Rechtspraak 2026-03-06
ECLI:NL:OGEAM:2026:24
Zaaknummers: SXM202600135 - GAZ00006/2026 SXM202600073 - GAZ00003/2026 SXM202600207 - GAZ00009/2026 Uitspraakdatum: 6 maart 2026 GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In de gedingen van: [klaagster], wonende te Sint Maarten, klaagster, gemachtigde: mr. S.R. BOMMEL, tegen DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN VAN SINT MAARTEN, zetelende in Sint Maarten, verweerder 1, HET LAND SINT MAARTEN, verweerder 2, DE MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERKEER EN TELECOMMUNICATIE (TEATT) , in haar hoedanigheid van plaatsvervangend Minister-President, verweerder 3, allen zetelend te Sint Maarten, gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.. Verweerders 1, 2 en 3 worden hierna gezamenlijk (in enkelvoud) aangeduid als verweerder. Procesverloop Inzake SXM202600135 - GAZ00006/2026 en SXM202600073 - GAZ00003/2026 Bij besluit van 7 januari 2026 (hierna: de eerste toegangsontzegging) heeft verweerder 1 klaagster bij wijze van ordemaatregel de toegang tot alle overheidsgebouwen en dienstlokalen van het Land Sint Maarten, alsmede de toegang tot (en gebruik van) alle overheids-ICT-systemen ontzegd. Hiertegen heeft verzoekster op 12 januari 2026 proforma bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Dit bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer SXM202600073-GAZ00003/2026. Hierna zijn op 20 januari 2026 de bezwaargronden aangevuld. Op 2 februari 2026 heeft verzoekster tevens een verzoekschrift om een beslissing bij voorraad ex artikel 94 van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: Rar) ingediend bij het Gerecht. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SXM202600135-GAZ00006/2026. Verweerder 1 heeft op 25 februari 2026 een contra-memorie ingediend. Inzake SXM202600207 - GAZ00009/2026 Bij e-mailbericht van 16 februari 2026 (hierna: de tweede toegangsontzegging) heeft verweerder 3, onder intrekking van de eerste toegangsontzegging, klaagster bericht dat de Raad van Ministers op 16 januari 2026 heeft besloten om klaagster bij wijze van ordemaatregel de toegang tot alle overheidsgebouwen en dienstlokalen van het Land Sint Maarten te ontzeggen, wanneer de Minister President/Minister van Algemene Zaken daar aanwezig is. Hiertegen heeft verzoekster op 18 februari 2026 bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Dit bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer SXM202600207 - GAZ00009/2026. Verweerder heeft op 25 februari 2026 een contra-memorie ingediend. Inzake alle bovengenoemde zaken Klaagster heeft bij e-mailbericht van 1 maart 2026 twee aanvullende producties ingediend. Het verzoek en de bezwaarschriften zijn behandeld ter zitting van 2 maart 2026. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen de heer Hakkens (afdeling P&O), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op vandaag. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1.1. Klaagster is sinds januari 2012 als ambtenaar in dienst van het Land Sint Maarten. Met ingang van 26 november 2024 vervult zij de functie van chef van het kabinet van de Minister van Volksgezondheid, Sociale Zaken en Arbeid. 1.2. Naar aanleiding van een op 7 januari 2026 in een overheidsgebouw gedane uitlating van klaagster, gericht tegen verweerder 1, alsmede een externe uiting van haar echtgenoot op sociale media, heeft verweerder 1 bij brief van 7 januari 2026 met als onderwerp ‘ Ordemaatregel/dienstopdracht – ontzegging tot overheidsgebouwen, dienstlokalen en ICT-systemen ’ de eerste toegangsontzegging opgelegd. