Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-08-02
ECLI:NL:OGHACMB:2023:348
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,662 tokens
Inleiding
Uitspraak
SXM2022H00171 en SXM2022H00177
Datum uitspraak: 2 augustus 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Belanghebbende],
wonende te Sint Maarten,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 7 november 2022 in de zaken met BBZ nrs. SXM202200002 en SXM202200003 in het geding tussen:
belanghebbende
en
de inspecteur der belastingen
zetelend in Sint Maarten,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de hierna te aanslagen.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting met dagtekening 21 december 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 264.967, resulterend in en te betalen bedrag van NAf 94.964.
1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting met dagtekening 8 februari 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 214.844, resulterend in en te betalen bedrag van NAf 70.786.
1.3.
Belanghebbende heeft op respectievelijk 8 februari 2021 (2015) en 19 maart 2021 (2016) tegen de aanslagen bezwaar gemaakt.
1.4.
Belanghebbende heeft op 5 januari 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op de ingediende bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
1.5.
Het Gerecht heeft in haar uitspraak van 7 november 2022 als volgt geoordeeld:
“Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet tijdig beslissen op bezwaren gegrond;
- verklaart de bezwaren ongegrond;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.”
1.6.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 15 december 2022 een hogerberoepschrift ingediend. Er is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 300.
De Inspecteur heeft met dagtekening 22 februari 2022 een verweerschrift ingediend, waarna belanghebbende op 24 maart 2023 onder de naam “Appèl Belastingkamer-Repliek” een nader stuk (gedagtekend28 februari 2023) heeft ingediend.
1.7.
De zitting heeft plaatsgehad op 29 mei 2023 te Philipsburg. Verschenen zijn [A], verbonden aan [Q], als gemachtigde van belanghebbende en [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door [C].
1.8.
Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota in het geding gebracht.
1.9.
Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten.
Feiten
Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten als vaststaand worden overgenomen:
“2.1 Belanghebbende is in de onderhavige jaren woonachtig te Sint Maarten. Belanghebbende is gehuwd met [T].
2.2
Belanghebbende is samen met haar echtgenoot mede-eigenaar van meerdere onroerende zaken. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben daaruit in de jaren 2015 en 2016 de volgende inkomsten genoten:
2015
Belanghebbende
Echtgenoot
Huurinkomsten [M] & [V]
NAf 416.499
NAf 416.499
Huurinkomsten [G]
51.264
-
Totaal
467.763
416.499
2016
Belanghebbende
Echtgenoot
Huurinkomsten [M] & [V]
NAf 363.789
NAf 363.789
Huurinkomsten [G]
51.264
-
Totaal
415.053
363.789
2.3
Belanghebbende heeft in de jaren 2015 en 2016 aangifte gedaan als binnenlands belastingplichtige, haar echtgenoot als buitenlands belastingplichtige. In de aangiften hebben beiden inkomsten uit onroerende zaken aangegeven.
2.4
Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van NAf 125.654. Daarbij heeft belanghebbende, met toepassing van artikel 4, lid 3 Landsverordening op de inkomstenbelasting (hierna: LIB), een bedrag aan inkomsten uit onroerende zaken aangegeven van 65% van de huurinkomsten, dat is 65% van NAf 467.763 = NAf 304.046. Daarop heeft zij een bedrag van NAf 166.942 aan hypotheekrente in aftrek gebracht.
2.5
De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de ingediende aangifte en heeft het belastbaar inkomen vastgesteld op NAf 264.967. Daarbij heeft hij het deel van de huuropbrengsten van de echtgenoot ad NAf 270.724 (65% x NAf 416.499) bij het inkomen van belanghebbende geteld en daarop de oorspronkelijk aan de echtgenoot toegerekende hypotheekrente van NAf 138.383, in aftrek gebracht. Tevens heeft hij een (niet ter discussie staande) correctie aangebracht op de in de aangifte in aftrek gebrachte AOV/AWW.
2.6
Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van NAf 107.390. Daarbij heeft belanghebbende, met toepassing van artikel 4, lid 3 LIB, een bedrag aan inkomsten uit onroerende zaken aangegeven van 65% van de huurinkomsten, dat is 65% van NAf 415.053 = NAf 269.784. Daarop heeft zij een bedrag van NAf 157.677 aan hypotheekrente in aftrek gebracht.
