Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2021-01-21
ECLI:NL:OGHACMB:2021:15
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,560 tokens
Inleiding
CUR2019H00027
Datum uitspraak: 21 januari 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Justitie (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 19 december 2018 in zaak nr. CUR201700309, in het geding tussen:
[verweerder]
en
de minister
Procesverloop
Bij beschikking van 7 april 2016 heeft de minister een verzoek van [verweerder] om aan hem een vergunning tot (voortgezet) tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging/gezinsvorming afgewezen.
Bij beschikking van 21 maart 2017 heeft de minister het door [verweerder] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:OGEAC:2018:306) heeft het Gerecht het door [verweerder] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat de minister een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar tegen de beschikking van 7 april 2016.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[Verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2020, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S.X.T. Hato en mr. M. Steward, advocaten, en [verweerder], vertegenwoordigd door mr. O.E. Kostrzewski, advocaat, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is in de uitoefening van dit recht geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen niemand in de Nederlandse Antillen (thans: Curaçao) toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.
[Verweerder] is op 12 oktober 1996 geboren in Suriname en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 23 november 2002 is hij, samen met zijn ouders en zijn oudere zus, in Curaçao aangekomen. Van 22 april 2010 tot 21 juli 2015 was hij in het bezit van een vergunning (onder voorwaarden) tot tijdelijk verblijf. Op 15 juli 2015 heeft [verweerder] de minister verzocht om aan hem een vergunning tot (voortgezet) tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel gezinshereniging/gezinsvorming. De afwijzende beschikking van 7 april 2016, in bezwaar gehandhaafd bij de beschikking van 21 maart 2017, berust op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu. Volgens de minister moe(s)t het verzoek met het oog op de openbare orde worden afgewezen, omdat [verweerder] door het Gerecht bij (onherroepelijk geworden) vonnissen van 24 november 2014 en 20 mei 2015 strafrechtelijk is veroordeeld voor woninginbraak en diefstal. De afwijzing is voorts niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus de minister.
Het Gerecht heeft de minister op grond van de in 3.5 van de aangevallen uitspraak neergelegde motivering in dit laatste standpunt niet gevolgd.
De minister betoogt dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de bij de beschikking van 21 maart 2017 in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van [verweerder] rechtens juist is en niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister erkent weliswaar dat het niet (opnieuw) aan [verweerder] verlenen van een vergunning tot tijdelijk verblijf een inmenging oplevert in het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven en familie- en gezinsleven, maar acht deze inmenging gerechtvaardigd. Volgens de minister vormt [verweerder], gezien de strafrechtelijke veroordelingen bij de vonnissen van 24 november 2014 en 20 mei 2015, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. De kans dat hij zich wederom schuldig zal maken aan deze ernstige strafbare feiten is, blijkens het rapport van 12 juni 2017 van de reclassering, reëel. Omdat de door hem tijdens zijn (deels onrechtmatige) verblijf in Curaçao opgebouwde banden voorts niet als bijzonder zijn aan te merken, niet is gebleken dat hij van de zorg van zijn ouder(s) afhankelijk is, er geen objectieve belemmeringen zijn voor hem om zijn privéleven dan wel zijn familie- en gezinsleven in Suriname voort te zetten en hij vanuit daar ook financiële steun van zijn ouder(s) kan ontvangen, weegt het belang van de Curaçaose overheid om de openbare orde van Curaçao te beschermen en strafbare feiten te voorkomen, zwaarder dan de individuele belangen van [verweerder], aldus de minister.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer de uitspraak van 22 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:191) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) – onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0614JUD003805809, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709 – dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een “fair balance” moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het algemeen belang van Curaçao dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Indien bij de belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de criteria zoals door het EHRM benoemd in de arresten van Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.
5.1.
Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de minister in de beschikking van 21 maart 2017 niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door hem gemaakte belangenafweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van [verweerder] en zijn gezinsleden en anderzijds het belang van de bescherming van de openbare orde. Vaststaat dat [verweerder] op de leeftijd van zes jaar in Curaçao is aangekomen en sindsdien, inmiddels negentien jaar, in Curaçao heeft verbleven. Anders dan de minister nu lijkt te betogen, moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] van 23 november 2002 tot 21 juli 2015 rechtmatig verblijf aldaar had. De minister heeft zich immers, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij het Gerecht van 27 juni 2018, eerder op het standpunt gesteld dat, nu [verweerder] van 22 april 2010 tot 21 juli 2015 over een vergunning tot tijdelijk verblijf beschikte, de periode waarin hij onrechtmatig in Curaçao verbleef gezuiverd is. Het betoog van de minister in hoger beroep om aan [verweerder] illegaal verblijf in de periode van 23 november 2002 tot 22 april 2010 tegen te werpen staat daar haaks op en kan niet worden aanvaard, zodat het Hof daaraan voorbij gaat. Gezien de lange (rechtmatige) verblijfsduur van [verweerder] waarvan derhalve moet worden uitgegaan, is het Hof met het Gerecht van oordeel dat [verweerder] geacht moet worden zeer sterke banden met Curaçao te hebben. Voorts is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat [verweerder] sinds zijn komst naar Curaçao heeft verbleven bij en is verzorgd door zijn ouders die, evenals zijn zus, rechtmatig in Curaçao verblijven. Hij heeft, nu tussen partijen ook niet in geschil is dat hij sinds zijn komst naar Curaçao slechts één keer naar Suriname is teruggekeerd, bovendien geen dan wel zeer beperkte banden met zijn land van herkomst, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.
w.g. voorzitter
w.g. griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2021