Rechtspraak 2017-10-05
ECLI:NL:OGHACMB:2017:197
Strafzaken over 2017 | AV/TDL Datum uitspraak: 5 oktober 2017 Zaaknummer: H 16/2017 Parketnummer: 500.00053/16 Tegenspraak GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba S T R A F V O N N I S gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 maart 2017 in de strafzaak tegen de verdachte: [naam verdachte B]geboren op [een datum in het jaar] 1982 in Curaçao, wonende in Curaçao, thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao. Procesgang en onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 22 april 2016, 5 augustus 2016, 25 augustus 2016 en 15 februari 2017, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2017 in Curaçao. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. S. La Fleur, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen [nabestaande slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar voren hebben gebracht. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van bewijsgronden zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf – en in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de door het gerecht in eerste aanleg gegeven strafkorting van 3 maanden voor het feit dat de verdachte langer dan de toegestane 10 dagen in een politiecel heeft doorgebracht, heeft de procureur-generaal laten weten zich te conformeren aan het oordeel van het Hof. In eerste aanleg is het ten laste gelegde medeplegen van een overval (een diefstal met geweld en bedreiging met geweld) met de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg bewezen verklaard en de verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] volledig toegewezen en is ten behoeve daarvan aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij [nabestaande slachtoffer 1] is in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Vonnis waarvan beroep Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust, behoudens de opgelegde staf en de strafmotivering. Het Hof zal hierna niet alleen overwegingen wijden aan de straf die aan de verdachte zal worden opgelegd, maar ook aan de verweren die ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsvrouw zijn gevoerd. Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Een formeel onderdeel van dat verweer heeft betrekking op de in de mobiele telefoon van de verdachte aangetroffen WhatsApp-berichten. Die berichten zijn volgens de raadsvrouw onrechtmatig verkregen en moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Het Hof overweegt als volgt. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Gegevens die zijn opgeslagen in computers of andere elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, zoals smartphones, zijn daarvan niet uitgezonderd. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd. De raadsvrouw kan worden toegegeven dat die bepalingen niet steeds zonder meer een voldoende wettelijke grondslag vormen voor een onderzoek aan in beslag genomen smartphones. De algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren biedt slechts een voldoende l In de nacht van 21 december 2015 – op het moment dat politieagenten naar aanleiding van meldingen over de overval naar Blue Bay waren gekomen – heeft hij in zijn verklaring de volgende omschrijving van dader 2 gegeven: “Een man, zwart/witte blouse lange mouwen, donkere lange broek, alleen ogen zichtbaar. Ogen lijken mij een bekende met wie hij (het Hof begrijpt: ik) naar de [school] is (het Hof: ben) gegaan.” Zeker tegen deze achtergrond wekt het geen bevreemding dat na de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachten op 29 januari 2016 is besloten over te gaan tot het houden van een meervoudige fotoconfrontatie met de getuige [slachtoffer 2]. Die fotoconfrontatie vond plaats op 10 februari 2016 en blijkens het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt, wees hij zonder te aarzelen de foto van medeverdachte [A] aan. Hij heeft daarbij het volgende verklaard: “Dat is hem. Hij is [tweede voornaam van A]. Ik ken hem van de woonwijk Westpunt. Hij is de man die ik aan zijn ogen had herkend tijdens de beroving. Hij was degene die de doek om zijn gezicht had tijdens de beroving. Ik had met [A] op school te Westpunt gezeten. Hij is de man waarover ik had verklaard dat hij samen met mij op school had gezeten.” De (inmiddels: ex-)vriendin van voornoemde medeverdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij door iedereen [tweede voornaam van A] wordt genoemd. De