Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2021-10-10
ECLI:NL:OGHACMB:2021:390
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,365 tokens
Inleiding
AUA2021H00092
Datum uitspraak: 10 november 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonend in Aruba (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 15 maart 2021 in zaak nr. AUA202001992, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Financiën, Economische Zaken en Cultuur (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 3 december 2018 heeft de minister het verzoek van thans wijlen [moeder appellant] om terug te komen van de beschikking van 26 augustus 1998 waarbij is geweigerd om haar een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen, afgewezen.
Bij beschikking van 23 juni 2020 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 maart 2021 heeft het Gerecht het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2021. [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Bij brief van 10 september 1997 heeft (thans wijlen) [moeder appellant] de minister verzocht om haar een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen. Dat verzoek heeft de minister bij beschikking van 26 augustus 1998 afgewezen. Bij brief van 3 september 2017 heeft zij de minister (opnieuw) verzocht om terug te komen van de afwijzende beschikking. Op 1 april 2018 is [moeder appellant] overleden. Bij beschikking van 3 december 2018 heeft de minister het verzoek afgewezen. Daartegen heeft [appellant] op 28 januari 2019 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de minister bij beschikking van 23 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verontschuldigbare overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het beroep van [appellant] tegen de beschikking van 23 juni 2020 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Hof overweegt, ambtshalve, het volgende. Het verzoek van 10 september 1997 is door [moeder appellant] gedaan als gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de LvAR). Dat betekent dat uitsluitend het Gerecht in ambtenarenzaken en, in hoger beroep, de Raad van Beroep in ambtenarenzaken bevoegd zijn. Gelet hierop acht het Hof het, met verwijzing naar zijn uitspraak van 18 mei 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:238, geraden om de uitspraak van het Gerecht aan te merken als te zijn gegeven met gebruikmaking van de aan de desbetreffende rechter in eerste aanleg verleende bevoegdheid om te oordelen als Gerecht in ambtenarenzaken. De Raad van Beroep in ambtenarenzaken is bij uitsluiting bevoegd om van het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep kennis te nemen. Het Hof zal zich daarom onbevoegd verklaren en het hogerberoepschrift ter behandeling doorzenden aan de Raad van Beroep in ambtenarenzaken.
Met het oog op de behandeling door de Raad van Beroep in ambtenarenzaken merkt het Hof nog het volgende op. In ambtenarenzaken kan, anders dan in zaken op grond van de Landsverordening administratieve rechtspraak, tegen een beschikking geen bezwaar worden gemaakt bij het bestuursorgaan dat de bestreden beschikking heeft genomen, maar moet rechtstreeks beroep worden ingesteld (in de LvAR aangeduid als: bezwaar) bij het Gerecht in ambtenarenzaken. Het ligt daarom in de rede dat de Raad van Beroep in ambtenarenzaken het bij de minister ingediende bezwaarschrift van 28 januari 2019 zal aanmerken als een bij het Gerecht in ambtenarenzaken ingediend beroepschrift (in de LvAR: bezwaarschrift) en vervolgens met toepassing van artikel 41 van de LvAR de ontvankelijkheid zal beoordelen.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. gelast dat het Land Aruba aan [appellant 1] en [appellant 2] het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van Afl. 100,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021.