Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-07-04
ECLI:NL:OGHACMB:2023:114
Civiel recht
Hoger beroep
2,583 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: AUA201903755 – AUA2021H00216
Uitspraak: 4 juli 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,
tegen
1[DE MOEDER],
2. [DE DOCHTER],
beiden wonende in Aruba,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. D.G. Illes.
Partijen worden hierna (ook) Boogaard, de moeder en de dochter genoemd.
De moeder en de dochter worden gezamenlijk [moeder en dochter] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 29 november 2021 ingekomen akte van appel is Boogaard in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 oktober 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op 7 januari 2022 ingekomen memorie van grieven heeft Boogaard grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [moeder en dochter] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij op 4 maart 2022 ingekomen memorie van antwoord hebben [moeder en dochter] het hoger beroep bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Boogaard in de proceskosten in beide instanties.
1.4
Op 23 augustus 2022 heeft de gemachtigde van Boogaard pleitnotities ingediend en heeft de gemachtigde van [moeder en dochter] daarvan afgezien.
1.5
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
Ingevolge art. 880 lid 2 Rv kunnen [moeder en dochter] in hoger beroep kosteloos procederen zonder dat daarvoor een beslissing van het Hof nodig is. Ter vermijding van misverstanden zal het Hof dat in een dictum opnemen.
2.2
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
2.2.1
Boogaard is gevolmachtigde van de verzekeringsmaatschappij Netherlands Antilles and Aruba Assurance Company (N.A.A.) N.V. (hierna: NAA).
2.2.2
Geïntimeerde 1 is de moeder van geïntimeerde 2.
2.2.3
Op 8 juli 2018 heeft de dochter als bestuurster van een auto (hierna: auto 1) een aanrijding met een andere auto veroorzaakt (hierna: auto 2). De dochter had geen rijbewijs. Auto 1 behoorde toe aan de moeder. Zij had deze auto voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij NAA. Het polisblad van deze verzekering is uitgereikt aan de moeder. Hierop staat onder meer:
Soort verzekering : Personenauto
(…)
Dekking
- WA
(…)
Voorwaarden
Polisvoorwaarden : Citizens MOT 001
Clausule(s) : (…)
De polisvoorwaarden Citizens MOT 001 die op het polisblad genoemd worden (hierna: de polisvoorwaarden), zijn samengesteld uit algemene verzekeringsvoorwaarden en bijzondere verzekeringsvoorwaarden. De bijzondere verzekeringsvoorwaarden bepalen onder meer:
4Uitsluitingen
In aansluiting op het terzake bepaalde in de Algemene Voorwaarden is tevens van de verzekering uitgesloten:
(…)
4.7
Schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig niet in het bezit is van een geldig of hoogstens 6 maanden verlopen, voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs alsmede schade terwijl de feitelijke bestuurder bij vonnis de rijbevoegdheid is ontnomen of ontzegd of hem door de daartoe bevoegde autoriteiten een rijverbod is opgelegd.
(…)
2.2.4
Auto 2 was met een casco-polis verzekerd bij Fatum General Insurance Aruba N.V. (hierna: Fatum). De schade aan auto 2 bedroeg Afl. 28.377,55. Fatum heeft dat bedrag uitgekeerd aan de verzekerde van de casco-polis. NAA heeft dat bedrag vergoed aan Fatum.
2.2.5
De bestuurster van auto 2 heeft letsel opgelopen. In verband daarmee heeft het Uitvoeringsorgaan Algemene Ziektekostenverzekering Afl. 15.561,51 uitgekeerd. Boogaard heeft dat bedrag vergoed aan het Uitvoeringsorgaan.
2.3
In deze rechtszaak heeft Boogaard, na vermeerdering van eis in eerste aanleg, betaling gevorderd van (Afl. 28.377,55 + Afl. 15.561,51 =) Afl. 43.939,06 in hoofdsom, met nevenvorderingen.
2.4
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen, verkort weergegeven op de grond dat de polisvoorwaarden niet aan de moeder ter hand zijn gesteld (onder 4.5.3) en de moeder niet wist van het bestaan van art. 4.7 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden (onder 4.6.2). Tegen deze afwijzing is het hoger beroep gericht.