getuige [slachtoffer 2] heeft later, mogelijk met deze herkenning in gedachten, ook de tweede dader herkend. Over deze dader had hij in de nacht van 21 december 2015 onder meer verklaard dat zijn gezicht helemaal afgedekt was met een masker van een doodshoofd. Bij de meervoudige fotoconfrontatie wees hij de foto van de verdachte – de broer van medeverdachte [A] – aan en verklaarde daarbij het volgende: “De man onder foto 1 herken ik als de mij bekende man [bijnaam van de verdachte]. Hij was de man met het doodshoofd op tijdens de beroving. Ik had hem aan zijn stem herkend als [bijnaam van de verdachte]. Dit gezien ik [bijnaam van de verdachte] heel goed ken. Ik ken hem onder andere van de woonwijk van Westpunt. Zijn gevlochten haren kwamen aan de achterzijde onder het masker uit.” De verdachte heeft verklaard dat hij “[bijnaam van de verdachte]” wordt genoemd. De herkenning van de verdachte kan naar het oordeel van het Hof niet los worden gezien van de herkenning van medeverdachte [A]. Alleen over deze laatste herkenning heeft de getuige immers reeds in de nacht van 21 december 2015 verklaard. Het Hof stelt vast dat de getuige aangaande de herkenningen tijdens de verschillende verhoren consistent heeft verklaard. Voor zover er sprake is van verschillen, zijn die naar het oordeel van het Hof van ondergeschikte aard en te verklaren vanuit de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de getuige. Het Hof betrekt hierbij dat de psycholoog heeft laten weten dat verklaringen van de getuige kunnen worden gebruikt zolang in een rustige en vriendelijke setting naar feitelijke gebeurtenissen wordt gevraagd en wordt bedacht dat hij moeite kan hebben met de chronologische volgorde van de gebeurtenissen. In dat licht moeten de door de raadsvrouw naar voren gebrachte verklaringen worden gezien, zoals dat hij en ‘tio [voornaam slachtoffer 1]’ (het Hof: wijlen [slachtoffer 1]) de bewuste avond werden achtervolgd door degenen die hen later hebben overvallen en dat hij de verdachte en medeverdachte [A] al voorafgaande aan de overval in de mondi heeft gezien (van een afstand, in het donker). Het Hof beschouwt deze verklaringen niet als mededelingen van hetgeen hij feitelijk heeft waargenomen of ondervonden, maar als naar aanleiding daarvan getrokken conclusies. Het Hof deelt niet het standpunt van de raadsvrouw dat van een deugdelijke herkenning geen sprake kan zijn. De herkenningspunten – de ogen voor wat betreft de ene dader (medeverdachte [A]) en de stem en de gevlochten haren voor wat betreft de andere dader (de verdachte) – zijn daarvoor naar hun aard niet zonder meer ongeschikt. Er is ook een foto op de telefoon van medeverdachte [A] aangetroffen met een doos scherpe patronen van het kaliber .22 kort. Op een van de foto’s is verder te zien dat de revolver met het kaliber .22 (de eerstgenoemde revolver) in een hand ligt van iemand wiens arm is getatoeëerd met een aantal sterren. De (ex-)vriendin van medeverdachte [A] heeft de arm van de verdachte op de foto herkend aan de hand van zijn tatoeages. Uit WhatsApp-berichten die medeverdachte [A] met de verdachte heeft gewisseld, kan worden afgeleid dat hij op 14 december 2016 de revolver heeft getest op een bord in het Christoffelpark. Het Hof wijst op de volgende berichten: Datum en tijdstip Verzender Ontvanger Vertaling inhoud 15 december 2015 07:12:52 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Weetje het ding schreeuwt wel 15 december 2015 07:13:20 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Ik had het gisteren in de afrastering van Christofel getest , weet je, alwaar de afrastering eindigt wanneer je van West komt, wel ze hebben toch een bord daar gezet , daarin Medeverdachte [A] heeft vervolgens een foto van het desbetreffende bord verzonden. De politie heeft daarnaar onderzoek gedaan. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat dit informatiebord langs de Weg van Westpunt ter hoogte van het Christoffelpark is geplaatst en dat daarin vier gaten werden aangetroffen die door het afvuren van .22 munitie zijn veroorzaakt. Voor het Hof vormen deze feiten en omstandigheden de belangrijkste bevestigingen van de herkenning van medeverdachte [A] door de getuige [slachtoffer 2]. Naar het oordeel van het Hof kunnen de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, redengevend worden geacht voor het bewijs dat medeverdachte [A] een van de daders van de ten laste gelegde overval was. Ten aanzien van de herkenning van de verdachte Het voorgaande vormt een belangrijk uitgangspunt voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte. Indien immers de herkenning van de medeverdachte onjuist zou zijn, dan zou de verdachte daarmee ten onrechte op het spoor van de verdachte zijn gezet. Nu de herkenning van de medeverdachte als juist wordt aangemerkt, betekent dat ook dat de getuige daardoor niet op het verkeerde been is gezet. Desalniettemin moet ook worden bezien of de herkenning van de verdachte een afdoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Het Hof overweegt in dat verband allereerst dat degene met wie medeverdachte [A] op 15 december 2016 sprak over een met een revolver uitgevoerde schiettest, de verdachte is. De verdachte heeft vervolgens later die dag aan de medeverdachte gevraagd om van de revolver een foto te sturen: Datum en tijdstip Verzender Ontvanger Vertaling inhoud 15 december 2015 20:13:27 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Heb je een foto ervan om te sturen, zodat de man het kan zien Medeverdachte [A] heeft de daaropvolgende dag een foto van een in zijn hand liggende revolver verzonden. De verdachte heeft die foto ontvangen, blijkens zijn daaropvolgende bericht (inhoud van dat bericht: “Oké”). Dit gesprek staat niet op zichzelf. In de avond van de daaropvolgende dag, op de 16e december dus, was de verdachte ter plaatse van het Blue Bay Resort met het kennelijke doel een voorverkenning uit te voeren. Die conclusie trekt het Hof op grond van de volgende omstandigheden. De zus van de verdachte, medeverdachte [C], heeft die avond als beveiliger van het Blue Bay Resort de hefboom opengedaan voor een naderende grijze [auto], hoewel collega’s even daarvoor juist via de portofoon hadden doorgegeven dat die auto moest worden tegengehouden. De verdachte is door twee beveiligers herkend als een van de inzittenden. De ene beveiliger, [beveiliger 1], herkende de verdachte bij het zien van een foto in de Vigilante en de andere, [beveiliger 2], herkende hem bij een meervoudige fotoconfrontatie. Anders dan de raadsvrouw is het Hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feit Daar overhandigde [B] mij een zakje met een gouden polshorloge en gouden ketting. Ik ging naar binnen en overhandigde de medewerkster de ketting en zij heeft mij het geld betaald. Nadien reden wij naar de Chinese minimarket. Na ongeveer 10 tot 15 minuten kwam [A] vergezeld van nog een andere broer van hun bij ons. [A] heeft mij toen NAf 200,-- gegeven. De volgende dag heb ik het horloge verpand bij het pandhuis in Dupont Mall. Ik heb hiervoor NAf 5.000,-- gekregen verdeeld in cash en een cheque. De bank wilde de cheque niet inwisselen en toen ben ik terug geweest naar het pandhuis waar ze me de rest van het geld contant hadden gegeven. Daarna heb ik [B] ontmoet en hem het geld gegeven. Hij heeft mij toen NAf 500,-- gegeven.” Dit vindt bevestiging in de volgende WhatsApp-berichten: Datum en tijdstip Verzender Ontvanger Vertaling inhoud 24 december 2015 10:26:32 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) [getuige 1] (het Hof: [getuige 1] ) is erg kwaad 24 december 2015 10:27:17 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Waarom 24 december 2015 10:27:18 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Ze hebben hem een cheque gegeven 24 december 2015 10:27:56 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Hij bleef in de rij staan bij de bank, uiteindelijk was de cheque ongedekt 24 december 2015 10:28:14 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) En nu 24 december 2015 10:28:35 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Zonet zei hij tegen mij als hij klaar is, gaat hij weer naar de locatie terug. Hij wil geen klote cheque, geeft hem geld. Ze hebben hem een cheque gegeven, die ongedekt is. Hij laat me weten. Hij zal ze zeggen dat hij geen klote van check wil hebben. Hij wil geld. De cheque is ongedekt. 24 december 2015 10:31:29 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Wat is dat man? Hoe komt het dat de cheque ongedekt is. Hoe komt dat. Wat zijn de mensen er mee bezig? Wat is dit? Als ze hem dat niet kan teruggeven, Figo, zegt tegen hem om het ding terug te nemen. Neemt het ding terug. 