Rechtspraak 2026-01-06
ECLI:NL:OGEAM:2026:2
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN Zaaknummer: SXM202401353 Vonnisdatum: 6 januari 2026 in de zaak van de naamloze vennootschap UTRIMA N.V., gevestigd in Sint Maarten, eiseres, gemachtigde: mr. C.H.J. Merx, tegen HET UITVOERINGSORGAAN SOCIALE EN ZIEKTEKOSTEN VERZEKERINGEN (USZV), gevestigd in Sint Maarten, gedaagde, gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok, Partijen zullen hierna Utrima en USZV worden genoemd. De zaak in het kort USZV heeft aan Utrima in 2019 aanslagen opgelegd voor ZV- en OV-premies. Na bezwaar zijn deze aanslagen verminderd. Daartegen is geen beroep ingesteld, dus de aanslagen zijn onherroepelijk geworden. In 2024 heeft USZV beslag gelegd. Daartegen heeft Utrima verzet ingesteld. Het Gerecht beslist dat op grond van de formele rechtskracht van de aanslagen in deze civiele zaak daartegen niets kan worden gedaan. Uitzondering vormt het onderdeel ‘premies voor loon boven loongrens’. Op grond van rechtspraak van het Gemeenschappelijk hof van ná de USZV-beslissingen behoort over dat loon ook niet tot aan de loongrens premie te worden geheven. Onduidelijk is of dat hier is gebeurd, zoals Utrima stelt. USZV moet bij akte onderliggende gegevens in het geding brengen. The case in brief In 2019, USZV imposed assessments on Utrima for ZV- and OV-contributions. Following an objection, these assessments were reduced. No appeal was lodged against this, so the assessments became final. In 2024, USZV seized assets. Utrima lodged an objection against this. The court rules that, based on the formal legal force of the assessments in this civil case, no action could be taken against them. The exception is the section on ‘contributions for wages above the wage limit’. Based on case law of the Joint Court after the USZV decisions, no premium should be levied on that wage under the wage limit. It is unclear whether this has happened here, as Utrima claims. USZV must submit the underlying data in the proceedings by deed. 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: het inleidend verzoekschrift, op 26 november 2024 ter griffie ingediend; de conclusie van antwoord van 29 april 2025. 1.2. De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Beide partijen hebben hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, mede aan de hand van door de gemachtigde van Utrima overgelegde pleitaantekeningen. 1.3. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Bij Utrima is in 2019 een boekenonderzoek verricht met het doel om na te gaan of en in hoeverre Utrima over de periode 2014-2018 heeft voldaan aan de bepalingen van de Landsverordening ZV, de Landsverordening OV en de Cessantia Landsverordening. De onderzoeker van USZV heeft daaruit in haar rapport de conclusie getrokken dat Utrima te weinig ZV/OV-premies heeft voldaan over de genoemde periode. Naar aanleiding van het controlerapport heeft USZV op 22 oktober 2020 de volgende naheffingsaanslagen opgelegd voor verschuldigde ZV/OV-premie: over het jaar 2014 Naf 36.180,- over het jaar 2015 Naf 48.497,- over het jaar 2016 Naf 16.263,- over het jaar 2017 Naf 84.741,- over het jaar 2018 Naf 35.586,-. 2.2. Tegen deze naheffingsaanslagen heeft Utrima op 16 november 2020 tijdig bezwaarschriften ingediend. 2.3. Naar aanleiding van de bezwaarschriften zijn de naheffingsaanslagen over de jaren 2014-2018 als volgt verminderd: - over 2014 tot Naf 14.081,49 - over 2015 tot Naf 22.749,23 - over 2016 tot Naf 15.923,66 - over 2017 tot Naf 65.953,69 - over 2018 tot Naf 13.716,22. 2.4. Op 18 juli 2023 heeft USZV de beschikkingen doen uitgaan naar Utrima. De beschikkingen zijn op dezelfde datum aan Utrima ter hand gesteld. 2.5. Utrima heeft geen beroep aangetekend bij het Gerecht tegen deze beschikkingen. 2.6. USZV heeft op grond van deze beschikkingen dwangschriften uitgevaardigd en laten betekenen. Op woensdag 18 september 2024 heeft USZV beslag gelegd op voorwerpen aanwezig in het winkelpand van Utrima. 