Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-04-11
ECLI:NL:OGHACMB:2024:303
Strafrecht
Hoger beroep
6,138 tokens
Inleiding
Zaaknummer: H-136/2022
Parketnummer: 300.04255/22 (P-2022/04255)
Uitspraak: 11 april 2024 (op 12 april 2024 op schrift gesteld) Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 8 september 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte wordt verweten dat zij, kort samengevat, in de periode van januari 2019 tot en met haar aanhouding op 17 juli 2021 behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf aan een zevental personen van wie zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat zij wederrechtelijk in het Land Aruba verbleven. Het Gerecht heeft de verdachte bij voornoemd vonnis van het ten laste gelegde vrijgesproken, omdat door vier van deze personen asiel zou zijn aangevraagd en zij daardoor in beginsel niet wederrechtelijk in het Land Aruba verbleven. Ten aanzien van de andere drie in de tenlastelegging genoemde personen ontbreekt volgens het Gerecht het bewijs dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij wederrechtelijk in het Land Aruba verbleven.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het Hof in Aruba op 21 maart 2024.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. B.S. van Unnik, en van wat door de verdachte en haar raadsman,
mr. P.M.E. Mohammed, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde feit – met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op [betrokkene] – bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijfenzeventig dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte op de gronden zoals vermeld in het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en verzoekt het Hof voornoemd vonnis te bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
dat zij op een of meer tijdstippen in de periode van januari 2019 tot en met 17 juli 2021 te Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens een of meer ander(en), te weten, [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] en/of [getuige 6] en/of [betrokkene], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba, of telkens die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de aanwezigheid van die ander(en) daar wederrechtelijk was, immers heeft/hebben verdachte en/of en/of haar mededader(s) telkens aan genoemde personen woonruimte aan het perceel [het perceel] verhuurd en/of ter beschikking gesteld en/of huur voor deze woonruimte van genoemde personen geïnd.
Partiële vrijspraak
Met de procureur-generaal en de verdediging is het Hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde ten aanzien van [betrokkene].
Bewezenverklaring
Het Hof acht – met eenparigheid van stemmen – wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte voor het overige ten laste is gelegd, met dien verstande:
dat zij op een of meer tijdstippen in de periode van januari 2019 tot en met 17 juli 2021 te in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens een of meer ander(en), te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] en/of [getuige 6] en/of [betrokkene], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba, of telkens die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de aanwezigheid van die ander(en) daar wederrechtelijk was, immers heeft/hebben verdachte en/of en/of haar mededader(s) telkens aan genoemde personen woonruimte aan het perceel [het perceel] verhuurd en/of ter beschikking gesteld en/of huur voor deze woonruimte van genoemde personen geïnd.
Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Hof grondt zijn overtuiging, dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden, die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het Hof van 21 maart 2024 in Aruba, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik in mijn woning kamers heb verhuurd aan onder meer [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]. Ik ontving voor het gebruik van deze kamers huurpenningen, variërend van Afl. 300 tot 600, inclusief.
2. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 7], [nummer 1] (A-07/2020, bijlage 3.2), op ambtseed opgemaakt op 17 juli 2021, door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Wij (het Hof begrijpt: de getuige en de verdachte [verdachte]) verhuren kamers voor personen. Wij vragen nooit aan mensen om hun documenten aan ons te tonen.
3. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1], [nummer 2] (A-07/2020, bijlage 1.2), op ambtseed opgemaakt op 17 december 2020, door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier 1e klassen en wachtmeester 1e klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben op 20 januari 2019 Aruba binnengekomen vanuit Venezuela met een retourticket. Ik heb tegen de douane gezegd dat ik om toeristische redenen kwam. Ik verblijf sindsdien illegaal in Aruba. Ik ben niet in het bezit van een verblijfsdocument voor Aruba. Ik huurde dit appartement sinds oktober 2019 tot april 2020. Ik betaalde 400 AWG per maand. [verdachte] wist dat ik illegaal was. Iedereen die daar verblijft is illegaal. Ik heb tegen haar ook gezegd dat ik illegaal was.
4.
