Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-02-22
ECLI:NL:OGHACMB:2024:307
Strafrecht
Hoger beroep
4,517 tokens
Inleiding
ontnemingsbeslissing
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURACAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Zaaknummer : H-87/21 Parketnummer : 500.00325/18 - 824.0002/21
Uitspraak : 22 februari 2024 Tegenspraak
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, (hierna: het Gerecht) van 31 mei 2021, op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag dat de veroordeelde door middel van strafbare feiten heeft verkregen, geschat wordt op een bedrag van NAf 532.571,20. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat (naar het Hof begrijpt: “aan het Land”) van dat bedrag.
Het Gerecht heeft in afwijking daarvan het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt geschat, vastgesteld op
NAf 15.000,- en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan het Land ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2024. Aan het inhoudelijk onderzoek is met instemming van alle procespartijen een schriftelijke wisseling van standpunten voorafgegaan, waarbij zowel de procureur-generaal als de raadsvrouw twee schriftelijke conclusies hebben ingediend.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. E.V.A. Bos, en van hetgeen door de veroordeelde en haar raadsvrouw, mr. S.A.T. Ayubi-Haakmeester, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schatting van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van NAf 306.821,20 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan het Land Curaçao, bij gebreke waarvan vervangende hechtenis voor de duur van 3 jaren zal worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering van het openbaar ministerie wordt afgewezen en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt bepaald op nihil. Tevens beroept zij zich op het feit dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover het Hof zou komen tot toewijzing van enige vordering, verzoekt zij met dit feit (de termijnoverschrij-ding) rekening te houden bij de vaststelling van het bedrag.
Dictum
Grondslag ontnemingsvordering
Bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 29 oktober 2020 is de veroordeelde in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (geregistreerd onder parketnummer 500.00325 en zaaknummer H-214/19) onder meer veroordeeld voor – kort gezegd – meermalen medeplegen van mensenhan-del, als bedoeld in artikel 2:239, eerste lid, aanhef en onderdelen c en i, Sr. in de periode van 1 maart 2017 tot en met 27 september 2018. Tevens heeft het Hof in dit vonnis tot uitdrukking gebracht dat het vonnis van het Gerecht d.d. 27 september 2019 waarbij de (toen nog) verdachte was veroordeeld voor – kort gezegd – meermalen medeplegen van mensenhandel, als bedoeld in artikel 2:239, eerste lid, aanhef en onderdelen a, d en f, Sr., alsmede het gewoonte maken van mensensmokkel en werkverschaffing aan illegalen, gedurende dezelfde periode, in zoverre onherroepelijk was omdat tegen die veroordelingen geen appel was ingesteld. Tot slot heeft het Hof vorderingen tot vergoeding van schade toegewezen, ingediend door vijf personen die zich als benadeelde partij in de strafprocedure hebben gevoegd, voor een totaal bedrag van NAf 15.000,00. Tegen de uitspraak van het Hof is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof op 8 november 2022 vernietigd, doch uitsluitend voor zover het de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft. De veroordeling is hiermee met ingang van voornoemde datum onherroepelijk geworden.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn beslissing op de in de vonnissen van het Gerecht en het Hof in de hoofdzaak van de veroordeelde bewezenverklaarde feiten en de bewijsmid-delen die daaraan ten grondslag liggen, alsmede aan hetgeen in de bewijsmidde-len is vervat die in de voetnoten van deze ontnemingsbeslissing zijn vermeld.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het Gerecht het weder-rechtelijk verkregen voordeel zou vaststellen op een bedrag van NAf 523.571,20. De berekening van dat bedrag is opgenomen in het “Proces-verbaal berekening weder-rechtelijk verkregen voordeel” van 20 augustus 2019, opgesteld door het RST. (hierna te noemen: het RST ontnemingsrapport).
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw berekend. Het openbaar ministerie heeft hierbij in het voordeel van de veroordeelde rekening gehouden met diverse kosten die door de verdediging gemotiveerd naar voren zijn gebracht, met het oordeel van het Gerecht dat op bepaalde punten (mogelijk) sprake was van dubbeltelling en met de door het Hof toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. De procureur-generaal vordert in haar conclusie dat het Hof het wederrechtelijke voordeel thans zal vaststellen op een bedrag van NAf 306.821,20. Tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 11 januari 2024 heeft de procureur-generaal verklaard te persisteren bij deze vordering.