2.7
De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de ingediende aangifte en heeft het belastbaar inkomen vastgesteld op NAf 214.844. Daarbij heeft hij het deel van de huuropbrengsten van de echtgenoot ad NAf 236.462 (65% x NAf 363.789) bij het inkomen van belanghebbende geteld en daarop de oorspronkelijk aan de echtgenoot toegerekende hypotheekrente van NAf 129.992, in aftrek gebracht. Tevens heeft hij een (niet ter discussie staande) correctie aangebracht op de in de aangifte in aftrek gebrachte verzekeringspremie voor inboedel en aansprakelijkheid.”
Geschil
3.1.
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de aanslagen niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 2015 tot een naar een belastbaar inkomen van NAf 125.654 en van de aanslag inkomstenbelasting 2016 tot een naar een naar een belastbaar inkomen van NAf 107.390. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.3.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.
Beoordeling
Het Gerecht heeft het volgende overwogen:
“Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar
4.1
De bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2015 en 2016 zijn op respectievelijk 8 februari 2021 (2015) en 19 maart 2021 (2016) door de Inspecteur ontvangen.
4.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening landsbelastingen (hierna: ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 8 november 2021 (2015) en 19 december 2021 (2016), een uitspraak heeft gedaan.
4.3
Ingevolge artikel 31, aanhef en onder a, ALL kan binnen twaalf maanden na het verstrijken van de hiervoor vermelde termijn van negen maanden, in dit geval dus uiterlijk op respectievelijk 8 november 2022 (2015) en 19 december 2022 (2016), beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
4.4
Belanghebbende heeft op 5 januari 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Dit beroep is mitsdien ontvankelijk.
4.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar.
Inhoudelijk
4.6
De hoofdregel in de inkomstenbelasting is dat de inkomsten in aanmerking worden genomen bij degene die ze heeft genoten. In artikel 20 LIB is een uitzondering op die hoofdregel opgenomen. Die uitzondering geldt voor belastingplichtigen die het gehele kalenderjaar gehuwd zijn geweest zonder duurzaam gescheiden te hebben geleefd, en die beiden binnen Sint Maarten woonden (artikel 20, lid 1 LIB). Voor die belastingplichtigen worden de inkomsten van beide partners ingevolge artikel 20 lid 2 LIB samengeteld en in aanmerking genomen bij de meestverdienende partner. Die samentelling geldt echter niet voor persoonlijk inkomen, waartoe de winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid behoren (artikel 20, lid 2 en lid 3, letter a en b LIB). De samentelling geldt wel voor inkomsten die onder categorie ‘opbrengsten uit onroerende zaken’ (artikel 3, lid 4 aanhef en sub a LIB) vallen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de meestverdienende partner is.
4.7
Belanghebbende stelt zich allereerst op het standpunt dat samentelling van de huurinkomsten niet kan plaatsvinden omdat haar partner, [partner], niet het gehele jaar in Sint Maarten woonde, waardoor artikel 20 LIB niet van toepassing is. Het Gerecht overweegt als volgt.
4.8
Ingevolge artikel 1, lid 2 LIB wordt of iemand binnen Sint Maarten woont naar de omstandigheden beoordeeld. Er is sprake van een woonplaats in Sint Maarten als alle omstandigheden van het geval erop wijzen dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Sint Maarten. Die band hoeft niet sterker te zijn dan met enig ander land (vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824).
