Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-07-30
ECLI:NL:OGHACMB:2024:138
Civiel recht
Hoger beroep
4,155 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202100440 – CUR2022H00278
Uitspraak: 30 juli 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE VROUW],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. L.F. Herben,
tegen
[DE MAN],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1De zaak in het kort
Deze zaak betreft een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding.
In dit hoger beroep is de betekenis aan de orde van een vaststellingsovereenkomst die gesloten is voordat het Gerecht eindvonnis wees en die niet ter kennis van het Gerecht is gebracht.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 17 oktober 2022 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 12 september 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 29 november 2022 ingekomen memorie van grieven, met een productie, heeft de vrouw het hoger beroep toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de man (in conventie) alsnog zal afwijzen en een door de vrouw genoemde vaststellingsovereenkomst zal bevestigen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 27 januari 2023 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de man het hoger beroep bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het hoger beroep als vervallen zal beschouwen, althans dat het Hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
2.4
Op 4 juli 2023 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. De gemachtigde van de man heeft daarbij producties in het geding gebracht, die zij vooraf had toegezonden.
2.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
Het hoger beroep wordt niet als vervallen beschouwd
3.1
De akte van appel is op maandag 17 oktober 2022 ingediend en de memorie van grieven op dinsdag 29 november 2022. Dat is een dag te laat. Het griffierecht is op 29 november 2022 betaald. Dat is ook een dag te laat.
3.2
De eisen van een goede procesorde kunnen in een concreet geval meebrengen dat het hof de sanctie van art. 270 lid 5 Rv buiten toepassing moet laten. Dat zal met name het geval zijn indien het Hof, ondanks de niet-tijdige betaling van het griffierecht en het daaruit voortvloeiende verval van het hoger beroep, toch gelegenheid aan de desbetreffende procespartij heeft gegeven voor een verdere inhoudelijke proceshandeling, zoals het indienen van een processtuk of het houden van een pleidooi. In zodanig geval mag die procespartij in beginsel erop vertrouwen dat het hoger beroep aanhangig is en dat de door het hof toegelaten proceshandeling niet nodeloos zal blijken te zijn (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:284).
3.3
In dit geval zijn partijen bij e-mail van 17 mei 2023 toegelaten tot schriftelijk pleidooi. Daarom laat het Hof de sanctie van art. 270 lid 5 Rv buiten toepassing. Opmerking verdient dat een geïntimeerde er niet van kan uitgaan dat de griffie van het Hof, voordat deze partijen toelaat tot pleidooi, kennis neemt van hetgeen geïntimeerde in de memorie van antwoord opmerkt over de tijdigheid van betaling van griffierecht.
Feiten
3.4
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.4.1 [
[De vader en de moeder] (hierna afzonderlijk de vader en de moeder en gezamenlijk de ouders) zijn de vader en de moeder van de vrouw.
3.4.2
Op 3 november 2016 zijn de man en de vrouw in Curaçao in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd.
3.4.3
Op 11 april 2019 is [de BV] (hierna: de BV) opgericht. De man is statutair bestuurder van de BV.
3.4.4
Bij overeenkomst van 22 april 2019 hebben de ouders ter financiering van de activiteiten van de BV € 125.000 uitgeleend aan de BV, de man en de vrouw. In 2019 zijn diverse bedragen op het uitgeleende bedrag afgelost.
3.4.5
De BV exploiteert een snackbar in Jan Thiel, Curaçao. Vanwege de coronapandemie is de snackbar in de eerste helft van 2020 gedurende anderhalve maand gesloten geweest.
3.4.6
Bij brief van 17 juli 2020 hebben de ouders de BV en de man gesommeerd om een betalingsachterstand op de geldlening aan te zuiveren.
3.4.7
Bij verzoekschrift van 24 juli 2020, zaaknummer CUR202002209, (hierna: de echtscheidingszaak) heeft de man echtscheiding verzocht.
3.4.8
Bij brief van 31 juli 2020 hebben de ouders de geldleningsovereenkomst beëindigd.
3.4.9
Bij beschikking van 27 oktober 2020 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.4.10
Bij verzoekschrift van 24 november 2020, zaaknummer CUR202004592, (hierna: de geldleningszaak) hebben de ouders de BV en de man in rechte betrokken en betaling gevorderd van het gehele uitstaande bedrag van de geldlening (€ 109.082), met nevenvorderingen. De man heeft de vrouw in vrijwaring opgeroepen.
