Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-08-29
ECLI:NL:OGHACMB:2023:156
Civiel recht
Hoger beroep
3,596 tokens
Inleiding
BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2023
UITSPRAAK: 29 augustus 2023
ZAAKNR: CUR202200096 – CUR2022H00287
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Curaçao, thans verblijvend in Suriname,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,
gemachtigden: mrs. N.F.C. Themen-Cairo en G.C.A. Scheperboer-Parris,
-tegen-
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als [Appellant] en [Geïntimeerde].
1Het verloop van de procedure
1.1
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 17 oktober 2022.
1.2 [
Appellant] is in hoger beroep gekomen van dat vonnis door indiening op 18 oktober 2022 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het Gerecht. Bij op 18 oktober 2022 en 10 november 2022 ter griffie ingediende geschriften, door het Hof aangemerkt als memorie(s) van grieven (hierna te noemen MvG1 en MvG2), heeft hij klachten aangevoerd, deze toegelicht en – naar het Hof begrijpt – geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van [Geïntimeerde] alsnog zal afwijzen.
1.3 [
Geïntimeerde] heeft op 15 december 2022 een memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel ingediend en heeft op 27 december 2022 een aanvullende memorie van antwoord ingediend. Daarbij heeft zij de grieven bestreden, incidenteel appel ingesteld, een grief in het incidenteel appel aangevoerd en deze toegelicht, en haar eis vermeerderd. [Geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het Hof zal beslissen als volgt (letterlijk):
Op voornoemde gronden het door [Appellant] ingesteld hoger beroep ongegrond te verklaren, voorts het op 17 oktober 2022 door het GEA te Curaçao gewezen vonnis, onder registratie nr. CUR202200096, tussen [Geïntimeerde] als eiseres in conventie en [Appellant] als gedaagde in conventie te bevestigen en opnieuw rechtdoende, nogmaals [Appellant] niet ontvankelijk te verklaren in de door hem ingestelde vordering, althans hem die te ontzeggen, zulks met veroordeling van [Appellant] in de kosten van het geding in beide instanties;
Het bedrag van fl 250 welke [Geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep heeft ingesteld van voornoemde vonnis n.a.v. de beslissing van 4.8 jo. 4.12 van het Gerecht, ontvankelijk te verklaren en toe te kennen aan [Geïntimeerde] bij voorraad uitvoerbaar;
Vermeerdering van eis van [Geïntimeerde] zijnde de schadevergoeding Nafl 7.543,- welke te wijten is door het onrechtmatig handelen van [Appellant] op grond van eigengebruik en weerspannigheid tot afgifte van de goederen aan [Geïntimeerde], ontvankelijk te verklaren en toe te kennen aan [Geïntimeerde] met inachtneming van de wettelijke kosten vanaf 12 december 2021 bij voorraad uitvoerbaar. Tevens veroordeling van afgifte van studiemateriaal en andere verknochte goederen aan [Geïntimeerde] bij voorraad uitvoerbaar (welke is aangegeven met een kruisje in de lijst van politieaangifte);
Vermeerdering van eis zijdens [Geïntimeerde] voor het bedrag van nafl. 5.685,05 door nagekomen kosten van betaling voor bouwwerkzaamheden ten titel van dezelfde geldovereenkomst in dezelfde periode tussen partijen bij voorraad uitvoerbaar.
1.4 [
Appellant] heeft geen memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend.
1.5
Op de zitting van 4 juli 2023 heeft mondeling pleidooi plaatsgevonden, aansluitend aan de mondelinge behandeling in de samenhangende EJ-zaak tussen partijen (CUR2022H00035). [Appellant] is niet in persoon verschenen, maar bij zijn gemachtigden. [Geïntimeerde] is in persoon verschenen. Partijen hebben gepleit en er zijn vragen van het Hof beantwoord.
1.6
Uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
2.1
Gelet op de zich bij de stukken bevindende “Kaart recht gevende op kosteloze rechtskundige bijstand” van 2 maart 2023, zal [Appellant] toelating worden verleend om kosteloos te procederen.
2.2
Het Hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten, die door het Gerecht zijn vastgesteld (zie rov. 2.a tot en met 2.e van het bestreden vonnis).
2.2.1
Partijen zijn gehuwd geweest van 19 juni 2019 tot 13 oktober 2021, op huwelijkse voorwaarden inhoudend algehele uitsluiting van huwelijksgoederengemeenschap.