4.9 [
Partner] is gehuwd met belanghebbende en het staat vast dat belanghebbende in Sint Maarten woont. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de echtgenoten een woning in Sint Maarten hebben die beiden als echtelijke woning duurzaam ter beschikking staat. Gelet hierop bestaat er in de jaren 2015 en 2016, behoudens tegenbewijs, een duurzame band van persoonlijke aard tussen [partner] en Sint Maarten. Dat tegenbewijs heeft belanghebbende niet geleverd. Dat [partner] kennelijk niet ingeschreven staat in Sint Maarten is daarvoor onvoldoende. In de bezwaarschriften voor de jaren 2015 en 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat [partner] enkele maanden per jaar in Sint Thomas, US Virgin Islands woont. Het Gerecht is van oordeel dat een (vast) verblijf van slechts enkele maanden per jaar buiten Sint Maarten niet inhoudt dat [partner] niet meer als inwoner van Sint Maarten aangemerkt moet worden en er evenmin toe leidt dat artikel 20, lid 1 LIB niet van toepassing is. Dat laatste kan anders zijn indien aangenomen moet worden dat beide partners duurzaam gescheiden hebben geleefd, maar dat is gesteld noch gebleken.
4.10
Belanghebbende heeft daarnaast gesteld dat de Inspecteur in het verleden heeft geaccepteerd dat de partner van belanghebbende aangifte deed als buitenlands belastingplichtige en dat belanghebbende en haar partner ieder (hun deel van de) inkomsten uit onroerende zaken in de aangiftes opnamen. Voor zover belanghebbende daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, overweegt het Gerecht als volgt. Een vertrouwen kan gerechtvaardigd zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en daarnaast op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen (vgl. HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516). De enkele omstandigheid dat de Inspecteur de aangiftes heeft gevolgd, kan derhalve niet leiden tot gewekt vertrouwen.
4.11
Belanghebbende heeft in het nader stuk van 12 augustus 2022 het standpunt ingenomen dat de verhuurinkomsten ten onrechte in de aangifte zijn ingevuld onder de categorie ‘inkomsten uit onroerend goed’. Belanghebbende is van mening dat ze dienen te worden ingedeeld in de categorie ‘winst uit onderneming’ met als gevolg dat geen samentelling van die inkomsten dient plaats te vinden.
4.12
Het Gerecht overweegt als volgt. Naar vaste jurisprudentie geldt bij exploitatie van onroerende zaken voor de afbakening tussen vermogensbeheer en de bron winst uit onderneming (of de bron: inkomsten uit arbeid) als maatstaf of de in dit kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, met als doel het halen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat (vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, GEA Sint Maarten 25 september 2017, ECLI:NL:OGEAM:2017:49).
4.13
De bewijslast of de verhuuractiviteiten meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, rust op degene die zich daar op beroept, in dit geval dus op belanghebbende. Dit geldt hier temeer nu belanghebbende zich daarop beroept in afwijking van de door haar ingediende aangifte (vgl. HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, GEA Aruba, 19 februari 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:105). Belanghebbende heeft in dat verband gesteld dat alle indicatoren aanwezig zijn dat er sprake is van winst uit onderneming en dat het belanghebbende niet tegengeworpen kan worden dat zij niet bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staat, nu dit geen vereiste vormt om inkomen als winst uit onderneming te kwalificeren. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende, met hetgeen zij heeft gesteld, niet voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat met betrekking tot de onroerende zaken meer werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan die welke behoren bij normaal vermogensbeheer. Van een onderneming of van andere inkomsten uit arbeid is dan ook geen sprake. Nu belanghebbende niet geslaagd is in haar bewijslast, dienen de huurinkomsten aangemerkt te worden als ‘inkomsten uit onroerende goederen’.
Conclusie
4.14
Uit het voorgaande blijkt dat de huurinkomsten op de juiste wijze, als inkomsten uit onroerende goederen, bij belanghebbende in de aanslagen inkomstenbelasting zijn betrokken. De slotsom is dat de bezwaren van belanghebbende ongegrond dienen te worden verklaard en de aanslagen in stand dienen te blijven. Van verliesverrekening, zoals belanghebbende voorstaat, kan geen sprake zijn nu de aanslag inkomstenbelasting 2014 die is opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 122.868 en een te betalen belasting van NAf 30.373, onherroepelijk vaststaat.
5. PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
5.1
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.4
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 700 (1 punt voor de rechtskundige bijstand in de beroepsfase, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 0,5 (beroep niet tijdig beslissen op bezwaar).
5.5
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.”
Overwegingen
Kwalificeert de echtgenoot van belanghebbende als inwoner van Sint Maarten
5.1.1.
Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat de hoofdregel in de inkomstenbelasting is dat de inkomsten in aanmerking worden genomen bij degene die ze heeft genoten. In artikel 20 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB) is een uitzondering op die hoofdregel opgenomen. Die uitzondering geldt voor belastingplichtigen die het gehele kalenderjaar gehuwd zijn geweest zonder duurzaam gescheiden te hebben geleefd, en die beiden binnen Sint Maarten woonden (artikel 20, lid 1, LIB). Voor die belastingplichtigen worden de inkomsten van beide partners ingevolge artikel 20 lid 2, LIB samengeteld en in aanmerking genomen bij de meestverdienende partner. Die samentelling geldt op grond van artikel 20, lid 2 en lid 3, letter a en b LIB, echter niet voor persoonlijk inkomen, waartoe de winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid behoren. De samentelling geldt wel voor inkomsten die onder categorie ‘opbrengsten uit onroerende zaken’ (artikel 3, lid 4 aanhef en sub a LIB) vallen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de meestverdienende partner is.
5.1.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat samentelling van de huurinkomsten niet kan plaatsvinden omdat haar echtgenoot, de heer [partner], in de jaren 2015 en 2016 niet het gehele jaar binnen Sint Maarten woonde, waardoor artikel 20 LIB niet van toepassing is.
5.1.3.
Op basis van het bepaalde in artikel 1, lid 2, van de LIB wordt het antwoord op de vraag of iemand binnen Sint Maarten woont, naar de omstandigheden beoordeeld.
5.1.4.
Bij die beantwoording van die vraag moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het land waar hij woont. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat het voor de conclusie of iemand in Sint Maarten woont niet noodzakelijk is dat het middelpunt van zijn maatschappelijke leven zich daar bevindt. Uit vaste rechtspraak volgt voorts dat geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan bepaalde (categorieën van) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
5.1.5.
Ter onderbouwing van het (gestelde) fiscale inwonerschap van de echtgenoot van belanghebbende in Sint Maarten in de onderhavige jaren heeft de Inspecteur onder meer, en voor zover van belang, de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:
Belanghebbende en haar echtgenoot zijn sinds 30 maart 1973 met elkaar gehuwd en leven niet duurzaam gescheiden.
Het woonadres van belanghebbende en haar echtgenoot dat bij de kadastrale registers bekend staat en vermeld wordt op de meetbrieven van hun percelen is [adres 1], Sint Maarten.
Het adres in Sint Thomas wordt vermeld als buitenlands adres. De meetbrieven van de percelen zijn door belanghebbende als produkties 3A, 3B en 3C en 6 aan haar beroepschrift bij het Gerecht toegevoegd.
De echtgenoot blijft voormelde woning in Sint Maarten aanhouden en heeft persoonlijke banden met zijn vrouw en hun twee kinderen.
Belanghebbende en haar echtgenoot houden in Sint Maarten bankrekeningen aan bij de Windward Islands Bank (WIB), de RBTT en de Republic Bank (voorheen Scotiabank).
Beiden staan persoonlijk garant voor $ 1.480.000 voor (hypothecaire) leningen die gesloten zijn bij de WIB.
Belanghebbende is mede-aandeelhouder van [G] N.V., haar echtgenoot is geen aandeelhouder maar hij heeft wel beslissings- en tekeningsbevoegdheden.
De echtgenoot staat garant voor een lening, gesloten op 22 november 2005, van $ 1.7888.859 bij RBTT bank, voor gelden ter investering in [G] N.V., werkkapitaal en een auto.
De echtgenoot bezit de nationaliteit van de Verenigde Staten van Amerika.
Niet aannemelijk is geworden dat de echtgenoot in de onderhavige jaren als inwoner van St. Thomas aan de belastingheffing aldaar is onderworpen. Inwoners van St. Thomas zijn aan de belastingheffing aldaar onderworpen ingevolge dezelfde wetgeving en dezelfde belastingtarieven als in de Verenigde Staten van Amerika.
De echtgenoot stelt zich weliswaar op het standpunt dat hij enkele maanden per jaar in St. Thomas verblijft maar niet is gebleken van registratie van de echtgenoot in St. Thomas.
