Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-01
ECLI:NL:OGHACMB:2023:207
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,687 tokens
Inleiding
SXM2023H00050
Datum uitspraak: 1 november 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 20 maart 2023 in zaak nr. SXM202101295 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 23 oktober 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinshereniging, afgewezen.
Bij beschikking van 27 augustus 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft het Gerecht het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift in gediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting in Curaçao via een videoverbinding met Sint Maarten behandeld op 2 oktober 2023. [appellant], vertegenwoordigd door E.I. Maduro, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is op [geboortedatum] 1988 geboren in de Dominicaanse Republiek en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Op 4 augustus 2016 is hij in de Dominicaanse Republiek gehuwd met [echtgenote], geboren op [geboortedatum] 1981 in de Dominicaanse Republiek en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op grond daarvan is aan [appellant] een eerste vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) verleend met als doel gezinshereniging/gezinsvorming. Deze vttv was geldig tot 6 februari 2020.
1.1.
Op 27 januari 2020 heeft [appellant] de minister verzocht zijn vttv te verlengen. Dat verzoek heeft de minister afgewezen omdat hij niet heeft aangetoond dat hij of zijn echtgenote over voldoende middelen van bestaan beschikt (hierna: middelenvereiste). Daarnaast is het verzoek afgewezen om redenen van openbare orde omdat er een vermoeden van een schijnhuwelijk is. Het daartegen op 22 februari 2021 gemaakte bezwaar heeft de minister bij de bestreden beschikking zonder het houden van een hoorzitting kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan is opnieuw ten grondslag gelegd dat niet aan het middelenvereiste wordt voldaan. Verder is aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met de voorwaarde van zijn vttv "inwonend bij echtgenoot" heeft gehandeld. Hij heeft namelijk op 30 juli 2020 verklaard dat zijn echtgenote sinds september 2019 in de Dominicaanse Republiek verblijft, hij niet weet wanneer zij terugkomt en hij momenteel bij zijn moeder verblijft. Op grond van het beleid is sprake van verbreken huwelijk omdat de echtgenote langer dan zes maanden in het buitenland verbleef. Er is zeker geen sprake van samenwonen. Het verzoek wordt afgewezen op grond van de openbare orde of het algemeen belang omdat van samenwonen geen sprake is (paragraaf 4.3.4 van de richtlijnen) en het huwelijk verbroken is (paragraaf 4.6 van de richtlijnen), en omdat niet is aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan, aldus de bestreden beschikking.
Aangevallen uitspraak
2. Het Gerecht heeft de behandeling van het beroep ter zitting van 19 september 2022 en 16 januari 2023 aangehouden om [appellant] in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat zijn echtgenote op Sint Maarten woont. Ter zitting van 13 februari 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] onvoldoende kunnen onderbouwen dat dat inderdaad het geval is. De kopieën van het paspoort bieden geen houvast omdat deze onvolledig zijn en daaruit alleen blijkt dat [echtgenote] op 14 augustus 2022 weg is gegaan uit Sint Maarten. Van terugkeer blijkt niet. Voorts zijn de salarisstroken niet voldoende omdat deze zien op een periode nadat [echtgenote] uit Sint Maarten is vertrokken, hetgeen doet twijfelen aan de authenticiteit daarvan. De minister is terecht tot de conclusie gekomen dat van samenwoning geen sprake is, aldus de aangevallen uitspraak.
Hoger beroep
3. [ [appellant] voert aan dat het Gerecht niet heeft onderkend dat Nederlanders bij hun in- en uitreis niet altijd een stempel in hun paspoort krijgen. Uit het paspoort van [echtgenote] valt af te leiden dat zij van 16 september 2019 tot 23 november 2020 in de Dominicaanse Republiek verbleef. In augustus 2022 was zij laatstelijk voor tien dagen in de Dominicaanse Republiek. [appellant] heeft ter onderbouwing hiervan meerdere kopieën van het paspoort van [echtgenote] overgelegd en salarisstroken. Daarmee staat volgens hem vast dat zijn echtgenote op Sint Maarten woont zodat van een verbreking van de relatie geen sprake is. Zij wonen samen op het adres [adres], zoals ook op het aanvraagformulier voor de vttv is vermeld. [appellant] heeft nooit gezegd dat hij ergens anders woont. Hij heeft alleen gezegd dat hij de meeste tijd bij zijn moeder doorbracht tijdens het verblijf van zijn echtgenote in het buitenland. Die verklaring is geheel uit de context gehaald. Over het middelenvereiste voert hij aan dat moet worden aangenomen dat daaraan wordt voldaan omdat zowel hij als zijn echtgenote werkt.
