Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-12-05
ECLI:NL:OGHACMB:2023:237
Civiel recht
Hoger beroep
2,617 tokens
Inleiding
BURGERLIJKE ZAKEN 2023
Registratienr.: EUX2021H00004
Uitspraak: 5 december 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking:
in de zaak van :
[verzoeker],
wonend in Sint Eustatius,
verzoeker tot vaststelling van het Nederlanderschap,
procederend in persoon,
belanghebbenden:
1. het Openbaar Ministerie BES, hierna: OM BES,
2. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid, hierna: IND,
3. het Openbaar Lichaam Sint Eustatius Caribisch Nederland, Publiekszaken en Ondersteuning.
Procesverloop
1.1.
Bij op 14 december 2021 ingekomen verzoekschrift, met producties, heeft verzoeker, vertegenwoordigd door zijn vader [naam] en bijgestaan door het Openbaar Lichaam Sint Eustatius, vaststelling van zijn Nederlanderschap verzocht ingevolge artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
1.2.
Bij e-mail van 11 oktober 2023, met producties, heeft het OM BES het standpunt van de IND weergegeven en geconcludeerd dat het Bestuurscollege wordt geadviseerd het verzoek in te trekken. Het Hof vat deze conclusie op als tot afwijzing van het verzoek.
1.3.
Bij e-mail van 13 oktober 2023 heeft een medewerker van het Openbaar Lichaam Sint Eustatius namens verzoeker gerepliceerd.
1.4.
Bij e-mail van 17 oktober 2023 heeft het OM BES gedupliceerd.
1.5.
Op 17 november 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Courthouse van Sint Eustatius. Verschenen zijn verzoeker (die inmiddels meerderjarig is geworden), zijn ouders en voor het Openbaar Lichaam Sint Eustatius [naam 1] en [naam 2] die namens verzoeker juridische argumenten naar voren hebben gebracht.
1.6.
Beschikking is bepaald op heden.
Beoordeling
2.1.
Het Hof gaat uit van de volgende feiten:
a. Verzoeker is op 16 oktober 2005 in Sint Eustatius geboren uit een Dominicaanse moeder.
b. Hij is bij de geboorteaangifte op 20 oktober 2005 erkend door de Nederlander [naam].
c. Op dat moment luidde de RWN aldus dat een kind van een niet-Nederlandse moeder dat na zijn geboorte (postnataal) door een Nederlander is erkend als vreemdeling is geboren, anders dan wanneer het reeds voor zijn geboorte (prenataal) zou zijn erkend.
d. De rechtsvoorganger van het Openbaar Lichaam Sint Eustatius heeft in 2005 niet onderkend dat verzoeker niet door de erkenning Nederlander werd. In de Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba (PIVA) is de Nederlandse nationaliteit opgenomen.
e. Bij een kwaliteitscontrole in PIVA is (kennelijk in 2021) de fout ontdekt. Verzoeker wordt daarom in het systeem niet langer als Nederlander aangemerkt.
2.2.
Indien in 2005 een DNA-test was overgelegd waaruit bleek dat de erkenner de biologische vader was van verzoeker, zou het Hof, mede tegen de achtergrond van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten IVBPR, deze postnatale erkenning, gecombineerd met gerechtelijk bewijs van het verwekkerschap, gelijk hebben gesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als bedoeld in artikel 4 RWN. Het Hof zou dan hebben vastgesteld dat verzoeker Nederlander werd met ingang van de in artikel 4 RWN bedoelde datum. Zie de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1624, in een Arubaanse zaak. Ter zitting is door de moeder van verzoeker daaraan nog toegevoegd dat, had zij geweten dat verzoeker geen Nederlander was, zij bij het door haar gedane (en ingewilligde) naturalisatieverzoek een verzoek om medeverlening als bedoeld in artikel 10 lid 1 RWN zou hebben kunnen doen ten behoeve van verzoeker.
2.3.
Echter, doordat niet onderkend was dat verzoeker geen Nederlander was, zijn deze mogelijkheden niet benut.
2.4.
Verzoeker legt aan het verzoek tot vaststelling van zijn Nederlanderschap drie stellingen ten grondslag:
A. Het is onbillijk en onrechtvaardig dat verzoeker – die geen enkele schuld heeft aan de ongelukkige gang van zaken – niet langer geldt als Nederlander.
B. Verzoeker heeft bezit van staat als kind van zijn vader.
C. De twaalf jaar genoemd in artikel 14 lid 1, tweede zin, RWN zijn verlopen.
2.5.