Op het aangifte B-formulier staat als adres vermeld: [adres 2], P.O. Box [000], St. Thomas, maar het is niet duidelijk of dit adres een huisadres is of enkel een postbusadres.
Op basis hiervan concludeert de Inspecteur dat de echtgenoot van belanghebbende zowel persoonlijke als financiële banden heeft met Sint Maarten en dat uit zijn gedragingen niet blijkt van zijn wil om Sint Maarten metterwoon te verlaten in die zin dat hij zijn duurzame betrekkingen met en/of in Sint Maarten wil verbreken.
5.1.6.
Belanghebbende stelt ter onderbouwing van haar standpunt dat haar echtgenoot in 2015 en 2016 geen inwoner van Sint Maarten was, zakelijk weergegeven, onder meer en voor zover van belang het volgende:
Het perceel gelegen te [adres 1], Sint Maarten, staat kadastraal geregistreerd ten name van belanghebbende.
Het perceel gelegen te [adres 2], St. Thomas, US Virgin Islands, is gekocht is in het jaar 1976 en staat notarieel geregistreerd ten name van de beide echtelieden.
De echtelieden hebben in het verleden de beslissing genomen om een "lat-relatie" te hebben, en dat ieder van hun in een van de huizen woont.
De echtgenoot komt drie tot zes keer per jaar bij belanghebbende, logeert dan in het huis op Sint Maarten en gaat vervolgens na ongeveer een tot twee weken terug naar het huis in St. Thomas. Het echtpaar heeft samen zaken op Sint Maarten en verdeelt de economische voordelen.
De water- en energierekeningen voor het huis in St. Thomas staan op naam van het echtpaar, voor het huis in Sint Maarten staan de rekeningen alleen op naam van belanghebbende. Vastgelegd is dat GEBE geen verbruiksrekeningen op naam zet, wanneer de verbruiker(s) buiten het eilandgebied Sint Maarten is (zijn) gevestigd.
Uit de nota’s van het water- en stroomverbruik blijkt dat het huis in St. Thomas wordt bewoond.
Uit de “Real property tax clearance letter” van 12 december 2019 blijkt dat ter zake van de woning in St. Thomas belasting wordt betaald.
In een notariële akte van 7 april 2008, waarbij de overheid van Sint Maarten als comparant wordt genoemd, is als woonplaats van de echtgenoot het adres in St. Thomas vermeld.
In de officiële verzoekschriften aan het Consulaat van India uit 2011, en de US Customs & Border Protection uit 2022, wordt bevestigd dat in die jaren de woonplaats van de echtgenoot in St. Thomas is gelegen.
5.1.7.
De Inspecteur heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk gemaakt dat de echtgenoot in 2015 en 2016 een duurzame band van persoonlijke aard had met Sint Maarten. Bij dat oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn in 1973 gehuwd en zij hebben samen twee kinderen. Belanghebbende is woonachtig in Sint Maarten, en haar echtgenoot, die ook geregeld in een woning in St. Thomas verblijft, is ten minste met enige regelmaat bij zijn echtgenote in Sint Maarten.
Conclusie
5.4.
Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.
6Griffierecht en proceskosten
Gelet op het voorgaande zijn geen termen aanwezig voor het vergoeden van het griffierecht aan belanghebbende dan wel voor een veroordeling van de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van deze procedure heeft gemaakt.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.
Aldus gedaan door mr. drs. W.H. Bel, voorzitter, mr. drs. P.J.J. Vonk en mr. M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema-Meijers als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
Afschriften zijn per post/per e-mail op aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. waartegen u in beroep komt;
d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Zie bijvoorbeeld HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824, BNB 2013/123, over de inhoudelijk identieke bepaling van artikel 3, lid 1, van de Algemene Kinderbijslagwet.
Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, BNB 2011/98 en HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, BNB 2011/127.
Gerechtshof Den Haag, 30 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1780, HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2420.
HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516; HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:629
HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, GEA Sint Maarten 25 september 2017, ECLI:NL:OGEAM:2017:49.
