Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-07-13
ECLI:NL:OGHACMB:2023:343
Strafrecht
Hoger beroep
1,688 tokens
Inleiding
Zaaknummer: H-203/22
Parketnummer: 555.00132/22
Uitspraak: 13 juli 2023 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 21 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[VERDACHTE],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3].
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door het Gerecht vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 434 van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het Hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van de feiten 1 en 2.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. A.K. Tiggelaar, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M.A. Becher, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde diefstallen en het onder 6 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen met dien verstande dat het Hof:
- de door het Gerecht onder het kopje ‘ten aanzien van de feiten 3 t/m 6’ weergegeven bewijsmiddelen 1 en 2 verwijdert;
- het door het Gerecht onder het kopje ‘in aanvulling daarop ten aanzien van feit 5’ onder 1 weergegeven bewijsmiddel aanvult, zoals hieronder vermeld;
- de bewijsmiddelen aanvult met de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, zoals hieronder vermeld.
Hetgeen de verdediging in hoger beroep ten verwere naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij overweegt het Hof in het bijzonder dat hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de zendmastgegevens die zich in het dossier bevinden, geen nadere bespreking behoeft nu deze gegevens niet door het Hof voor het bewijs worden gebezigd.
Aanvulling bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 3 tot en met 6:
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:
U heeft mij diverse (WhatsApp)gesprekken voorgehouden, waaronder
gesprekken gevoerd op 28 juni 2022 door de gebruiker van het
telefoonnummer [telefoonnummer] met [persoon 1] en met [persoon 2] en een gesprek gevoerd op
4 juli 2022 door de gebruiker van dat telefoonnummer en een onbekend
gebleven man. Het klopt dat ik deze gesprekken met [persoon 1], [persoon 2] en een onbekend gebleven man heb gevoerd.
Het klopt ook dat in mijn telefoon afbeeldingen en video-opnames zijn gevonden van gestolen voorwerpen. De politie heeft die foto’s en opnames tijdens de verhoren aan mij getoond.
Aanvulling bewijsmiddelen ten aanzien van feit 5:
Het door het Gerecht onder het kopje ‘in aanvulling daarop ten aanzien van feit 5’ onder 1 gebezigde bewijsmiddel op pagina 9 van het vonnis waarvan beroep zal worden aangevuld (aanvulling hieronder dikgedrukt weergegeven), zodat dit bewijsmiddel thans als volgt komt te luiden:
1. Een proces-verbaal van aangifte van 7 juli 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 159 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 juli 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van[benadeelde 3]:
Op 7 juli 2022 omstreeks 08.30 uur heb ik alle ramen en deuren gesloten en ben ik uit huis gegaan. Op 7 juli 2022 omstreeks 12:30 uur kwam ik thuis en zag dat er onbevoegden in mijn huis waren geweest. De achterdeur en het keukenraam stonden open. Onder het keukenraam lag een breekijzer.
Weggenomen goederen:
een telefoon merk [merk 1] model [model 1]
een telefoon merk [merk 2] model [model 2]
een horloge merk [merk 3]
een boormachine merk [merk 4]
boter di gas (gasfles)
bentana (raam) – vernield
alcohol, fles [merk 5].
Dictum
Het Hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
bevestigt het vonnis van het Gerecht met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.V.L.M. Wannyn, W.J. Geurts-de Veld, en
R.L.M. van Opstal, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, (zittings)griffier, en is uitgesproken op 13 juli 2023 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2023, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.