Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-12-12
ECLI:NL:OGHACMB:2023:285
Civiel recht
Hoger beroep
1,277 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: CUR202101154 – CUR2022H00075
Uitspraak: 12 december 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
procederende in persoon,
tegen
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geїntimeerde,
gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Partijen worden hierna RBC en [appellant] genoemd.
1Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 13 april 2022 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 maart 2022 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op dezelfde datum ingekomen als “verlies verzoek” aangeduid stuk, met producties, heeft [appellant] zijn hoger beroep toegelicht.
1.3
Bij op 28 september 2022 ingekomen memorie van antwoord heeft RBC de stellingen van [appellant] bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van het hoger beroep.
1.4
Op de daarvoor nader bepaalde dag heeft de gemachtigde van RBC pleitnotities ingediend.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
Het Hof zal uitgaan van de door het Gerecht in zijn vonnis van 4 oktober 2021 in rechtsoverweging 3 tot en met 13 vastgestelde feiten. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden en het Hof heeft er ambtshalve geen bedenkingen bij.
2.2
In dit geding vordert RBC, na vermindering van eis in eerste aanleg, betaling van NAf 319.960,84, vermeerderd met de overeengekomen rente van 7,5% vanaf 1 november 2021 tot de dag der algehele voldoening, en buitengerechtelijke incassokosten van 15%. Zij spreekt [appellant] voor de hoofdsom aan uit hoofde van diens borgstelling, en baseert de rente op de “commitment letter” die RBC en Vega zijn overeengekomen op 20 augustus 2015, en de incassokosten op artikel 17 van haar algemene voorwaarden.
2.3
Het Gerecht heeft bij tussenvonnis van 4 oktober 2021 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating bij akte zijdens RBC over de hoogte en de onderbouwing van de door haar gepretendeerde vordering. Bij eindvonnis van 7 maart 2022 heeft het Gerecht de verminderde eis toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijk incassokosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
2.4
In hoger beroep heeft [appellant] zijn visie op de zaak naar voren gebracht. Het Hof vindt daarin evenwel geen aanleiding voor een ander oordeel dan de eerste rechter. De vordering van RBC op zich was (al) niet betwist door [appellant]. De hoogte van de vordering -–zoals door RBC gespecificeerd bij akte uitlating – is nadien door [appellant] ook niet (meer) betwist, ook niet in hoger beroep. Daarom is de vordering van RBC – zoals bij voornoemde akte gewijzigd – terecht toegewezen.
2.5
In hoger beroep schetst [appellant] hoe en waarom hij betalingsachterstand heeft opgelopen. Dat leidt evenmin tot een ander oordeel. Voor zover [appellant] in hoger beroep heeft willen betogen dat RBC gehouden was de aan Vega verleende kredietfaciliteiten te verlengen, wordt dat betoog verworpen, omdat hij onvoldoende feiten heeft gesteld om dat te kunnen aannemen. Hetzelfde geldt voor het eventuele betoog van [appellant] dat RBC nalatig is geweest bij de gang van zaken rond de veiling die niet tot een (afgedwongen) levering heeft geleid. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van RBC gevallen en tot op heden begroot op NAf 362,50aan verschotten en NAf 11.000,-aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin, en M.A. Loth, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 12 december 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.