Dictum
Het Hof:
vernietigt het vonnis 8 september 2022 van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van Afl. 5.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.V.L.M. Wannyn, S. Verheijen en S.M. van Lieshout, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, griffier, en op
11 april 2024 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba, en op 12 april 2024 op schrift gesteld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], [nummer 3] (A-07/2020, bijlage 3.1), op ambtseed opgemaakt op 17 december 2020 door de verbalisante [verbalisant 6], hoofdagent eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben op 7 februari 2019 Aruba binnengekomen vanuit Venezuela. Ik huurde het appartement gelegen te [het perceel]. Ik betaalde elke maand Afl. 400 en volgens mij was water en elektra inbegrepen. Ik gaf het geld aan [verdachte] of haar echtgenoot. [verdachte] wist dat ik illegaal was. Zij wist ook dat de andere huurders illegaal waren. De meesten zijn Venezolanen.
5. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3], [nummer 4] (A-07/2020, bijlage 3.5), op ambtseed opgemaakt op 18 juli 2021 door de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier 1e klasse en hoofdagent 1e klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben in november 2019 naar Aruba gekomen met een vissersbootje. Ik verblijf sinds 10 dagen op [het perceel], in een slaapkamer die ik met een kamergenoot heb gehuurd. De eigenares is mevrouw [verdachte]. Ik betaalde 300 Afl. Ik verblijf illegaal op Aruba. [verdachte] had nooit aan mij gevraagd of ik illegaal was, maar ik ging ervan uit dat zij dit wel wist. Ik ben Venezolaan en wij komen hier voor werk. Dus de meeste mensen weten echt wel dat wij illegaal zijn.
6. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4], [nummer 5] (A-07/2020, bijlage 3.6), op ambtseed opgemaakt op 18 juli 2021 door de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier 1e klasse en hoofdagent 1e klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben op 20 januari 2020 Aruba per vliegtuig binnengekomen. Ik verblijf sinds 15 dagen op [het perceel]. Ik verbleef daar in een slaapkamer met twee bedden. De eigenaar van deze slaapkamer is [verdachte]. Wij moesten (samen) 600 Afl aan huur betalen. De water en elektra is inbegrepen. Ik betaalde de huur aan [verdachte]. [verdachte] wist dat ik illegaal op Aruba verbleef. Toen ik met [verdachte] had gesproken had ik tegen haar gezegd dat ik illegaal was. [verdachte] zei dat het geen probleem was en dat de woning veilig is en dat daar niemand binnen komt. Dus zij wist dat ik illegaal was, want ik had het duidelijk tegen haar gezegd.
7. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 5], [nummer 6] (A-07/2020, bijlage 3.7), op ambtseed opgemaakt op 19 juli 2021, door de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier 1e klasse en hoofdagent 1e klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben 28 februari 2020 Aruba binnengekomen om een betere toekomst te zoeken. Ik verblijf sinds twee maanden op [het perceel], in een slaapkamer, samen met mijn kleindochter. Volgens mij zijn de eigenaar/beheerder van de slaapkamer mevrouw [verdachte] en haar man. Ik moest Afl. 400 betalen en water en elektra is in de prijs inbegrepen. Ik ben illegaal. Ik weet niet of de eigenaresse wet dat ik illegaal op Aruba verbleef. Ik heb dit nooit tegen haar gezegd en het is ook nooit ter sprake gekomen. Ik heb nooit asiel aangevraagd op Aruba.
8. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 6], [nummer 7] (A-07/2020, bijlage 3.8), op ambtseed opgemaakt op 20 juli 2021, door de verbalisanten [verbalisant 6] 1e klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde getuige:
Ik ben op 16 april 2016 met het vliegtuig Aruba als toerist binnengekomen. Sinds 21 september 2020 verblijf ik op [het perceel], alleen in een slaapkamer. De eigenaar van de slaapkamer is mevrouw [verdachte]. Ik betaal maandelijks Afl. 300 omdat ik [verdachte]’s haar doe. Water en elektra is inbegrepen in de prijs. Ik betaalde de huur aan [verdachte]. Ik ben illegaal. Ik ga er van uit dat de eigenaar van het appartementencomplex wel wist dat ik illegaal was. Het is nooit aan mij gevraagd en ik heb er ook nooit wat over gezegd. Ik heb nooit asiel aangevraagd in Aruba.