HR 11 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7205; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847; GEA Sint Maarten 10 oktober 2018, ECLI:NL:OGEAM:2018:97; GEA Aruba, 19 februari 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:105.
Overwegingen
Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot het oordeel dat sprake is van een situatie waarin de echtelieden als duurzaam gescheiden moeten worden aangemerkt. Belanghebbende en haar echtgenoot bezitten diverse in Sint Maarten gelegen onroerende zaken waaruit zij opbrengsten genieten en waarop een recht van hypotheek rust ten behoeve van een bank in Sint Maarten. De echtgenoot was voorts beschikkings- en tekeningsbevoegd voor in Sint Maarten gevestigde vennootschappen, waarvan belanghebbende bestuurder en mede-aandeelhouder was. Voorts beschikte de echtgenoot over bankrekeningen in Sint Maarten en genoot hij een pensioenuitkering van een op Sint Maarten gevestigde maatschappij.
5.1.8.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de echtgenoot in 2015 en 2016 in Sint Maarten woonde in de zin van artikel 1, lid 2, LIB. Hieraan doet niet af dat de echtgenoot in 2015 en 2016 ook geregeld in een woning in St. Thomas verbleef. Voor het aannemen van het inwonerschap in Sint Maarten behoeft de duurzame band met Sint Maarten immers niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor de conclusie dat sprake is van een fiscale woonplaats in Sint Maarten niet noodzakelijk is dat het middelpunt van het maatschappelijke leven van de echtgenoot zich in Sint Maarten bevond.
Vertrouwensbeginsel
5.2.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar in eerste aanleg aangevoerde stelling dat de Inspecteur in het verleden heeft geaccepteerd dat haar echtgenoot aangifte heeft gedaan als buitenlands belastingplichtige en dat zij beiden ieder (hun deel van de) inkomsten uit onroerende zaken in de aangiftes opnamen. Voor zover belanghebbende daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, heeft het Gerecht terecht en met juistheid daarover geoordeeld dat een vertrouwen gerechtvaardigd kan zijn indien een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd en daarnaast op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur de aangiftes van belanghebbende en haar echtgenoot heeft gevolgd, kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de Inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de echtgenoot niet in Sint Maarten woonachtig was. Belanghebbende heeft geen bijkomende omstandigheden gesteld die bij haar en haar echtgenoot de indruk hebben kunnen wekken dat het volgen van de aangiften in voorgaande jaren op een weloverwogen standpunt van de Inspecteur berustte.
Winst uit onderneming
5.3.1.
In hoger beroep herhaalt belanghebbende haar in eerste aanleg ingenomen standpunt dat de inkomsten uit de onroerende zaken dienen te worden ingedeeld in de categorie ‘winst uit onderneming’ met als gevolg dat geen samentelling van die inkomsten dient plaats te vinden.
5.3.2.
Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen geldt bij exploitatie van onroerende zaken voor de afbakening tussen vermogensbeheer en de bron winst uit onderneming (of de bron: inkomsten uit arbeid) als maatstaf of de in dit kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, met als doel het halen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat
5.3.3.
De bewijslast of de verhuuractiviteiten meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, rust op degene die zich daar op beroept, in dit geval dus op belanghebbende. Dit geldt hier temeer nu belanghebbende zich daarop beroept in afwijking van de door haar ingediende aangifte. Het Gerecht heeft geoordeeld dat belanghebbende, met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en - bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat met betrekking tot de onroerende zaken meer werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan die welke behoren bij normaal vermogensbeheer. In hoger beroep heeft belanghebbende geen, niet eerder aangevoerde feiten en omstandigheden te berde gebracht, die een ander licht werpen op voormeld oordeel van het Gerecht. Het Gerecht heeft met juistheid en terecht geoordeeld dat van een onderneming of van andere inkomsten uit arbeid geen sprake is. Zulks leidt tot het gevolg dat, aangezien belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd, de huurinkomsten dienen te worden aangemerkt als ‘inkomsten uit onroerende goederen’. Het Gerecht heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat de huurinkomsten op de juiste wijze, te weten als inkomsten uit onroerende goederen, bij belanghebbende in de aanslagen inkomstenbelasting zijn betrokken.