3.4.11
In de zaak waar dit hoger beroep over gaat (hierna: de boedelscheidingszaak) heeft de man bij inleidend verzoekschrift van 12 februari 2021 onder meer gevorderd dat het Gerecht de vrouw veroordeelt over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap op de wijze als door de man omschreven, althans op een door het Gerecht te bepalen wijze.
3.4.12
In de boedelscheidingszaak heeft de vrouw bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, van 25 mei 2021 onder meer gevorderd dat het Gerecht de man veroordeelt over te gaan tot verdeling op de wijze als door de vrouw omschreven, althans op een door het Gerecht te bepalen wijze.
3.4.13
Op 16 september 2021 is de boedelscheidingszaak mondeling behandeld.
3.4.14
Bij verzoekschrift van 6 december 2021, zaaknummer CUR202103895, (hierna: de loonzaak) heeft de vrouw de BV in rechte betrokken en aanspraak gemaakt op betaling voor haar werkzaamheden voor de BV. De BV heeft in reconventie aanspraak gemaakt op vergoeding van een kastekort van NAf 9.768.
3.4.15
In de geldleningszaak heeft het Gerecht bij vonnis van 14 februari 2022 in de hoofdzaak de BV en de man hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 107.917 aan de ouders, met rente. In de vrijwaringszaak heeft het Gerecht de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man, voor zover die meer dan één derde deel van € 107.917 aan de ouders betaalt.
3.4.16
In een op 22 maart 2022 gedateerde vaststellingsovereenkomst, ondertekend door de vrouw voor zichzelf en namens de ouders, en door de man voor zichzelf en namens de BV, staat onder meer:
[De ouders en de vrouw],
hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door [de vrouw]
en
[de BV en de man],
hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door [de man]
Overwegen:
[de BV en de man] zijn bij vonnis veroordeeld om aan [de ouders] te betalen een geldbedrag van circa 250.000 ANG
[de vrouw] heeft op [de BV] een loonvordering van ruim 21.000 ANG (…)
[de BV en de man] zijn bereid het bedrag van 250.000 ANG aan [de ouders] te betalen in (…) termijnen (…)
Partijen zijn in onderhandeling getreden en hebben overeenstemming bereikt over de omvang van de vorderingen alsmede over het moment waarop betaling hiervan zal plaatsvinden;
1. (…)
2. [de BV] betaalt aan [de moeder] en [de vrouw] een totaalbedrag van 250.000,- naf.
3. (…)
4. (…)
5. (…)
6. Er valt van beide partijen niks meer te vorderen op elkaar, finale kwijting over en weer.
7. (…)
Partijen hebben ter voorkoming van onzekerheden en geschillen met betrekking tot de afbetalingsregeling besloten in deze vaststellingsovereenkomst de overeengekomen voorwaarden op te nemen en vast te leggen (hierna: “Overeenkomst”);
Partijen komen overeen als volgt:
1. [de ouders en de vrouw] beperken hun gezamenlijke vorderingen op [de BV en de man] in het kader van de Overeenkomst tot een bedrag van NAf 250.000,00 en maken geen aanspraak meer op [de BV en de man] voor het meerdere van het door hen in de bodemprocedures gevorderde of in het vonnis bepaalde bedragen. Andersom trekken [de BV en de man] hun vorderingen op [de ouders en de vrouw] in.
2. Partijen zijn overeengekomen dat betaling van het bedrag van NAf 250.000 in (…) termijnen (…) zal plaatsvinden (…). (…)
3. Direct na ontvangst van de laatste betaling zullen [de ouders en de vrouw] alle beslagen ten laste van [de BV en de man] opheffen, in het bijzonder die onder MCB en beide partijen de bodemzaken royeren, althans royement verzoeken aan het Gerecht van de desbetreffende procedures.
4. (…)
5. (…)
6. Partijen verklaren over en weer door ondertekening van deze overeenkomst, behoudens nakoming van de bepalingen van deze vaststellingsovereenkomst, uit hoofde van de Overeenkomst inzake huidige en toekomstige vorderingen niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer algehele en finale kwijting.
7. (…).
3.4.17
Bij vonnis van 25 april 2022 heeft het Gerecht de boedelscheidingszaak naar de rol verwezen voor gelijktijdige akten aan beide zijden. Op 20 juni 2022 heeft alleen de man een akte ingediend.
3.4.18
In de loonzaak heeft het Gerecht bij vonnis van 20 juni 2022 in conventie de vordering van de vrouw met betrekking tot haar werkzaamheden afgewezen en in reconventie de vordering van de BV met betrekking tot het kastekort toegewezen.