2.7. Utrima heeft tegen alle genoe Voor het standpunt van USZV dat voor haar desondanks Lzv-premie moet worden betaald omdat zij verzekerd was voor ziektekosten biedt de Lzv geen grondslag. Het feit dat iemand bij USZV verzekerd is voor ziektekosten, betekent nog niet dat diegene ook werknemer is in de zin van de Lzv en dat dus voor diegene Lzvpremie moet worden betaald. Of iemand een werknemer is in de zin van de Lzv wordt immers bepaald door artikel 1 van de Lzv en niet door het al dan niet verzekerd zijn tegen ziektekosten (vgl. de uitspraak van het Hof van 26 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:138). Of iemand een SZV verzekeringskaart heeft en deze wel of niet heeft gebruikt, is daarom niet van belang. Voor zover USZV zich op het standpunt heeft gesteld dat in een geval als dit wel premie mag worden geheven over het loon tot aan de loongrens, biedt artikel 1 van de Lzv (ook) daarvoor geen grondslag.” 4.6. Deze jurisprudentie is gevolgd door de bestuursrechter van dit Gerecht in een latere bestuursrechtelijke procedure, waar ditzelfde onderwerp punt van geschil was: “5.2. Voor het standpunt van verweerder dat in een geval als dit wel Lzv-premie mag worden geheven over het loon tot aan de loongrens omdat [a] en [b] over een geldige SZV-kaart beschikten biedt de Lzv geen grondslag. Het Gerecht verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 21 mei 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:108. 5.3. Het voorgaande brengt mee dat de beroepsgrond, gericht tegen de naheffing van Lzv-premie voor [a] en [b] over de periode van 2016 tot en met 2020 doel treft. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij op dit punt de naheffingen zal corrigeren.” 4.7. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd op grond van, samengevat, (1) aansluitingsverschillen tussen de salariskosten volgens de jaarrekening / grootboek met de salarisadministratie en (2) de alsnog in rekening gebrachte premies voor het geregistreerde salaris van werknemers die zijn geregistreerd met een loon beneden de loongrens, waarvan Utrima stelt dat zij boven de loongrens verdienden (onder andere de heer S. Khatnani die in bezit van was een SZV-kaart). 4.8. Uit alle vijf beslissingen op bezwaar, die door USZV zijn overgelegd, blijkt het volgende oordeel van USZV: “(1) Belanghebbende heeft de aansluitingsverschillen tussen de salariskosten volgens de jaarrekening/grootboek met de salarisadministratie cijfermatig verklaard. Als gevolg hiervan is er geen sprake meer van aansluitingsverschillen. (2) Volgens de gegevens van het USZV systeem was het salaris van de heer [naam] gedurende de controlejaren beneden de loongrens en was de heer [naam] in het bezit van een USZV kaart gedurende bepaalde periodes. Echter, genoot de heer [naam] een salaris van 5.910,71 (boven de loongrens) pas vanaf januari 2020. Als gevolg hiervan dient de premie voor de ZV berekend te worden tot de loongrens.” 4.9. Het is het Gerecht uit de tot dusver overgelegde stukken niet duidelijk of en in hoeverre de door USZV berekende naheffing ziet op premies, die worden geheven over de salarissen van personeel dat boven de loongrens verdiende (zie hoofdstuk 5.4 en 5.6 van het controlerapport van 28 mei 2019). Het antwoord op die vraag is van belang in verband met het volgende. 4.10. Indien komt vast te staan dat alleen premies zijn nageheven van werknemers, die onder de loongrens verdienden, dan heeft het USZV dat correct gedaan en behoeft er niets gewijzigd te worden. Voortzetting van de executie levert dan geen misbruik van procesrecht op. 4.11. Indien echter komt vast te staan dat er tot aan de loongrens premies zijn nageheven van werknemers, die boven de loongrens verdienden, dan is dat destijds bij het nemen van de beslissingen op bezwaar volgens het beleid van het USZV gebeurd. Dat maakt die beslissingen niet onrechtmatig. Maar de juistheid van dat beleid is door de latere rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof achterhaald. In de beslissing van 9 juli 2025 heeft dit Gerecht die rechtspraak gevolgd. Ov