Het Hof heeft begrip voor het onbehagen van (veelal inmiddels meerderjarige) kinderen die in een kafkaëske nationaliteitsrechtelijke situatie zijn beland doordat zij plotseling niet meer als Nederlanders gelden. Het Hof heeft ter zake drie maal een prejudicieële vraag gesteld aan de Hoge Raad. In de Hofbeschikking van 4 mei 2021, waarin de derde prejudiciële vraag werd gesteld, overwoog het Hof:
2.14
Naar de indruk van het Hof gaat het hier om een typisch Caribisch probleem in het Koninkrijk. In het verleden vroegen kennelijk de Caribische ambtenaren van de burgerlijke stand en het bevolkingsregister/de basisadministratie persoonsgegevens in het algemeen niet om overlegging van buitenlandse geboorteaktes; deze waren in de 20e eeuw ook moeilijker verkrijgbaar dan thans. Op enig moment is men – al dan niet onder Nederlandse druk (PIVA-project: het programma voor de vernieuwing van de persoonsinformatievoorziening binnen het openbaar bestuur van de Nederlandse Antillen en Aruba) – de ‘puntjes op de i’ gaan zetten en wordt bij aanvragen van een paspoort of verlenging daarvan alsnog verlangd dat de buitenlandse geboorteakte wordt overgelegd. Klopt er iets niet, dan wordt een (nieuw) paspoort geweigerd, wordt de inschrijving van de Nederlandse nationaliteit doorgehaald en de ingeschreven geslachtsnaam gewijzigd.
2.15
Voor de inmiddels volwassen kinderen – die in de regel te goeder trouw zijn (in tegenstelling tot hun moeder of ouders) – is dit een donderslag bij heldere hemel. Zij hebben het gevoel dat hun bestaanszekerheid hun wordt ontnomen. Zie de verklaring die in de thans gelijktijdig aan de Hoge Raad voorgelegde zaak-X. door verzoekster – die werkt bij de Kustwacht – ter zitting is overgelegd; in tranen was zij niet in staat deze voor te lezen. Al vele jaren heeft het Hof te maken met ter zitting door emoties overmande verzoekers, veelal eerzame burgers die op een der Caribische eilanden van het Koninkrijk carrière hebben gemaakt.
2.16
Het Hof wil daarom erop aandringen dat de Hoge Raad ten behoeve van deze inmiddels meerderjarige kinderen, die geen schuld dragen, een ongeschreven regel formuleert, inhoudende dat op enig moment nadat de Nederlandse nationaliteit is ingeschreven in bevolkingsregister/basisadministratie persoonsgegevens deze niet langer mag worden betwist door de met de uitvoering van de RWN belaste autoriteiten (die ook nog veelal in het verleden een steekje hebben laten vallen).
2.6.
De Hoge Raad is echter onvermurwbaar gebleven (ECLI:NL:HR:2018:59, ECLI:NL:HR:2019:2036 en ECLI:NL:HR:2022:331/332).
2.7.
Ad argument A (algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Dit argument is door de Hoge Raad verworpen. Er is bij de toepassing van de RWN geen plaats voor enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331 is daartoe overwogen:
De wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen, zijn limitatief opgenomen in de RWN en de voor Nederland geldende verdragen. Onder die wijzen van verkrijging is niet begrepen de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.[noot 2: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.12.2] Hetzelfde gold onder de vóór 1 januari 1985 geldende Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap (hierna: WNI).
Voor de beantwoording van de vraag of een persoon Nederlander is, kan het noodzakelijk zijn onderzoek te doen naar het verleden teneinde te kunnen beoordelen of hij het Nederlanderschap van rechtswege heeft verkregen. Dit geldt zowel onder de RWN als onder de WNI. Noch de RWN noch de WNI kent een begrenzing in de tijd voor het betwisten door de autoriteiten van de nationaliteit en het onderzoek naar de nationaliteitsgeschiedenis in het kader van de vaststelling van het Nederlanderschap.
2.8.
Ad argument B (bezit van staat). Het gaat hier om artikel 1:209 BW BES, luidende:
Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.
2.9.
Onderscheiden moeten worden: de staat volgens de wet (a), de staat volgens de geboorteakte (b) en bezit van staat (c). Er is sprake van bezit van staat indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.
2.10.
Artikel 1:209 BW BES (dat wil zeggen de onmogelijkheid van afstammingsbetwisting door een derde) betreft alleen het geval dat de staat volgens de geboorteakte afwijkt van de staat volgens de wet maar wel overeenstemt met het bezit van staat. Zie HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084 en HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0291 (artikel 81 RO) jo ECLI:NL:PHR:2013:BZ0291.
2.11.
In casu komt verzoekers staat volgens de wet (hij is kind van zijn vader [naam]) overeen met zijn staat volgens de geboorteakte.
Dictum
Het Hof wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, M.J. de Kort en P.E. de Kort, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Eustatius op 5 december 2023 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.