Rechtspraak 2026-01-26
ECLI:NL:OGEAM:2026:18
Uitspraakdatum: 26 januari 2026 Zaaknummer: SXM202500222-LAR00033/2025 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK In het geding van: [eiseres], gevestigd te Sint Maarten, eiseres, gemachtigde: mr. P. SOONS, tegen DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR VAN SINT MAARTEN, gezeteld te Sint Maarten, verweerder, gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr., Procesverloop Bij beschikking van 4 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder geweigerd eiseres een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van de gebouwen B1, B2 en C. Eiseres heeft op 5 maart 2025 proforma beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Daarna zijn de gronden aangevuld. Verweerder heeft op 26 juni 2025 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 5 september 2025 een akte (met producties) ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [a], bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Snyders, T. Baly en R. Narain, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. De behandeling is ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in het geding te brengen. Verweerder heeft per e-mail van 14 oktober 2025, schriftelijk bevestigd bij brief van 15 oktober 2025, nadere producties ingediend. Eiseres heeft op 24 oktober 2025 een akte (met producties) ingediend. De mondelinge behandeling is voortgezet op 24 november 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [a], bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Narain, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Beide partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Uitspraak is (nader) bepaald op heden. Overwegingen Wat is in deze zaak relevant om te weten? 1.1. Voor de relevante feiten en omstandigheden verwijst het Gerecht naar hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 28 oktober 2024, geregistreerd onder zaaknummers SXM202301233-LAR00148/2023 en SXM202301419-LAR00181/2023, gepubliceerd onder ECLI:NL:OGEAM:2024:88 (hierna: de eerdere uitspraak). Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat zij in rechte vaststaat. 1.2. In de eerdere uitspraak heeft het Gerecht verweerder opgedragen om, met inachtneming van die uitspraak, opnieuw te beslissen op de bouwaanvraag van eiseres met betrekking tot de gebouwen B1, B2 en C. 1.3. Bij brief van 1 november 2024 heeft eiseres verweerder verzocht om, in navolging van de eerdere uitspraak, positief te beslissen op haar aanvraag om een bouwvergunning voor de gebouwen B1 en B2. Daarbij heeft eiseres haar aanvraag, voor zover deze betrekking had op gebouw C, ingetrokken. Wat heeft verweerder in de bestreden beschikking beslist? 2.1. In de bestreden beschikking heeft verweerder wederom geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor de gebouwen B1, B2 en C. Deze weigering is gebaseerd op artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bouw- en Woningverordening (hierna: Bwv). 2.2. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de aanvraag voor de gebouwen B1, B2 en C strijd oplevert met de artikelen 3.2, 3.5.2 en 7.2 van de Hillside Policy (hierna: HSP). Volgens verweerder zijn de gebouwen B1, B2 en C voorzien in een gebied waar een bouwverbod geldt, omdat vanaf de 60-meterhoogtelijn een bouwstop van toepassing is. Uit coulance staat verweerder evenwel bebouwing toe tot de 70-meterhoogtelijn. Voorts stelt verweerder dat het terrein waarop de gebouwen B1, B2 en C zijn voorzien hellingen kent van 40 tot 50 graden, hetgeen volgens hem eveneens tot een bouwverbod leidt. 2.3. Ten slotte voert verweerder, onder verwijzing naar artikel 4.4 van de HSP, aan dat sprake is van bezwaren vanuit het oogpunt van milieu en veiligheid, nu afgravingen van hoger gelegen percelen het risico op erosie en overstromingen vergroten. Ook wijst verweerder ero In de beleidsregels is immers duidelijk vermeld dat het bouwverbod uitsluitend ziet op heuvelruggen (en heuveltoppen) hoger dan 100 meter, en dat voor het vaststellen van de (directe) omgeving waar een bouwverbod geldt 50 meter verticaal naar beneden moet worden gemeten, te rekenen vanaf de betreffende ‘ridge line’. Verweerder heeft gehandeld in strijd met deze beleidsregel, door niet de lijn van de heuvelrand (ridge line) vast te stellen en deze tot uitgangspunt te nemen bij het bepalen van het gebied waar een bouwverbod geldt. In plaats daarvan heeft verweerder, rekening houdend met de heuveltop van 110 meter en een afstand van 50 meter binnen deze heuveltop, het hele gebied op het perceel hoger dan de 60 meter hoogtelijn (contourlijn) aangemerkt als het gebied waar een bouwverbod geldt. Deze meetmethode heeft tot gevolg dat verweerder ten onrechte – namelijk in strijd met de beleidsregel dat alleen een bouwverbod geldt voor heuvelruggen hoger dan 100 meter – niet alleen het gebied met een heuvelrug boven de 100 meter bij de meting betrokken, maar ook een gebied op het perceel van eiseres waar de heuvelrug onder de 100 meter is gelegen. Het bouwverbod van artikel 3.5.2 van de HSP is op dit gebied echter niet van toepassing. ” 5.3. Het Gerecht stelt vast dat verweerder, in strijd met de opdracht uit de eerdere uitspraak om met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing te nemen, de eerder onjuist bevonden meetmethode opnieuw heeft toegepast. Verweerder heeft op basis hiervan in de bestreden beschikking opnieuw ten onrechte geconcludeerd dat een bouwverbod geldt voor het gehele gebied op het perceel boven de 60-meterhoogtelijn (contourlijn). 