24 december 2015 10:33:21 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Dat gaat hij ook nu doen 24 december 2015 10:55:03 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Laat me weten hoe het met hem is verlopen 24 december 2015 11:04:19 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Hij heeft ze al gebeld, ze hadden hem 2000 gegeven en de rest aan cheque 24 december 2015 11:16:59 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Uhmmm oké oké 24 december 2015 11:23:32 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Hij gaat toch vandaag de cheque wel ophalen 24 december 2015 12:20:43 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Hij is wel klaar 24 december 2015 12:30:35 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Oké 24 december 2015 12:30:50 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Neem het geld bij hem 24 december 2015 12:30:54 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Geef hem 300 24 december 2015 12:30:58 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Is goed toch? 24 december 2015 12:31:11 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) 500 in twee dagen 24 december 2015 12:31:40 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Ja man 24 december 2015 13:22:25 uur [A] (medeverdachte) [B] (de verdachte) Man, [bijnaam D] (het Hof: medeverdachte [D] ) zei om er 5 van te maken 24 december 2015 13:26:06 uur [B] (de verdachte) [A] (medeverdachte) Oké, goed [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 30 december 2015 nog sieraden van medeverdachte [A] heeft gekregen, dat daartussen ook een plaatje zat waarop de naam “[voornaam slachtoffer 1]” met diamanten steentjes stond gegraveerd, dat hij dat plaatje niet heeft willen verpanden, maar dat hij vervolgens wel een aantal van de andere sieraden heeft verpand bij Gold 2 Cash. Een foto van deze sieraden is getoond aan [nabestaande slachtoffer 1], zoon van het overleden slachtoffer. Hij heeft verklaard dat deze sieraden van zijn vader waren. Voor het Hof vormen deze feiten en omstandigheden de belangrijkste bevestigingen van de herkenning door de getuige Anders dan de raadsvrouw meent, is daarmee evident sprake van medeplegen. Er is bewust en nauw samengewerkt door het tweetal. Het Hof is dan ook tot dezelfde slotsom gekomen als het gerecht in eerste aanleg, namelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van de overval. Het verweer van de raadsvrouw wordt in al zijn onderdelen verworpen. Op te leggen straf Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een (woning)overval, die de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad. Het gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest. De procureur-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest, met dien verstande dat hij zich conformeert aan het oordeel van het Hof voor wat betreft de door het gerecht in eerste aanleg gegeven strafkorting van 3 maanden voor het feit dat de verdachte langer dan de toegestane 10 dagen in een politiecel heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft, bij wijze van een subsidiair standpunt, bepleit dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zal worden opgelegd. Het Hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft met zijn broer [A], conform een uitvoerige voorbereiding, een overval voltrokken op twee kwetsbare slachtoffers, namelijk op de 74-jarige [slachtoffer 1] en de zwakbegaafde [slachtoffer 2] die op dat moment bij [slachtoffer 1] verbleef. Met gezichtsbedekking, tape en een schietklaar revolver togen zij naar de woning van [slachtoffer 1] op het Blue Bay Resort, waar een paar dagen ervoor al een voorverkenning had plaatsgevonden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden met geweld overmeesterd en gekneveld; zij werden bovendien met behulp van tape tot stilzwijgen gedwongen. [Slachtoffer 1] was zo getapet – [slachtoffer 2] omschreef het ter terechtzitting in hoger beroep treffend: “heel zijn gezicht, helemaal rondom” – dat zijn luchtwegen werden geblokkeerd. De verdachten hebben zich om hem in het geheel niet bekommerd. Integendeel zelfs, niet werd nagelaten om hem een nog grotere schrik aan te jagen door ook twee schoten te lossen. De verdachten hebben de kluis met inhoud uit de woning gesleept en deze vervolgens samen met de Jeep van [slachtoffer 1] weggenomen. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden aan hun lot overgelaten. Voor [slachtoffer 1] bleek dat fataal te zijn. Hij is door verstikking om het leven gekomen. Een verstikkingsdood treedt niet onmiddellijk in; het kan niet anders dan dat hij een afschuwelijke dood is gestorven. Het Hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Het gerecht in eerste aanleg heeft terecht overwogen dat de overval lafhartig en schokkend is. De familie van slachtoffer [slachtoffer 1] en haar naaste omgeving is een immens en onherstelbaar verdriet aangedaan. Wat [nabestaande slachtoffer 1] – de zoon van het slachtoffer – in het kader van zijn vordering tot schadevergoeding over de gevolgen van het strafbare feit naar voren heeft gebracht, maakt de enorme impact die het verlies van zijn vader op zijn leven en dat van de andere gezinsleden heeft, pijnlijk duidelijk. Slachtoffer [slachtoffer 2], die niet alleen de dood van zijn ‘Tio [voornaam slachtoffer 1]’ van dichtbij heeft moeten meemaken BESLISSING Het Hof: bevestigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg met inachtneming van het vorenoverwogene, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 12 (twaalf) jaren en 9 (negen) maanden ; bepaalt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mrs. T.E. van der Spoel, D. Radder en H. de Doelder, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 5 oktober 2017. mr. T.E. van der Spoel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het Hof heeft geconstateerd dat de rechter van het gerecht in eerste aanleg het onderzoek ter terechtzitting van 5 augustus 2016 heeft hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment van de schorsing ter terechtzitting van 13 juli 2016, terwijl de zaak op die terechtzitting door een andere rechter was behandeld. Nu dat kennelijk met instemming van de officier van justitie en de verdediging heeft plaatsgevonden en zonder onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien in welk te respecteren belang de verdachte zou zijn getroffen, volstaat het Hof met een constatering hiervan (vgl. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8797). Verwijzing zonder bewijsbestemming: proces-verbaal van bevinding WhatsApp-gesprekken telefoon Etienne d.d. 11 februari 2016, pagina 262 van het dossier. Proces-verbaal van getuige d.d. 21 december 2015, pagina 34 van het dossier. Proces-verbaal van fotoconfrontatie d.d. 10 februari 2016, pagina 207-208 van het dossier. Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 februari 2016, pagina 191 van het dossier. Proces-verbaal van fotoconfrontatie d.d. 27 september 2016, pagina 122-123 van het aanvullend dossier. Proces-verbaal van 1e (sociaal) verhoor verdachte d.d. 29 januari 2016, pagina 29 van zijn persoonsdossier. Proces-verbaal van bevindingen Samsung Galaxy S5 mini d.d. 3 februari 2016, pagina 170-172; proces-verbaal van bevindingen herkenning masker d.d. 10 februari 2016, pagnia 204-206; proces-verbaal van horen getuige d.d. 21 februari 2016, pagina 194 van het dossier. Proces-verbaal van bevinding beelden witte Kia Rio bij Prowin Motors d.d. 28 december 2015, pagina 89-90 van het dossier. Proces-verbaal van 1e verhoor verdachte d.d. 29 januari 2016, pagina 26 van zijn persoonsdossier. Proces-verbaal van huiszoeking Seroe Loraweg #20 d.d. 29 januari 2016, pagina 12-13 van het persoonsdossier van verdachte. Proces-verbaal van horen getuige d.d. 21 februari 2016, pagina 193 van het dossier. Een in hoger beroep ingebracht proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 12 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (hoofdagent en senior forensisch rechercheur bij het Team Forensisch Opsporing Curaçao), met als registratienummer 035/2017. Proces-verbaal van horen getuige d.d. 21 februari 2016, pagina 194 van het dossier. Een in hoger beroep ingebracht schriftelijk bescheid, te weten een stuk met daarin veiliggestelde WhatsApp-gesprekken van de telefoon van [B]. Een in hoger beroep ingebracht proces-verbaal met betrekking tot vuurwapens in zaak Blue Bay d.d. 13 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2 en [verbalisant 3] (respectievelijk buitengewoon agent van politie en hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao), met als registratienummer 2015200435.170202.1015. Een in hoger beroep ingebracht schriftelijk bescheid, te weten een stuk met daarin veiliggestelde WhatsApp-gesprekken van de telefoon van [B]. Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte d.d. 29 januari 2016, pagina 242 van het dossier; proces-verbaal van getuige d.d. 9 februari 2016, pagina 218-219 van het dossier; proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 februari 2016, pagina 224-225 van het dossier;