2.2.2 [
Appellant] heeft in maart 2019 een onroerende zaak aan de Pastoor Blommerdeweg 14 in Curaçao (hierna: de woning) gekocht.
2.2.3
Gedurende het huwelijk heeft [Geïntimeerde] (een deel van de) kosten voor de renovatie en verbouwing van de woning betaald. Daarvan heeft [Appellant] een bedrag van in totaal NAf 39.148,05 terugbetaald.
2.2.4 [
Geïntimeerde] heeft op 23 december 2021, na verkregen verlof, ter verzekering van een vordering van NAf 40.263,04 conservatoir beslag doen leggen op de woning.
2.2.5
Op 4 januari 2022 heeft [Geïntimeerde] aangifte gedaan tegen [Appellant] in verband met verduistering van en schade aan huisraad en persoonlijke goederen.
2.3
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering van [Geïntimeerde] (van in totaal NAf 30.971,57) uit hoofde van voorgeschoten, niet-terugbetaalde gelden die zijn geïnvesteerd in de woning, toegewezen tot een bedrag van NAf 30.721,57 en voor het overige afgewezen (ter zake van NAf 250,- voor huur van een grote sushibak). Tegen de toewijzing keert zich het principaal appel en tegen de afwijzing keert zich het incidenteel appel. Bij het tweede gedeelte van de eisvermeerdering (hierna: eisvermeerdering nagekomen kosten) vordert [Geïntimeerde] op dezelfde grondslag terugbetaling van nadien gebleken uitgaven.
2.4
Verder heeft het Gerecht de (primaire) vordering van [Geïntimeerde] tot teruggave van haar huisraad (bestaande uit de roerende zaken zoals opgenomen op de lijst in productie 11 inleidend verzoekschrift) toegewezen (met uitzondering van een bloembak). Het eerste gedeelte van de eisvermeerdering (hierna: eisvermeerdering huisraad) heeft hierop betrekking. [Geïntimeerde] stelt namelijk dat de huisraad nooit is teruggegeven en wenst nu, zoals reeds (subsidiair) was gevorderd, NAf 7.543,- aan schadevergoeding in plaats daarvan.
Principaal appel
2.5
In hoger beroep heeft [Appellant] een overeenkomst gedateerd 18 juni 2019 in het geding gebracht (ongenummerde prod. bij MvG1) en een verweer gevoerd dat door [Geïntimeerde] en het Hof als volgt wordt begrepen. Het houdt in een beroep op de in de overeenkomst vermelde verrekening van NAf 20.000,- aan door [Geïntimeerde] voorgeschoten materiaalkosten en arbeidsloon voor de renovatie van de woning met door [Geïntimeerde] aan [Appellant] te betalen huurbedragen ad NAf 1.000,- per maand voor een gedeelte van de woning in gebruik bij [Geïntimeerde]. [Geïntimeerde] erkent het bestaan van het eenzijdig door [Appellant] opgestelde document, maar acht zich daaraan niet gebonden. Allereerst brengt zij naar voren dat het betalen van huur tussen echtgenoten krachtens de wet nietig is. Verder acht [Geïntimeerde] zich niet gebonden omdat zij – eerst denkend dat het een grap was, vervolgens ontzet en boos dat [Appellant] zoiets aan de vooravond van hun huwelijk aan haar durfde voor te leggen – daarop “FUCK YOU” heeft geschreven, ondertekend heeft met iets anders dan haar normale, eigen handtekening en het verfrommeld heeft.
2.6
Het Hof overweegt als volgt. De overeenkomst verdraagt zich niet goed met art. 1:81 BW en 1:90 lid 2, laatste bijzin, BW, want uit de huwelijksverhouding vloeit in het algemeen voort dat echtgenoten elkaar woongenot verschaffen zonder daarvoor huur in rekening te brengen. Van een wettelijke nietigheid is echter geen sprake. Het BW bepaalt nergens dat zo’n overeenkomst, hoewel ongebruikelijk en slecht passend bij genoemde bepalingen, nietig is. Het tweede betoog van [Geïntimeerde] gaat wel op, vanwege het hiernavolgende.