5.4. Dat verweerder in deze procedure een advies van de afdeling Vergunningen van 22 januari 2025 en een memo van de afdeling Beleid van 1 oktober 2025 heeft overgelegd, waarin de door verweerder gehanteerde meetmethode wordt verdedigd en de juistheid van de door het Gerecht voorgeschreven meetmethode wordt betwist, doet aan het voorgaande niet af. De eerdere uitspraak staat in rechte vast en is bindend voor partijen. Nu verweerder daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, kan het oordeel over de te hanteren meetmethode niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Het Gerecht laat het advies van de afdeling Vergunningen en de memo van de afdeling Beleid op dit punt daarom buiten beschouwing. Tussenconclusie 6.1. Het voorgaande leidt ertoe dat de beroepsgrond van eiseres, inhoudende dat verweerder wederom een onjuiste meetmethode heeft gehanteerd, slaagt. Door een meetmethode te hanteren die niet aansluit bij het eigen beleid heeft verweerder gehandeld in strijd met dat beleid. Het beroep is gegrond en de bestreden beschikking komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. 6.2. Het Gerecht zal hierna, aan de hand van de standpunten van partijen zoals deze ook in de na de schorsing ingediende schriftelijke stukken en op de nadere zitting naar voren zijn gebracht, beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand te laten. Indien dit niet het geval is, zal het Gerecht bezien of aanleiding bestaat om, overeenkomstig het verzoek van eiseres, zelf in de zaak te voorzien. Toetsingskader en geschil 7.1. Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen en beleidsregels verwijst het Gerecht naar de bijlage bij de eerdere uitspraak, die hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Het Gerecht merkt aanvullend op dat artikel 22 van de Bwv een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden bevat. Een bouwvergunning mag uitsluitend op de in dat artikel genoemde gronden worden geweigerd en moet worden geweigerd indien een van die gronden zich voordoet. 7.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerder de weigering uitsluitend heeft gebaseerd op de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. Hoewel in de bestreden beschikking tevens wordt verwezen naar een Een redelijke uitleg van het beleid brengt mee dat bij de beoordeling of sprake is van een steile helling als bedoeld in het beleid, moet worden uitgegaan van de gemiddelde hellingsgraad van het gebied waarop het bouwplan betrekking heeft. Niet in geschil is dat deze gemiddelde hellingsgraad minder dan 40 graden bedraagt. Reeds hierom geldt op grond van de HSP geen bouwverbod ter plaatse van de beoogde bebouwing. 9.3. Ook de door verweerder genoemde algemene doelstellingen van de HSP en de algemeen gestelde risico’s van erosie en afwateringsproblematiek rechtvaardigen niet de conclusie dat het bouwplan hinder voor de omgeving oplevert. Eiseres heeft onderbouwd dat ter voorkoming van erosie keermuren worden gerealiseerd en dat ter verbetering van de afwatering een drainagesysteem is aangelegd, bestaande uit drainagegoten langs de wegen. Voor de aanleg van deze wegen heeft verweerder blijkens de overgelegde stukken een aanlegvergunning verleend, terwijl eiseres bovendien financieel heeft bijgedragen aan de plannen voor uitbreiding van de afwateringscapaciteit in de omgeving. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze maatregelen ontoereikend zouden zijn en heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd op welke wijze de algemene doelstellingen van de HSP zich tegen het bouwplan zouden verzetten. 9.4. Voor zover verweerder wijst op bestaande afwateringsproblemen op de lager gelegen Welfare Road bij hevige regenval, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze aan het bouwplan zijn toe te rekenen. Eiseres heeft blijkens de overgelegde stukken financieel bijgedragen aan plannen voor uitbreiding van de afwateringscapaciteit in de omgeving, terwijl onbetwist is dat verweerder deze plannen niet heeft uitgevoerd. Onder deze omstandigheden kan verweerder de bestaande problemen niet in redelijkheid aan het bouwplan tegenwerpen. Conclusie en gevolgen 10.1. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat de aanvraag van eiseres voor de gebouwen B1 en B2 in strijd is met de voorschriften uit de HSP. Verweerder heeft zich met verwijzing naar deze voorschriften evenmin in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan ontsiering of hinder oplevert als bedoeld in artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv. De weigering van verweerder berust derhalve op een onjuiste uitleg van het beleid en ontbeert een toereikende motivering. 10.2. Het voorgaande brengt mee dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Vervolgens dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, dan wel of het Gerecht aanleiding ziet om zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. 10.3. Het Gerecht stelt voorop dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ontsiering of hinder voor de omgeving beoordelingsruimte toekomt. Deze beoordelingsruimte is evenwel niet onbeperkt en veronderstelt dat het ingenomen standpunt berust op een kenbare, consistente en deugdelijk onderbouwde motivering. De open norm is in dit geval beleidsmatig geconcretiseerd in de HSP, waaraan verweerder zijn beoordeling heeft dienen te toetsen. 10.4. Het Gerecht ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder is, ondanks twee beroepsprocedures en meerdere gelegenheden om de gebreken in zijn besluitvorming te herstellen, er niet in geslaagd het standpunt dat sprake is van ontsiering of hinder voor de omgeving toereikend te motiveren. Het betreft een steeds gelijk gebleven motiveringsgebrek, dat ook na de eerdere uitspraak van het Gerecht niet is hersteld, zodat verweerder geen, althans onvoldoende, uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak. 10.5. Voorts is sprake van een aanzienlijk tijdsverloop sinds de indiening van de bouwaanvraag in april 2022, en aannemelijk is dat de belangen van eiseres daardoor onevenredig worden geschaad. Gelet hierop