De raadsvrouw heeft ook in hoger beroep bepleit dat met de werkelijke kosten van de veroordeelde onvoldoende rekening is gehouden en dat het te betalen bedrag dient te worden vastgesteld op nihil. Tevens heeft zij betoogd dat de financiële situatie c.q. de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet adequaat is uitgevoerd. Zij verwijst in dit verband naar het niet vermelden in het rapport (naar het Hof begrijpt: het eerdergenoemde rapport van 20 augustus 2019) van in beslag genomen bedragen en het storten daarvan op een rekening van het Parket van de Procureur-Generaal. Ook het feit dat er geen vermogens-vergelijking heeft plaatsgevonden maakt dat niet kan worden bepaald wat het eventuele wederrechtelijk verkregen voordeel is geweest, aldus de verdediging. Zij herhaalt voorts haar beroep op de overschrijding van de redelijke termijn en heeft naar voren gebracht dat de veroordeelde het door het openbaar ministerie berekende bedrag onmogelijk zal kunnen betalen.
Conclusie
Het Hof acht de bepaling door het openbaar ministerie van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief de gepresenteerde gegevens en berekeningen in het RST ontnemingsrapport, de daarbij gehanteerde uitgangspunten, en met inachtneming van de in hoger beroep door de procureur-generaal aangebrachte correcties, aannemelijk. In hetgeen door de verdediging op dit punt naar voren is gebracht, ziet het Hof geen aanleiding het wederrechte-lijk genoten voordeel anders te berekenen, behoudens een enkele, hierna te bespreken uitzondering. Het door het openbaar ministerie in hoger beroep bepaalde bedrag van NAf 306.821,20 wordt door het Hof overgenomen en als uitgangspunt genomen voor een nadere berekening, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen door de verdediging op een hierna te bespreken punt naar voren is gebracht.
De stelling van de verdediging dat er bedragen in beslag zijn genomen die zijn gestort op de rekening van het Parket van de Procureur-Generaal, doet aan het vorenstaande niet af. Wat er ook van zij, het doet naar het oordeel van het Hof niet af aan de gehanteerde berekeningsmethode en daarbij gehanteerde uitgangspunten.
De stelling van de verdediging dat er geen vermogensvergelijking heeft plaatsgevonden en daarom niet kan worden bepaald wat het eventuele weder-rechtelijk verkregen voordeel is geweest, vindt geen steun in het recht. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
Het Hof zal ten aanzien van de in mindering te brengen kosten deels afwijken van de berekeningen van het openbaar ministerie. Voor wat betreft de kostenpost “inkoopwaarde extra omzet” neemt het Hof de berekening van het openbaar ministerie over.
Met betrekking tot de kosten waarvan het redelijk is dat deze in mindering worden gebracht op de “startschuld” van de zogenoemde tragomeisjes, komt het Hof echter tot een andere waardering.
Het Hof bepaalt het bedrag van de “startschuld” – met overneming van de berekening van het openbaar ministerie – op NAf 220.000,20. Het openbaar ministerie heeft op basis van het RST rapport berekend dat op deze “startschuld” een bedrag van NAf 45.630,00 aan kosten in mindering mag worden gebracht.
Bij de bepaling van dit bedrag is uitgegaan van de gemiddelde kosten van een vliegticket enkele reis van Venezuela naar Curaçao.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de veroordeelde niet de kosten van een enkele reis, maar de kosten van een retourticket heeft moeten voorschieten, aangezien reizigers vanuit Venezuela verplicht zijn die bij aankomst in Curaçao te tonen.
Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de veroordeelde aanzienlijke kosten heeft moeten maken voor de bemiddeling van derden (waaronder een tussenpersoon in Venezuela genaamd ‘[naam]’) bij het werven van de trago-meisjes.
De raadsvrouw heeft ook in hoger beroep nagelaten een schriftelijke onderbouw-ing over te leggen van voornoemde kosten. Beide stellingen komen het Hof echter niet onaannemelijk voor. Bij gebreke van verifieerbare stukken ter bepaling van de op de “startschuld” in mindering te brengen kosten, schat het Hof de totale kosten die verband houden met deze post ex aequo et bono op 50% van de “startschuld”, derhalve op NAf 110.000,10. Het openbaar ministerie heeft op de “startschuld” reeds een bedrag van NAf 45.630,00 voor reiskosten in mindering gebracht. Met inachtneming van het voorgaande zal het Hof derhalve alsnog een bedrag van NAf 64.370,10 voor extra reis- en bemiddelingskosten in mindering brengen.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in hoger beroep
Dit leidt tot de volgende berekening:
Vordering openbaar ministerie: NAf 306.821,20
Af: Extra reis- en bemiddelingskosten: NAf 64.370,10
Gelet op het voorgaande stelt het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel dat
de veroordeelde heeft genoten vast op een bedrag van: NAf 242.451,10
Redelijke termijn
De raadsvrouw heeft betoogd dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden en verzoekt het Hof hiermee rekening te houden.
