vrouw aan de man te vergoeden overwaarde heeft het Gerecht vervolgens berekend op NAf 60.415,-.
3.19
De man stelt dat uitgegaan moet worden van een waarde van NAf 350.000,-. Er ligt namelijk een bod op de woning voor dat bedrag van de heer [de heer]. Problematisch is verder dat de woning is gebouwd op twee kadastrale percelen. Een daarvan behoort toe aan derden. Bij eerdere taxatie van de woning is er echter vanuit gegaan dat beide percelen aan partijen toebehoren. Aldus de man.
3.20
Het genoemde bod van NAf 350.000,- is door de vrouw betwist en noch in eerste aanleg noch in hoger beroep onderbouwd. Het is gebleven bij de enkele mededeling van het bestaan daarvan. Omdat de stelling van de man op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd is wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
3.21
De man heeft evenmin onderbouwd dat de waarde van de woning meer dan NAf 320.000,- is, nu blijkt dat, volgens hem, de woning, anders dan bij een eerdere taxatie tot uitgangspunt werd genomen, deels op grond van derden is gebouwd. Er is dus reeds daarom geen reden om van een andere waarde uit te gaan dan het Gerecht heeft gedaan.
3.22
Indien juist is wat de man stelt (maar de vrouw betwist) over de eigendom van een van de percelen waarop de woning is gebouwd, zal dat een probleem kunnen zijn indien en zodra het aandeel van de man in de woning notarieel geleverd moet worden aan de vrouw. Dat raakt echter de uitvoerbaarheid van de verdeling, niet de verdeling zelf.
Conclusie
3.41
In hoger beroep is niet meer in geschil de ontruiming van de woning door de man en de toedeling van de Nissan Qashqai aan hem. Het Hof komt bovendien tot een ander overbedelingsbedrag dan het Gerecht. Om die reden zal het vonnis van het Gerecht vernietigd worden.
3.42
De proceskosten worden ook in hoger beroep gecompenseerd omdat partijen ex-echtelieden zijn.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het eindvonnis van 5 juni 2023 en
opnieuw rechtdoende
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt:
1. bepaalt dat de man zijn onverdeeld aandeel in de woning [adres 1] in Curaçao dient te leveren aan de vrouw onder gehoudenheid van de vrouw de man te vrijwaren voor alle aanspraken uit de op die woning rustende hypothecaire lening vanaf de datum van levering;
2. bepaalt dat partijen gezamenlijk binnen twee weken na dit vonnis aan een in onderling overleg te bepalen notaris of, als zij daarover geen overeenstemming bereiken, aan notaris E. Steenbaar of een van haar plaatsvervangers opdracht zullen geven tot het opmaken van een notariële akte van levering en dat zij de kosten daarvan, ieder voor de helft, moeten dragen;
3. bepaalt dat indien één van partijen geen medewerking verleent aan de (opdracht tot) levering van het onverdeeld aandeel van de man dit vonnis in de plaats treedt van de door die weigerende partij te verrichten rechtshandelingen voor die overdracht en levering;
4. veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen NAf 5.447,69;
5. veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen de helft van de door de vrouw reeds betaalde en nog te betalen aflossingen op de hypothecaire lening vanaf 1 februari 2022 tot de dag waarop het onverdeeld aandeel van de man in de woning notarieel geleverd is aan de vrouw;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Dictum
3.23
De conclusie is dat er geen reden is van een andere door de vrouw aan de man te betalen overwaarde uit te gaan dan het door het Gerecht vastgestelde bedrag van NAf 60.415,-.
De gebruiksvergoeding
3.24
Het gerecht heeft bepaald dat aan de vrouw een vergoeding toekomt wegens het uitsluitend gebruik door de man van de woning in de periode van augustus 2018 tot, naar het Hof begrijpt, 1 oktober 2023. De vergoeding is bepaald op NAf 1.067,- per maand en NAf 61.886,- in totaal. Dat bedrag correspondeert, aldus het Gerecht, met 4% over de helft van de getaxeerde waarde.
3.25
Volgens de man moet de gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gematigd worden. Redenen daarvoor zijn dat ook de zoon van partijen in de woning verbleef, eerder door de vrouw geen gebruiksvergoeding is gevraagd maar pas in deze procedure, een percentage van 2,5% over de overwaarde in plaats van 4% over de getaxeerde waarde inmiddels gebruikelijk is, de vrouw fiscaal voordeel heeft gehad, de man voor alle andere kosten van de woning is opgedraaid, de woning in slechte staat verkeerde en dus niet verhuurbaar was en de woning deels op het perceel van derden is gebouwd.
3.26
Een deel van deze argumenten snijdt geen hout. De zoon is geen gerechtigde in de woning en onduidelijk is op welk fiscaal voordeel de man het oog heeft. Als hij bedoelt de fiscale aftrek van de vrouw voor de door haar betaalde hypotheekrente geldt dat de (over)waarde van de woning door dat fiscaal voordeel niet is verminderd. Die waarde is echter basis voor berekening van de gebruiksvergoeding. Nog steeds is een percentage van 4% van de marktwaarde of overwaarde van de woning een gebruikelijke berekeningsmaatstaf. Verder is niet van belang of de woning verhuurbaar was, maar of deze feitelijk door de man is gebruikt. Niet onderbouwd is verder dat en welke kosten de man aan de woning heeft gehad. Tot slot is hiervoor al overwogen dat het eventuele feit dat de woning deels op het perceel van derden is gebouwd voor de waardering daarvan niet van belang is. Dat geldt dus ook voor de op die waardering gebaseerde gebruiksvergoeding.