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld: ‘… Naar aanleiding van het voorgaande heeft ondergetekende besloten de relevante maatregelen te treffen, waaronder het laten instellen van een onderzoek naar de geuite bedreiging, waarbij zowel de uitlatingen als de online uitingen worden betrokken. Ik ben voornemens om u formeel te schorsen in het belang van de dienst, conform artikel 92, sub c van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), gedurende dit onderzoek en de besluitvorming naar aanleiding van de uitkomsten van d De maatregel strekte ertoe klaagster de toegang tot overheidsgebouwen en ICT-systemen te ontzeggen, vooruitlopend op een voorgenomen schorsing in het belang van de dienst. Daarmee werd haar de uitoefening van haar functie feitelijk ontnomen. Gelet op aard, inhoud en duur raakt de maatregel rechtstreeks haar ambtelijke rechtspositie en is deze gericht op rechtsgevolg. Van een louter interne organisatorische instructie of een onmiddellijke, kortdurende veiligheidsmaatregel is geen sprake. De in de maatregel gegeven kwalificatie van “dienstopdracht” is daarbij niet doorslaggevend. Gelet op het voorgaande moet de eerste toegangsontzegging naar het oordeel van het Gerecht derhalve als een beschikking in de zin van artikel 35 van de Rar worden aangemerkt. 3.3. Ten aanzien van de stelling van verweerder 1, dat de maatregel is opgelegd namens de Gouverneur, overweegt het Gerecht dat uit de brief van 7 januari 2026 niet blijkt dat deze namens de Gouverneur is vastgesteld. Evenmin is gebleken van een (schriftelijk) mandaat of een andere toereikende grondslag waaruit volgt dat verweerder 1 bevoegd was om namens de Gouverneur te handelen. De enkele omstandigheid dat de Gouverneur achteraf met de maatregel bekend is geworden of aanwezig is geweest bij de vergadering van de Raad van Ministers van 16 januari 2026, kan niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige bekrachtiging van het besluit van 7 januari 2026. De stelling van verweerder 1, dat de eerste toegangsontzegging is genomen namens de Gouverneur, slaagt dan ook niet. 3.4. Voor zover verweerder 1 zich beroept op artikel 6 van het Organisatiebesluit Algemene Zaken, geldt dat een algemene bepaling in een landsbesluit niet kan afdoen aan een specifieke bevoegdheidstoedeling in een hogere wettelijke regeling. Artikel 45 van de LMA wijst de Gouverneur expliciet aan als bevoegd gezag. Van die bevoegdheidstoedeling kan dan ook niet worden afgeweken via een algemene organisatorische bepaling in een landsbesluit. 4.1. Gelet op de inhoud van de e-mail van 16 februari 2026 stelt het Gerecht evenwel vast dat uitdrukkelijk aan klaagster is medegedeeld dat de eerste toegangsontzegging van 7 januari 2026 is ingetrokken. Dat verweerder 1 ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat dit slechts moet worden opgevat als een gedeeltelijke intrekking, maakt dit niet anders. Voor de kwalificatie als intrekking is immers bepalend hoe de mededeling naar objectieve maatstaven moet worden verstaan. Nu de eerste toegangsontzegging met de intrekking daarvan is komen te vervallen en niet is gebleken van nog voortbestaande rechtsgevolgen of schade die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen, ontbreekt procesbelang bij een verdere beoordeling van dit besluit. 4.2. Het bezwaar tegen de eerste toegangsontzegging zal gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. 4.3. Klaagster heeft tevens verzocht om een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de Rar. Een voorlopige voorziening strekt ertoe een tijdelijke maatregel te treffen in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak. Nu het bezwaar tegen de eerste toegangsontzegging niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van belang en de maatregel reeds is ingetrokken, ontbreekt eveneens een grondslag voor het treffen van een voorlopige voorziening. Bij gebreke van (spoedeisend) belang zal het verzoek om een voorziening bij voorraad worden afgewezen. Beoordeling ten aanzien van de tweede toegangsontzegging (SXM202600207 - GAZ00009/2026) 5.1. Het Gerecht stelt voorop dat het bezwaar ten onrechte mede is gericht tegen het Land Sint Maarten. Het Land is de publiekrechtelijke rechtspersoon en heeft de tweede toegangsontzegging niet opgelegd. Het bezwaar is daarom, voor zover gericht tegen verweerder 2, niet-ontvankelijk. 5.2. Het Gerecht dient voorts gelet op de standpunten van partijen te beoordelen of het besluit van 16 januari 2026, bekendgemaakt bij e-mail van 16 februari 2026, moet worden