Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2019-07-30
ECLI:NL:OGHACMB:2019:152
Civiel recht
Hoger beroep
1,655 tokens
Inleiding
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Vonnis in kort geding in de zaak:
de openbare rechtspersoon HET LAND ARUBA,
zetelende in Aruba,
hierna te noemen: het Land,
oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,
tegen
1de stichting FUNDACION LOTTO PA DEPORTE,
2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],
3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],
4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],
5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],
6. [GEÏNTIMEERDE SUB 6],
allen gevestigd of wonende in Aruba,
hierna te noemen: FLPD c.s.,
oorspronkelijk eisers, thans geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. F.B.M. Kunneman, B.J. Huiskes en P.M.E. Mohamed.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Voor hetgeen in het vonnis in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer AUA201800022 in kort geding gewezen en op
1.2. 7
7 februari 2018 uitgesproken vonnis. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.
1.3.
Het Land is bij akte van appel op 27 februari 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, zijnde tijdig. In een gelijktijdig ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft het Land zes grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van FLPD c.s. zal afwijzen en FLPD c.s. zal veroordelen in de kosten van beide instanties.
1.4.
Tevens heeft het Land op 27 februari 2018 een verzoek verkorting termijnen ex artikel 235, tweede zin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder Rv) ingediend, met producties.
1.5.
FLPD c.s. hebben in een memorie van antwoord, met producties, genomen op 25 mei 2018, het hoger beroep bestreden en geconcludeerd dat het Hof, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van gronden, het vonnis zal bevestigen en het Land zal veroordelen, voorzien van een dwangsom, zoals ook bij vonnis van 16 mei 2016 is bepaald en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van het Land in de proceskosten in beide instanties.
1.6.
Op 13 september 2018 heeft het Land producties ingediend en op 18 september 2019 hebben beide partijen schriftelijke pleitnotities ingediend.
1.7.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1.
Het verzoek verkorting termijnen ex artikel 235, tweede zin, Rv is kennelijk in het ongerede geraakt.
2.2.
Het gaat hier om een kort geding, waarin het Gerecht het volgende dictum heeft gegeven:
(…)
beveelt het Land de uitvoering te schorsen van de op 3 januari 2018 genomen besluiten tot ontslag van de Leden totdat door het Gerecht over deze besluiten is beslist, onder de voorwaarde dat deze bodemprocedure uiterlijk binnen vier weken na de datum van dit vonnis is ingesteld;
beveelt het Land de Leden toe te staan hun werk als leden van de Raad van Toezicht van de FLPD voor de duur van deze bodemprocedure in eerste aanleg te continueren, onverminderd de overige rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet en de statuten;
schorst de benoemingsbesluiten van 10 januari 2018 van de nieuwe leden van de Raad van Toezicht van de FLPD;
(…).
2.3.
De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit zal het geval kunnen zijn indien het vonnis van de civiele bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (vgl. HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015, NJ 2011/304). Aan deze ‘afstemmingsregel’ ligt ten grondslag dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoir gevoerde civiele bodemprocedure, anders dan in kort geding, zo nodig na bewijslevering en rapportage door deskundigen, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, afgezien van de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te stellen (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, NJ 2015/266) (in een cassatieprocedure is de afstemmingsregel overigens niet van toepassing: HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:692, NJ 2017/296, rov. 3.3 onder b).
2.4.
In de onderhavige zaak heeft de bodemrechter op 24 juli 2019 (AUA201800634) uitspraak gedaan. Het Gerecht:
- heeft vernietigd de op 3 januari 2018 door de Minister ten aanzien van [geïntimeerde sub 2], [geïntimeerde sub 3], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] genomen besluiten tot ontslag als lid van de raad van toezicht van FLPD;
en
- heeft vernietigd de op 10 januari 2018 door de Minister ten aanzien van [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] genomen besluiten tot benoeming als lid van de raad van toezicht van FLPD.
2.5.
Dictum
Het Hof:
- bevestigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt het Land in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van FLPD c.s. gevallen en tot op heden begroot op Afl. 6.000,- aan gemachtigdensalaris en Afl. 283,90 aan verschotten;
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bi voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.E. de Kort, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2019 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.