3.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd (a) met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen, of (b) indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.Voor de toepassing van de Ltu hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de richtlijnen). Paragraaf 4.3 gaat over de vereisten voor toelating echtgenoot. Daarin is onder meer bepaald:
"De algemene vereisten zijn uiteengezet in Hoofdstuk 3, o.a. de normbedragen terzake voldoende financiële middelen. Overige vereisten zijn:
-geldigheid van het huwelijk;
-samenwonen.
[…]
4.3.4
Samenwonen
Echtgenoten dienen feitelijk samen te wonen, bijvoorbeeld door het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en op hetzelfde adres in de persoonsadministratie te zijn ingeschreven. Dit adres dient ook naar buiten toe als eenzelfde adres gevoerd te worden.
Ontbreken van feitelijk samenwonen is een grond voor intrekking of afwijzing van de vergunning, in het kader van de openbare orde (art. 9 Ltu).
[…]"
Paragraaf 4.6 gaat over verbreking van het huwelijk. Daarin is onder meer bepaald:
"Bij verbreken van het huwelijk dient beoordeeld te worden of de vreemdeling voor voortgezet verblijf in aanmerking komt. Verbreken van het huwelijk doet zich voor indien:
a. het huwelijk op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk is verbroken of juridisch ontbonden is (bijvoorbeeld echtscheiding of overlijden), of;
b. degene, bij wie verblijf was toegestaan, zich vrijwillig in het buitenland gevestigd heeft (na onafgebroken verblijf aldaar van 6 maanden). Zie paragraaf 3.12.2, of;
c. de toelating van degene, bij wie toelating is aangevraagd, beëindigd is.
3.2.
Het Hof stelt op basis van de dossierstukken vast dat, de echtgenote van [appellant] van 16 september 2019 tot 23 november 2020 onafgebroken in de Dominicaanse Republiek verbleef. Op 23 november 2020 is zij teruggereisd naar Sint Maarten, waar zij begin 2021 een werkkring heeft gevonden. Vervolgens vertrok zij op 14 augustus 2022 opnieuw naar de Dominicaanse Republiek, echter voor korte tijd, aangezien zij op 24 augustus 2022 weer terugkeerde naar Sint Maarten. Deze reisdata zijn tussen partijen niet in geschil. Gelet hierop heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de aanwezigheid van de echtgenote van [appellant] op Sint Maarten onvoldoende vaststaat. Daaraan heeft het Gerecht dan ook niet de conclusie kunnen verbinden dat van samenwoning tussen [appellant] en zijn echtgenote geen sprake is. Het betoog slaagt.
3.3.
Het voorgaande betekent echter niet dat de minister het verzoek van [appellant] niet heeft mogen afwijzen. Aan die afwijzing is immers ook ten grondslag gelegd dat op grond van de richtlijnen sprake is van een verbreking van het huwelijk van [appellant] en zijn echtgenote. Daargelaten de vraag of zij feitelijk samenwonen op het adres [adres], staat vast dat de echtgenote van [appellant] ten tijde van het verzoek om verlenging reeds 4,5 maand in het buitenland verbleef. Na een totale en onafgebroken verblijfsperiode van ruim 14 maanden in het buitenland is zij op 23 november 2020 weer teruggekeerd naar Sint Maarten. Dat het ging om een onvrijwillig verblijf in het buitenland als gevolg van de coronapandemie is niet aannemelijk omdat zij reeds in september 2019 is vertrokken. Bovendien verbleef zij al zes maanden in het buitenland toen het vliegveld van Sint Maarten vanaf 17 maart 2020 sloot als gevolg van de coronapandemie.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023.