Het Hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op een ontnemingsvordering wordt beslist.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting – in iedere instantie afzonderlijk – dient te zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of de advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Indien een verdachte zich ten tijde van (het aanhangig maken van) de procedure in voorlopige hechtenis bevindt, zoals in casu in eerste aanleg het geval was, dan behoort de zaak in 16 maanden te zijn afgedaan.
In eerste aanleg geldt dat voornoemde termijn aanvangt op het moment dat de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg het voornemen een ontnemingsvordering aanhangig te maken kenbaar heeft gemaakt of jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Het Hof gaat er in dit geval (conform het standpunt van de procureur-generaal en bij gebreke aan een ander duidelijk door het openbaar ministerie aangegeven startpunt), van uit dat de dag van de aanhouding van de (toen nog) verdachte als uitgangspunt heeft te gelden, te weten 27 september 2018. Tussen dit moment en de uitspraak van het Gerecht in de ontnemingszaak op 31 mei 2021, is een periode van twee jaar en acht maanden verstreken. Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg fors is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat deze overschrijding van de termijn in de risicosfeer van de veroordeelde ligt, is niet gebleken.
Wat de gedingfase van het hoger beroep betreft, geldt dat de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. De officier van justitie heeft op 4 juni 2021 hoger beroep ingesteld tegen de ontnemingsbeslissing van het Gerecht. De behandeling in tweede aanleg is heden met een eindbeslissing afgerond, zodat de redelijke termijn van twee jaren in hoger beroep eveneens is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat deze overschrijding van de termijn in de risicosfeer van de veroordeelde ligt, is niet gebleken.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ziet het Hof aanleiding om op het hiervoor vastgestelde bedrag ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel (NAf 242.451,10) een korting toe te passen van NAf 15.000,--. Het te ontnemen bedrag zal met dat bedrag worden verminderd. Het uiteindelijk door de veroordeelde aan het Land verschuldigde bedrag wordt alsdan bepaald op NAf 227.451,10.
Op te leggen betalingsverplichting
Het Hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van het hiervoor vastgestelde bedrag aan het Land Curaçao ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij heeft het Hof rekening gehouden met de draagkracht van de veroordeelde, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Door de verdediging is schriftelijk en mondeling bepleit dat de financiële situatie van de veroordeelde op dit moment penibel is en zij nauwelijks in haar eigen levens-onderhoud kan voorzien. Zij zal het door het openbaar ministerie berekende bedrag onmogelijk kunnen betalen, aldus de verdediging. Voor zover de verdediging heeft beoogd hiermee een zogeheten draagkrachtverweer te voeren, overweegt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof is dit standpunt niet met verifieerbare bescheiden onderbouwd en is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een situatie waarin op voorhand kan worden uitgesloten dat de veroordeelde op enig moment in staat is om aan haar betalingsverplichting te voldoen. Bij dat oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen de voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel geldende verjaringstermijn en de mogelijkheid die het openbaar ministerie heeft om de veroordeelde gedurende die termijn op verzoek uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan. Het verweer wordt verworpen.`
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het Hof:
- vernietigt de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van 31 mei 2021 en doet opnieuw recht als volgt;
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op NAf 227.451,10. (tweehonderdzeventwintig duizend, vierhonderdeenenvijftig gulden en tien cent);
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan het Land Curaçao van een bedrag van NAf 227.451,10. (tweehonderdzeventwintig duizend, vierhonderdeenenvijftig gulden en tien cent) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 3 (drie) jaren.
Deze beslissing is gegeven door mrs. W. Foppen, F.V.L.M. Wannyn en J.A.W. van ‘t Westeinde, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer (zittings)griffier, en op 22 februari 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
uitspraakgriffier
Proces-verbaal in het onderzoek FREEDOM, op ambtseed opgemaakt en op 20 augustus 2019 gesloten en ondertekend door [financieel rechercheur], financieel rechercheur bij het RST, Curacao.
Conclusie
Proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2024.
Pag. 13 van voornoemd RST ontnemingsrapport en conclusie van 3 juli 2023.
Pag. 5 en 6 van voornoemd RST ontnemingsrapport.
Pag 12 van voornoemd RST ontnemingsrapport.