2.5
De grondslag van de vordering van Boogaard is art. 10 lid 2 van de Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (AB 1999 no. GT 12, zoals gewijzigd, hierna: LAM). Hierin is bepaald dat de verzekeraar die ingevolge deze landsverordening de schade van een benadeelde vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal heeft op de aansprakelijke persoon.
2.6
Boogaard heeft aangevoerd dat [moeder en dochter] gebonden zijn aan een gerechtelijke erkentenis doordat zij bij conclusie van antwoord hebben aangevoerd te beseffen dat zij aansprakelijk te zijn. Het Hof verwerpt dit betoog. Hetgeen [moeder en dochter] onder 5 van de conclusie van antwoord hebben aangevoerd, komt erop neer dat de aansprakelijkheid is gedekt door de verzekering bij NAA. Indien dat juist is, is niet voldaan aan art. 10 lid 2 LAM. Blijkens hetgeen [moeder en dochter] in dat gedingstuk onder 6 hebben aangevoerd, geldt het onder 7 aangevoerde als een subsidiair betoog. Het standpunt dat zij aansprakelijk zijn, is dus een subsidiair standpunt. Het is ook geen ondubbelzinnig standpunt, want het kan ook zien op aansprakelijkheid jegens de bestuurder van auto 2 en niet op verhaal door NAA of Boogaard. Ook het aanbieden van een betalingsregeling behoeft niet zonder meer te duiden op het erkennen van aansprakelijkheid jegens degene aan wie die wordt aangeboden.
2.7
De dochter dient te worden aangemerkt als de aansprakelijke persoon in de zin van art. 10 lid 2 LAM. Op grond van art. 19 lid 2 van de Landsverordening wegverkeer (AB 1997 no. 18) is de moeder als eigenaresse van auto 1 aansprakelijk voor de gedragingen van de dochter, nu zij niet heeft betwist dat zij haar dochter met auto 1 heeft laten rijden.
2.8
Boogaard heeft geen grief gericht tegen de vaststelling van het Gerecht onder 4.3 dat de polisvoorwaarden niet aan de moeder (als verzekeringnemer) ter hand zijn gesteld. Het Hof gaat daarom ervan uit dat deze vaststelling juist is.
2.9
Art. 4.7 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden is zo wezenlijk voor de afbakening van de verzekerde risico’s dat het moet worden aangemerkt als een kernbeding. Het is daarom niet vernietigbaar als een beding uit algemene voorwaarden.
2.10
Nu art. 4.7 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden een kernbeding is, is art. 6:232 BW niet van toepassing en dient aan de hand van art. 3:33 en 3:35 BW te worden vastgesteld of de wilsovereenstemming van partijen zich mede uitstrekt tot dat beding. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. Ten eerste verwijst het polisblad naar de polisvoorwaarden. Ten tweede ligt het naar algemene ervaringsregels erg voor de hand dat er in geval van rijden zonder rijbewijs geen dekking is. Het is naar algemene ervaringsregels zo gebruikelijk dat dit wordt bedongen in polisvoorwaarden bij wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen, dat de moeder redelijkerwijs moest begrijpen dat het in dit geval ook zo was en NAA er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de moeder dit begreep. Hieraan doet niet af dat de polisvoorwaarden niet ter hand zijn gesteld. Het geldt ook als hierover geen uitleg is verschaft.
2.11
Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat NAA en Boogaard voor de bedragen van de uitgekeerde schadevergoedingen verhaal hebben op zowel de moeder als de dochter.
2.12
Betalingsonmacht staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Voor het overige is geen verweer gevoerd tegen de vordering.
2.13
Op grond van het voorgaande zal de vordering in hoofdsom alsnog worden toegewezen. De vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Uitsluitend is gebleken van herhaalde aanschrijvingen zonder dat dit tot enige vorm van overleg heeft geleid. Daarom kan niet worden aangenomen dat er daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De ingangsdatum van de wettelijke rente kan niet op de datum van het ongeval worden gesteld, omdat er toen nog geen uitkeringen waren verricht. Daarom zal het Hof als ingangsdata de data hanteren waarop de vorderingen zijn ingediend. Voor het onder 2.2.4 genoemde bedrag van Afl. 28.377,55 is dat 29 oktober 2019, toen het inleidende verzoekschrift werd ingediend en voor het onder 2.2.5 genoemde bedrag van Afl. 15.561,51 is dat 19 februari 2020, de datum waarop een akte tot vermeerdering van eis werd ingediend.
2.14
Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd.