Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-10-18
ECLI:NL:OGHACMB:2023:189
Civiel recht
Hoger beroep
2,433 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2023 Vonnis no.:
Registratienummers: SXM201600345 - SXM2017H00061
Uitspraak: 18 oktober 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap TESI N.V.
2. de naamloze vennootschap
CARIBBEAN BEACH RESORT DEVELOPMENT N.V.,
3. de naamloze vennootschap PORT DE PLAISANCE MEDICAL CENTER N.V.,
4. de naamloze vennootschap
PORT DE PLAISANCE HOTEL MANAGEMENT N.V.,
alle gevestigd in Sint Maarten,
hierna gezamenlijk te noemen: Tesi c.s.,
oorspronkelijk eiseressen, thans appellanten,
gemachtigde: voorheen mr. W.J. Nelissen, thans mr. M.O. Kortenoever,
met als gevoegde partij:
[naam],
wonende in Sint Maarten,
hierna te noemen: [naam],
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,
tegen
de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,
zetelend in Sint Maarten,
hierna te noemen: het Land,
oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en A.A. Kraaijeveld.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst naar zijn eerdere vonnissen van 28 juli 2020 en 2 september 2022.
1.2.
Op 28 oktober 2022 hebben Tesi c.s., [naam] en het Land elk een akte genomen.
1.3.
Op 10 maart 2023 hebben Tesi c.s., [naam] en het Land elk een antwoordakte genomen.
1.4.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
Het Hof gaat uit van de feiten die onder 3.1-3.13 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld. Weliswaar is grief 1 van Tesi c.s. tegen de feitenvaststelling gericht, maar Tesi c.s. hebben onvoldoende gespecificeerd en geconcretiseerd welke van de door het Gerecht vastgestelde feiten zij in hoger beroep betwisten. Voor zover het Gerecht onbetwiste stellingen van Tesi c.s. onvermeld heeft gelaten, betreft het stellingen die in hoger beroep niet tot een andere beslissing over de vorderingen leiden dan het Hof hierna zal geven. Het Hof verenigt zich ook met de wijze waarop het Gerecht onder 2 van het bestreden vonnis de zaak heeft omschreven.
2.2.
Zeer kort samengevat gaat het om het volgende. Bij besluit van 18 november 2015 heeft [naam] in zijn toenmalige hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI van Sint Maarten besloten bepaalde percelen grond in Sint Maarten in erfpacht uit te geven aan Tesi c.s., in het kader van een grondruil waarmee hij had ingestemd. Bij brief van 16 december 2015 heeft de opvolgend minister zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 18 november 2015 van zijn ambtsvoorganger [naam] nietig is. De (civielrechtelijke) uitgifte in erfpacht is niet tot stand gekomen bij gebrek aan medewerking van het Land.
2.3
Tesi c.s. hebben, verkort weergegeven, op grond van nakoming gevorderd dat het Land alsnog meewerkt aan de uitgifte in erfpacht. Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen op grond van zijn oordeel dat de opvolgend minister terecht de nietigheid van de grondruil heeft ingeroepen.
2.4
In het hoger beroep van Tesi c.s. heeft het Hof bij tussenvonnis van 28 juli 2020 [naam] toegelaten zich te voegen aan de zijde van Tesi c.s. Bij tussenvonnis van 2 september 2022 heeft het Hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over twee kwesties, in verband met het verweer van het Land dat [naam] niet bevoegd was de grondruil aan te gaan.
Kwestie I (ruiling)
2.5.
De LANDSVERORDENING op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten luidt, voor zover hier van belang:
HOOFDSTUK I
Uitgifte in erfpacht
Artikel 1
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur, hierna te noemen: de minister, is bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 2
De uitgifte van grond in erfpacht geschiedt:
a.
onder de algemene voorwaarden vervat in de artikelen 5 tot en met 25 en de bijzondere voorwaarden door de minister in elk afzonderlijk geval te stellen;
b.
tegen een canon, bedragende 8% per jaar van de door de minister vastgestelde grondwaarde;
c.
voor een tijdvak van niet langer dan 60 jaren;
d.
bij notariële akte.
(…)
HOOFDSTUK III
Vervreemding
Artikel 27
1.Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel wordt bij landsverordening besloten tot het vervreemden van gebouwde en ongebouwde eigendommen van Sint Maarten, voor zover de minister daartoe niet is gemachtigd.
2.De minister is bevoegd tot verkoop van gronden voor zover het percelen betreft, die geen zelfstandig bouwperceel vormen en een oppervlakte van 500 m² niet te boven gaan, noch ook met andere door landsorganen verkochte percelen een zelfstandig bouwperceel vormen of een oppervlakte van 500 m² te boven gaan.
3.Vervreemding van gronden door middel van ruiling kan geschieden bij besluit van de minister, indien de waardeverhouding van de te ruilen gronden als gelijkwaardig kan worden aangemerkt en de leggerwaarde van de te vervreemden gronden niet meer dan NAf 3.000,- bedraagt.
2.6.
Ruil of ruiling (dit is de term uit het oud BW) is een wederkerige overeenkomst. Artikel 6:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt:
Artikel 261
1. Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt.
2. De bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet verzet.
2.7.
In het onderhavige geval verplichtte het Land zich tot vestiging van erfpacht ten behoeve van Tesi op een aan het Land in eigendom behorend stuk grond en verplichtte Tesi zich daartegenover eigendom van een stuk grond, dat haar toebehoorde, over te dragen aan het Land.
2.8.
De prestaties waartoe de partijen zich over en weer jegens elkaar verbinden, zijn van elkaar afhankelijk gesteld. Tesi c.s. en [naam] beschouwen in hun akten en antwoordakten de verplichting van het Land tot erfpachtuitgifte ten onrechte geïsoleerd. Er was geen sprake van een reguliere erfpachtuitgifte als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten (‘de minister, is bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van dit hoofdstuk’), maar van erfpachtuitgifte ter nakoming van een ruiling als bedoeld in artikel 27 lid 3 van deze landsverordening.
2.9.
Het begrip ‘ruiling’ in artikel 27 lid 3 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten heeft dezelfde betekenis als ‘ruil’ in het huidige artikel 7:49 BW. De artikelen 7:49 en 7:50 BW luiden:
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt.
2.10.
Voorts bepaalt de koopbepaling artikel 7:47 BW:
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht betrekking hebben. In dat geval zijn de vorige afdelingen van toepassing, voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht.
2.11.
De toepasselijkheidsverklaring in artikel 7:47 BW ziet volgens de tekst slechts op de voorafgaande artikelen van Titel 7.1 BW, en daarmee niet op Afdeling 7.1.12 BW (Ruil). Op een ruilovereenkomst waarbij een vermogensrecht (zoals een erfpachtsrecht) is betrokken zijn de koopbepalingen evenzeer – nu via een dubbele analogie – toepasselijk, voor zover dat althans in overeenstemming is met de aard van het in ruil gegeven recht. De in artikel 7:47 BW vervatte begrenzing brengt strikt genomen mee dat bij een dergelijke ruilovereenkomst twee typen analogie aan de orde zijn: een wettelijke voor het ruilaspect (artikel 7:50 BW), gecombineerd met een rechterlijke voor het niet-zaak-aspect.
2.12. ‘
‘Vervreemding’ en ‘vervreemden’ in het opschrift van Hoofdstuk III en in artikel 27 leden 1 en 3 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten omvatten, behalve de overdracht van een goed, onder meer de vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed (vergelijk artikel 3:98 BW). ‘Vervreemding van grond door middel van ruiling’ als bedoeld in artikel 27 lid 3 kan dus geschieden door de vestiging van erfpacht (zijnde een vermogensrecht).