2.7
Om te beoordelen of partijen een overeenkomst hebben gesloten, komt het volgens de toepasselijke maatstaf (de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW) aan op hetgeen partijen dienaangaande jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572). Deze maatstaf inachtgenomen is het Hof van oordeel dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dit omdat [Appellant] op grond van hoe [Geïntimeerde] zich tegenover hem heeft gedragen en hetgeen zij jegens hem heeft verklaard niet mocht afleiden dat zij de overeenkomst aanging. Ter toelichting dient het volgende. De aan het betoog van [Geïntimeerde] ten grondslag gestelde feiten staan vast. Door [Appellant] zijn deze deels erkend (het plaatsen van bovengenoemde twee woorden) en voor het overige niet betwist. Bovendien zijn de woorden en de kreukels zichtbaar op de door [Appellant] in het geding gebrachte kopie en ziet de handtekening daarop er duidelijk anders uit dan de onderling gelijkende handtekeningen van [Geïntimeerde] op de verschillende processtukken in deze procedure. Door daarop “FUCK YOU” te schrijven, te ondertekenen met een andere handtekening dan haar normale, eigen handtekening en het verfrommelen van het document heeft [Geïntimeerde] laten weten de overeenkomst niet te willen sluiten en dat heeft [Appellant] moeten begrijpen. Ook gezien artt. 1:81 en 1:90 lid 2, laatste bijzin, BW kon [Appellant] niet verwachten dat [Geïntimeerde] daarmee akkoord zou gaan.
2.8
Het Hof gaat dus ervan uit dat er geen tegenvordering is en verwerpt op die grond het beroep op verrekening van [Appellant]. In zoverre faalt het appel.
2.9
Verder beroept [Appellant] zich op een whatsapp-bericht van [Geïntimeerde] van 21
september 2021, waarin zij hem zegt dat hij nog een restant van (slechts) NAf 18.180,- verschuldigd is. Dit beroep wordt verworpen. De app, die ook reeds in eerste aanleg door [Geïntimeerde] en het geding was gebracht, dateert immers van ver voor het opmaken door [Geïntimeerde] van het Quickbooks-overzicht (12 december 2021) en [Geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat zij op een bepaald moment alle in haar bezit zijnde bonnen van de door haar gemaakte kosten in het Quickbooks-overzicht heeft verwerkt.
2.10
Ook klaagt [Appellant] dat het Gerecht is uitgegaan van het Quickbooks-overzicht van [Geïntimeerde] en niet van de handgeschreven lijst waarmee hij akkoord is gegaan en hij stelt verder dat het Gerecht hem geen tot weinig ruimte heeft gelaten om zijn standpunt mondeling toe te lichten.
2.11
De klacht faalt. Allereerst overweegt het Hof dat het Gerecht terecht heeft vooropgesteld dat niet in geschil is dat [Appellant], in verband met door [Geïntimeerde] betaalde voorschotten, nog een bedrag aan haar verschuldigd is, zoals het Hof ook tot uitgangspunt neemt. Uit het bestreden vonnis blijkt voorts dat het Gerecht aan de hand van de handgeschreven lijst de door [Appellant] betwiste posten van het Quickbooks-overzicht op de zitting met beide partijen is langsgelopen. Daarbij heeft het Gerecht uitgebreid en minutieus bij al die posten stilgestaan, de stellingen en verweren van partijen onderzocht en is vervolgens zorgvuldig tot beslissingen per post gekomen. Het Hof verenigt zich met al die (deel)beslissingen en maakt deze tot de zijne.
Dictum
Het Hof:
verleent [Appellant] toelating om kosteloos te procederen;
vernietigt het bestreden vonnis voor zover de gevorderde NAf 250,- (voor sushibak Avelino) is afgewezen en voor zover [Appellant] tot een bedrag van NAf 6.265,02 in de proceskosten is veroordeeld;
bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [Appellant] voorts tot betaling aan [Geïntimeerde] van NAf 250,- (voor sushibak Avelino);
veroordeelt [Appellant] in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [Geïntimeerde], tot op heden begroot op NAf 274,17 aan betekeningskosten, NAf 750,- aan griffierecht en NAf 1490,85 aan beslagkosten;
veroordeelt [Appellant] tot betaling aan [Geïntimeerde] van NAf 7.543,- (wegens vervangende schadevergoeding voor niet-afgegeven huisraad);
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [Appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde], tot op heden begroot op NAf 322,93 aan betekeningskosten;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 29 augustus 2023 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.