Bewijsoverwegingen
Door de verdediging is het volgende aangevoerd. De verdachte had slechts de bedoeling haar landgenoten te helpen en maakte geen winst. Voorts wist de verdachte niet en had zij ook geen reden om te vermoeden dat haar huurders wederrechtelijk in het Land Aruba verbleven, zodat ook de vereiste opzet of schuld ontbreekt. Zij verkeerde naar eigen zeggen in de veronderstelling dat alle huurders enige vorm van (politiek) asiel hadden aangevraagd en daardoor een legale verblijfsstatus hadden verkregen. In deze zaak moeten de lokale omstandigheden in aanmerking worden genomen. Er zijn in Aruba duizenden ongedocumenteerde mensen die kennelijk ergens onderdak hebben. Velen zullen dus niet altijd onderzoek doen naar de status van de personen aan wie zij een verblijfplaats gunnen of verhuren. Wat voor onderzoek zou moeten worden gedaan is onduidelijk. Door het doen van navraag bij de Stichting HIAS heeft de verdachte voldaan aan de miniem vereiste onderzoeksplicht. Zij wist niet dat het tegen de wet was om onderdak te verschaffen aan mensen zonder een geldige verblijfsstatus.
Het Hof overweegt als volgt.
Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mensensmokkel als bedoeld in art 2:154 lid 1 sub b van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: Sr), is vereist dat de verdachte uit winstbejag een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.
verschaffen van verblijf
Het Hof stelt vast dat de verdachte niet betwist dat zij gedurende de ten laste gelegde periode diverse kamers en een appartement verhuurde aan (onder andere) de in de tenlastelegging genoemde personen en hen aldus behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba.
winstbejag
Van winstbejag is sprake indien gestreefd wordt naar een voor betrokkene economisch gunstiger toestand dan waarin deze bij het achterwege laten van de gewraakte handeling zou komen te verkeren. Niet is vereist dat de verdachte in bedrijfseconomische zin ‘winst’ heeft nagestreefd of gemaakt.
De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode woonruimte verhuurd en ter beschikking gesteld. Voor deze aan hen verleende dienst betaalden de bewoners maandelijks huur aan de verdachte. Voor zes kamers en een appartement ontving de verdachte maandelijks een bedrag variërend van Afl. 400 tot Afl. 600 per woonruimte. Aangenomen mag worden dat dit bedrag (onder meer) de kosten voor de utiliteiten van de woonruimten en internet overstijgt. Reeds hiermee is gegeven dat de verdachte met de verhuur een economisch gunstiger toestand nastreefde dan die waarin zij zonder de verhuur zou hebben verkeerd. Hoewel het Hof vaststelt dat – in tegenstelling tot in andere vergelijkbare zaken – geen sprake lijkt te zijn van exorbitante huurbedragen en niet (voldoende) is gebleken dat sprake was van (een) andere vorm(en) van uitbuiting, kan het Hof niet anders dan concluderen dat de verdachte uit winstbejag in de zin van artikel 2:154 lid 1 sub b Sr heeft gehandeld, en niet uit zuiver humanitaire overwegingen, zoals zij zelf stelt.
wederrechtelijkheid
In artikel 2:154 Sr zijn met betrekking tot het bestanddeel wederrechtelijkheid naast elkaar opgenomen het (voorwaardelijk) opzet (‘wetende’) en de culpa (‘ernstige reden heeft te vermoeden’). In het laatste geval wordt gedoeld op grove schuld, te weten ernstige onachtzaamheid.
De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4] hebben verklaard dat de verdachte wist dat zij illegaal in Aruba verbleven.
Inleiding
De getuige [getuige 4] verklaart zelfs dat toen hij dit tegen de verdachte vertelde, zij hem geruststelde met de mededeling dat de woning “veilig” was en dat “daar niemand binnenkomt”. De getuige [getuige 1] heeft eveneens verklaard tegen de verdachte te hebben gezegd dat hij in illegaal in Aruba verbleef. Het Hof gaat uit van de juistheid van de verklaringen van deze getuigen, daar zij op dit punt consistent en gedetailleerd zijn. Het Hof leidt hieruit af dat in deze gevallen bij de verdachte sprake was van wetenschap en derhalve van “vol opzet” tot het plegen van het ten laste gelegde feit.