3.27
De man wijst er echter wel terecht op dat de vrouw niet eerder dan op 22 september 2021 (datum indiening inleidend verzoekschrift) aanspraak heeft gemaakt op betaling van een gebruiksvergoeding. Dat had veel eerder gekund. Partijen zijn immers al in de zomer van 2018 feitelijk uit elkaar gegaan en sinds die datum heeft de man de woning gebruikt. Vanaf het moment dat de vrouw om een gebruiksvergoeding vroeg kon de man ermee rekening houden dat die betaald moest worden en kon hij dus ook die factor betrekken in zijn afweging om al dan niet in de woning te willen blijven wonen. Dat is reden om als periode waarover een gebruiksvergoeding verschuldigd is uit te gaan van 22 september 2021 tot 1 oktober 2023 (datum ontruiming). Dat is, afgerond, twee jaar.
3.28
De vrouw wilde, zo begrijpt het Hof, liever in de woning blijven (met uitsluiting van de man). Zij heeft dus het gebruiksgenot van de woning moeten missen doordat de man in de woning is gebleven. Dat maakt dat billijk is uit te gaan van de maximale huurwaarde, welke gesteld kan worden op 4% van de marktwaarde. Vast staat dat de vrouw rente en aflossing op de hypothecaire lening heeft voldaan, maar voor de aflossing is zij door het Gerecht al deels (zie ook nog hierna) gecompenseerd, nu de man is veroordeeld zijn deel daarin bij te dragen (NAf 5.414,50). De rentebetalingen zijn door het Gerecht aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en onvoldoende onderbouwd is door de vrouw dat deze niet reeds zijn verrekend in het totaal van de gemeenschappelijke kosten van de huishouding. Op dit onderdeel geldt voorts dat de vrouw fiscaal voordeel heeft gehad doordat zij de volledig door haar betaalde rente als aftrekpost voor de inkomstenbelasting heeft kunnen opvoeren.
3.29
De marktwaarde is in deze procedure vastgesteld op NAf 320.000,-. De helft daarvan is NAf 160.000,-. De gebruiksvergoeding is 4% van dat bedrag per jaar, zijnde NAf 6.400,-. Over de genoemde periode van twee jaar is de man dus verschuldigd 2 x NAf 6.400,- = NAf 12.800,- in plaats van het door het Gerecht genoemde bedrag van NAf 61.886,- (bij de berekening van dit laatste bedrag heeft het Gerecht abusievelijk 4% gerekend over de gehele marktwaarde, in plaats van over de helft daarvan).
Resterende aflossingen
3.30
Tijdens de comparitie bij het Gerecht van 27 februari 2023 is, onweersproken, vastgesteld dat de per 1 februari 2022 resterende hypotheekschuld NAf 199.171,- was. Dat is het bedrag dat het Gerecht tot uitgangspunt heeft genomen bij de berekening van wat de man op dit punt nog aan de vrouw moest voldoen, te weten NAf. 5.414,50.
3.31
De man zal echter moeten blijven bijdragen aan de door de vrouw reeds betaalde en nog te betalen aflossingen vanaf 1 februari 2022 tot de dag waarop het onverdeeld aandeel van de man in de woning notarieel geleverd is aan de vrouw. Tot betaling daarvan zal de man worden veroordeeld op hierna te bepalen wijze.
Verzekeringspremies en aflossingen
3.31
Door het Gerecht is geoordeeld dat betaalde verzekeringspremies en aflossingen (op de hypothecaire lening) moeten worden aangemerkt als kosten die gemaakt zijn in het kader van de vermogensopbouw. Op die grond is bepaald dat de man aan de vrouw moet voldoen:
a. de helft van door haar betaalde verzekeringspremies ad NAf 17.766,12
b. de helft van de door de vrouw betaalde aflossingen ad NAf 5.414,50.
3.32
De man stelt dat de vrouw weliswaar de aflossingen en verzekeringspremies voldeed, maar dat daartegenover stond dat hij boodschappen en andere kosten betaalde. De lasten waren op die manier verdeeld. Dat staat aan een latere vordering tot verrekening in de weg. Opmerkelijk is verder, aldus de man, dat belastinglasten van de man door het Gerecht niet in de verrekening zijn betrokken.
3.33
Door de man is terecht niet betwist wat het Gerecht in het tussenvonnis van 27 februari (overwegingen 2.8 en 2.9) heeft overwogen. Aflossingen van leningen en met die leningen verband houdende premiebetalingen kunnen, aldus het Gerecht, niet worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding, maar zijn bijdragen aan vermogensopbouw. Als een der echtgenoten voor die kosten een groter bedrag uit zijn privévermogen heeft voldaan dan de andere echtgenoot heeft deze bij de verdeling recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij meer heeft besteed dan evenredig is met zijn aandeel daarin.
3.34
De stellingname van de man komt erop neer dat hij van zijn kant een te verrekenen vordering heeft op de vrouw omdat hij uit zijn privéinkomen en/of privévermogen boodschappen en andere kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft voldaan zonder dat de vrouw aan het voldoen daarvan enige bijdrage heeft geleverd. In die stellingname wordt hij niet gevolgd. Dergelijke uitgaven komen volgens de hoofdregel van artikel 7 HV ten laste van de inkomens van beide echtgenoten naar evenredigheid daarvan. Voor zover deze ontoereikend zijn worden die kosten voldaan uit ieders vermogen, naar evenredigheid daarvan.