Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-05-24
ECLI:NL:OGHACMB:2023:74
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,290 tokens
Inleiding
CUR2022H00241
Datum uitspraak: 24 mei 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Curaçao,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 15 juli 2022 in zaak nr. CUR202102876, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Sociale Zaken, Arbeid en Welzijn (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 23 augustus 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] om verhoging van zijn onderstandsuitkering, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2023. [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.S.J. Vierbergen, advocaat, waren aanwezig.
Overwegingen
[appellant] ontvangt onderstand als bedoeld in de Landsverordening verlening bijstand Curaçao. Op 22 juli 2020 heeft hij de minister verzocht zijn onderstand te verhogen. Op 14 juni 2021 heeft hij de minister herinnerd aan dat verzoek. Bij beschikking van 23 augustus 2021 heeft de minister het verzoek afgewezen, omdat [appellant] geen informatie heeft gegeven over hoeveel hij verdient met het venten van pinda's.
Het Gerecht heeft overwogen dat de minister inkomensgegevens van [appellant] moet hebben om de hoogte van de onderstand te kunnen vaststellen. Blijkens een ter zitting door de minister overgelegd formulier is [appellant] daar ook op gewezen en heeft hij toen verklaard geen inkomensgegevens te kunnen geven omdat het inkomen steeds wisselt. Het is niet aannemelijk dat de handtekening van [appellant] op dat formulier vervalst is. Gelet op het formulier en het feit dat [appellant] al jaren onderstand ontvangt, behoort hij te begrijpen dat zijn inkomensgegevens relevant zijn voor de beoordeling van zijn verzoek om verhoging. [appellant] heeft die gegevens niet verstrekt. De minister heeft het verzoek onder deze omstandigheden kunnen afwijzen, aldus het Gerecht.
[appellant] voert in hoger beroep opnieuw aan dat zijn handtekening op het formulier vervalst is. Ook voert hij opnieuw aan dat hij geen inkomensgegevens kan verstrekken, omdat zijn inkomen sterk wisselt.
3.1.
Het Hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant], naast zijn onderstand, geld verdient met het venten van pinda's. Deze extra inkomsten zijn van belang voor de vaststelling van de hoogte van de onderstand van [appellant]. Omdat [appellant] de minister heeft verzocht zijn onderstand te verhogen, is gevraagd naar de gemiddelde inkomsten van [appellant] met het venten van pinda’s. Deze informatie heeft hij niet willen of kunnen geven, omdat deze inkomsten volgens hem steeds wisselen. Ondanks dat [appellant] er enkele keren op is gewezen dat deze gegevens nodig zijn om zijn verzoek om verhoging te beoordelen, wat [appellant] ook moet begrijpen, heeft hij de gegevens niet verstrekt. Het is op zichzelf begrijpelijk dat het door de wisselende inkomsten moeilijk kan zijn om aan te geven wat het gemiddelde hiervan is. Dat ontslaat [appellant] echter niet van zijn verplichting om ten minste een schatting te geven van wat hij gemiddeld met het venten verdient. Van hem mag worden verwacht dat hij aan de hand van bijvoorbeeld inkoopbonnen laat zien hoeveel hij gemiddeld verkoopt. Omdat [appellant] blijft weigeren deze gegevens te verstrekken, heeft de minister het verzoek terecht afgewezen. Een al dan niet door hem ondertekend formulier, wat daar ook van zij, doet daaraan niet af. Het Hof heeft ter zitting geprobeerd om samen met [appellant] tot een schatting te komen, maar moet vaststellen dat [appellant] niet voldoende bereidheid heeft laten zien om daaraan mee te werken.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.