Dat [getuige 1] en [getuige 4] voorafgaand aan het huren van woonruimte bij de verdachte asiel hebben aangevraagd is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Ten aanzien van de getuigen [getuige 3], [getuige 5] en [getuige 6] overweegt het Hof als volgt. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij ervan uitging dat de verdachte wel wist dat hij niet over een geldige verblijfsstatus beschikte, omdat hij weliswaar voorafgaand aan de huur van woonruimte bij de verdachte, online een asielaanvraag had gedaan, maar ondertussen reeds ruim anderhalf jaar illegaal in Aruba verbleef om te werken, nadat hij in november 2019 clandestien met een bootje naar Aruba was gekomen. Het Hof leidt uit deze verklaring af dat de verdachte [getuige 3] niet naar zijn verblijfsstatus heeft gevraagd, alsook dat [getuige 3] wederrechtelijk in Aruba verbleef. De getuigen [getuige 5] en [getuige 6] hebben beiden verklaard dat zij na afloop van de periode van het hun als toerist vergunde verblijf op het eiland zijn gebleven. Ook verklaren zij beiden dat de verdachte hun nooit heeft gevraagd of zij illegaal in Aruba verbleven. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de verdediging dat de verdachte navraag heeft gedaan bij de Stichting [stichting] (naar het Hof begrijpt: naar de verblijfsstatus van de betrokken huurders). Het Hof acht dit dan ook niet aannemelijk geworden. Het Hof stelt op grond van deze verklaringen vast dat ook deze drie getuigen wederrechtelijk in Aruba verbleven, alsook dat de verdachte geen actie heeft ondernomen om te achterhalen wat hun verblijfsstatus was.
Voormeld verzuim wijst naar het oordeel van het Hof het meest in de richting van de culpoze variant van het ten laste gelegde feit, nu het verwijt dat de verdachte ten aanzien van deze drie gevallen kan worden gemaakt, erin bestaat dat de verdachte heeft nagelaten zich te vergewissen van de status van de verblijfstatus van haar huurders.
Nu mag uit de culpoze variant van art 2:154 lid 1 sub b Sr geen algemene onderzoekplicht voor verhuurders worden afgeleid. Deze strafbaarstelling behelst echter wel dat tegen verwijtbare, of wellicht gefingeerde, naïviteit strafrechtelijk kan worden opgetreden. Van de verdachte mocht ook, gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak, waaronder het feit dat zij in ieder geval ook drie huurders had van wie zij wist dat zij geen legale verblijfsstatus in Aruba hadden, een bepaalde mate van alertheid worden verwacht, zeker nu de verdachte – naar eigen zeggen – bekend was met het gegeven dat veel buitenlanders illegaal in Aruba verblijven. Dit in het bijzonder nu haar klandizie juist uit buitenlanders, Venezolanen, bestond, die voor een rechtmatig verblijf afhankelijk zijn van een verblijfsvergunning. Dat geldt te meer, nu de verdachte zelf van Venezolaanse afkomst is en zich ook uit dien hoofde bewust moet zijn geweest van het belang van het hebben van een geldige verblijfstitel. De verdachte liet zich echter niet informeren over de verblijfsstatus van de genoemde drie personen. Het moet er dus voor worden gehouden, dat de verdachte er als het ware voor heeft gekozen om niet te weten of haar huurders legaal op het eiland verbleven. Het Hof merkt dit aan als ernstige onachtzaamheid.
Het Hof is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in deze gevallen ernstige redenen had te vermoeden dat de huurders van de door haar verhuurde appartementen wederrechtelijk in Aruba verbleven. Het Hof verwerpt het andersluidende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:154 lid 1 sub b juncto artikel 1:136 Sr. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd;
en
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Aruba, terwijl hij ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van illegaal verblijf in Aruba, door zes illegaal in Aruba verblijvende personen met de Venezolaanse nationaliteit tegen betaling onderdak te bieden in diverse kamers en een appartement. Het handelen van de verdachte doorkruist het overheidsbeleid aangaande bestrijding van illegaal verblijf in Aruba door personen met een andere nationaliteit en draagt bij aan het in stand houden van een illegaal circuit dat allerhande maatschappelijk ongewenste effecten met zich brengt.
In het voordeel van de verdachte heeft het Hof overwogen dat haar justitiële documentatie slechts melding maakt van een verkeersovertreding en dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van enig misdrijf.
In aanmerking genomen dat de verdachte zoals bewezen verklaard handelde uit financieel gewin, acht het Hof oplegging van een geldboete van in totaal Afl. 5.000 passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:1, 1:54, 1:55, 1:58 Sr, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.