3.4.19
Bij e-mail van 22 juni 2022 heeft mr. Knoppel aan mr. Herben bericht dat zij constateert dat mr. Herben buiten haar om een overeenkomst heeft gesloten met haar cliënten en dat zij daar bezwaar tegen maakt.
3.4.20
In de boedelscheidingszaak heeft het Gerecht bij eindvonnis van 12 september 2022, uitvoerbaar bij voorraad, als volgt beslist:
Het Gerecht:
In conventie en in reconventie
3.1.
stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast als volgt:
a. de aandelen in het kapitaal van [naam] (Holding) B.V.
Beoordeling
3.5
Bij memorie van grieven heeft de vrouw aangevoerd dat in art. 3 van de vaststellingsovereenkomst is bedongen dat deze boedelscheidingszaak zou worden geroyeerd. Op grond hiervan concludeert zij tot vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vordering van de man (in conventie) en “bevestiging van de vaststellingsovereenkomst”. Dat laatste vat het Hof op als een wijziging van eis (in reconventie) in die zin dat de vrouw thans vordert dat het Hof de huwelijksgoederengemeenschap verdeelt door te bepalen dat partijen uit hoofde daarvan niets meer van elkaar te vorderen hebben.
3.6
Bij memorie van antwoord heeft de man aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst nietig of vernietigbaar is. Hij heeft zich daarbij beroepen op wilsgebreken en op benadeling met meer dan 25%.
3.7
Om het hoger beroep te doen slagen, is vereist dat de vrouw, mede in het licht van de overgelegde producties, voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat in art. 3 van de vaststellingsovereenkomst is bedongen dat deze boedelscheidingszaak zou worden geroyeerd. Het Hof heeft daar vraagtekens bij. Dit hangt af van uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Deze uitleg geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf.
3.8
Een huwelijksgoederengemeenschap kan zonder tussenkomst van de rechter worden verdeeld. In veel gevallen worden dan, net als bij de rechter, gemeenschappelijke goederen en schulden geïdentificeerd, verdeeld en gewaardeerd en wordt op basis daarvan een overbedelingsbedrag vastgesteld. Het is ook mogelijk om de verdeling globaler te regelen, met het oog op zo min mogelijk uitvoeringshandelingen, bijvoorbeeld door overeen te komen dat aan elk van beiden de goederen worden toebedeeld die elk reeds onder zich heeft, dat de schulden worden betaald door degene op wiens naam ze staan of door degene die de betaling voorheen reeds placht te doen, en dat het overbedelingsbedrag op nihil wordt gesteld. Diverse varianten zijn mogelijk. In het algemeen wordt een huwelijksgoederengemeenschap echter niet verdeeld door de enkele bepaling dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijksgoederengemeenschap. Die enkele bepaling maakt het immers vrijwel onmogelijk om vast te stellen wat aan wie is toebedeeld. Het ligt daarom niet voor de hand dat dit in dit geval wel is gebeurd.
3.9
Voor zover aangenomen moet worden dat partijen zijn overeengekomen dat de huwelijksgoederengemeenschap blijvend onverdeeld gelaten wordt, is dat in strijd met dwingend recht (zie art. 3:178 lid 1 en 5 BW).
3.10
Daar komt bij dat in dit geval de considerans van de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk melding maakt van de geldleningszaak en van de loonzaak, maar niet van de boedelscheidingszaak. Zowel bij de opsomming van de punten waarover partijen overeenstemming hebben bereikt als bij de contractsartikelen na “partijen komen overeen als volgt” wordt een bedrag genoemd dat naar de geldleningszaak verwijst, maar staat in het geheel niets vermeld over de boedelscheidingszaak.
3.11
Op grond van het voorgaande is het Hof voorshands van oordeel dat in de vaststellingsovereenkomst niet is overeengekomen dat de boedelscheidingszaak zou worden geroyeerd en evenmin dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijksgoederengemeenschap. Dat zou betekenen dat het hoger beroep niet slaagt en dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd.
3.12
Aangezien in hoger beroep tot nog toe onvoldoende een hierop gericht partijdebat is gevoerd, zal het Hof ter vermijding van verrassingsbeslissingen de zaak naar de rol verwijzen om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Dat kan bij gelijktijdige akten, gevolgd door gelijktijdige antwoordakten.
3.13
Het Hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 17 september 2024 voor gelijktijdige akten aan beide zijden, waarna gelegenheid zal worden geboden voor gelijktijdige antwoordakten aan beide zijden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 30 juli 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.