Rechtspraak 2026-08-19
ECLI:NL:OGEAM:2026:119
Onderzoek Jasmine. Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren wegens het medeplegen van oplichting van het Land Sint Maarten en gewoontewitwassen. Redelijke termijn overschreden. Parketnummer: 100.00430/24 Uitspraak: 19 augustus 2026 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [Land], wonende op het adres [adres]. 1 Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2025, 13 maart 2025, 28 juli 2026, 29 juli 2026 en 30 juli 2026. Standpunt Openbaar Ministerie De officieren van justitie, mr. LE.M. Wösten en mr. G.P. Sholeh (hierna: het Openbaar Ministerie), hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Standpunt verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Hierna zal door het Gerecht – voor zover relevant – de specifieke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden besproken. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 28 juli 2026 – ten laste gelegd de feiten die zijn opgenomen in bijlage 1 van dit vonnis. 3 Formele voorvragen Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feiten 1 en 2 De verdediging heeft – zo begrijpt het Gerecht pagina 3 van het pleidooi – bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 nietig is, nu het Openbaar Ministerie niet per project heeft geconcretiseerd welk verwijt de verdachte wordt gemaakt en welk bedrag – per project – zou zijn witgewassen. Hierdoor heeft de verdachte zich niet effectief kunnen verdedigen. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is en dat de verdediging haar standpunt heeft onderbouwd met criteria die niet gelden bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding. Verder heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat tijdens het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat het voor de verdachte niet duidelijk was wat hem werd verweten. Het Gerecht is het volgende van oordeel. De dagvaarding moet een zodanige opgave van de tenlastegelegde feiten bevatten, zodat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht (artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). De inhoud van de tenlastelegging wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van de letterlijke tekst, maar moet mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier. Het Gerecht is van oordeel dat op grond van de tekst van de tenlastelegging en tegen de achtergrond van het dossier, helder was waartegen de verdachte zich had te verdedigen bij de verdenkingen als ten laste gelegd onder 1 en 2. Zowel de aanduidingen in tijd en plaats als de concrete projecten en gedragingen zijn steeds afzonderlijk en specifiek omschreven en daarmee voldoende bepaald. Bovendien is ter terechtzitting op geen enkel moment gebleken dat het voor de verdachte niet duidelijk was wat hem werd verweten, ook niet daar waar het ging om de betalingen en bedragen in het kader van feit 2, het witwassen. Het verweer wordt verworpen. Conclusie voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4. Beoordeling van het bewijs Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot een bewezenverklaring. 4.1. Inleiding Het strafrechtelijk onderzoek Jasmine betreft het onderzoek naar onder andere vermeende onregelmatigheden bij het aanbesteden van meerdere overheidsprojecten tijdens het bewind van toenmalig (demissionair) minister van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] was in december 2016 aangesteld als minister van het ministerie van VROMI en hij bleef in deze functie tot de aanstelling van de nieuwe minister op 18 januari 2018 (vanaf 2 november 2017 was [medeverdachte 2] demissionair). [Medeverdachte 2] was als minister verantwoordelijk voor het wel of niet toekennen aan bedrijven van overheidsprojecten die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van VROMI vielen. [Medeverdachte 1] is gedurende een langere periode – in verschillende functies en binnen meerdere ministeries – werkzaam voor de overheid van Sint Maarten. [Medeverdachte 1] was in de periode 20 december 2016 tot en met 18 januari 2018, werkzaam als Chef de Kabinet/senior Vakspecialist bij het kabinet van het ministerie van VROMI. In deze functie was zij onder meer belast met: het dagelijks management van het kabinet van de minister van het ministerie van VROMI; het lezen van de adviezen, bekijken of de offertes onderdeel uitmaakten van de adviezen en bekijken of de informatie klopte, voordat dit allemaal naar de minister gaat. Indien juridisch iets niet klopte aan het advies, dan moest [medeverdachte 1] dit aangeven bij de minister. Op 6 september 2017 werd Sint Maarten getroffen door de orkaan Irma. Het is een feit van algemene bekendheid dat de orkaan Irma aanzienlijke verwoestingen heeft aangebracht op Sint Maarten, waarbij forse schade is veroorzaakt aan huizen, (overheids-)gebouwen en de infrastructuur van Sint Maarten. Gelet op de situatie na de orkaan is het Gerecht zich ervan bewust dat het voor de ministers en de ambtenaren van Sint Maarten, zoals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], een uitdaging moet zijn geweest om in die periode hun werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te verrichten. Kort na de orkaan zijn de hierna te noemen overheidsprojecten, die onder de verantwoordelijkheid vielen van het ministerie van VROMI, gegund aan het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). [bedrijf 1] had toen en heeft ook nu als managing director: [verdachte]. [Verdachte] is de partner van voornoemde [medeverdachte 1] en zij worden beiden aangemerkt als aandeelhouders van [bedrijf 1] in de ‘final tax returns for profit’ voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Volgens het Openbaar Ministerie hebben bij de gunning van de overheidsprojecten ‘Basketball Court Great Bay’, ‘Keys Bridge’, ‘Prince Bernard Bridge’ en ‘Repairs Roadside barriers & railings’ aan [bedrijf 1] strafbare handelingen plaatsgevonden, gepleegd door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte]. 4.2. De verweten gedragingen [Verdachte] wordt onder feit 1 verweten dat hij zich met betrekking tot voornoemde projecten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Daarbij wordt hem – in de kern – verweten dat: offertes van [bedrijf 1] (hierna weer: [bedrijf 1]) en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) op elkaar waren afgestemd, zodat het bedrijf [bedrijf 1] de opdrachten van voornoemde projecten toegewezen zou krijgen; door [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] niet is onderzocht of de ingestuurde offertes marktconform waren en eveneens niet is onderzocht of de gang van zaken bij de voornoemde projecten voldeed aan (intern) beleid zoals de PtP-procedure; offertes kort na indienen al werden geaccordeerd door minister [medeverdachte 2]; [medeverdachte 2] de projecten aan [bedrijf 1] heeft gegund, zonder daarbij in de beoordeling andere ambtenaren te betrekken en/of juist ambtenaren buitenspel te zetten bij deze beslissingen; [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hun positie binnen het ministerie van VROMI hebben aangewend om voornoemde projecten aan [bedrijf 1] te gunnen en hun positie eveneens te gebruiken voor het spoedig uit laten betalen van betalingen door adviezen als ‘urgent’ te bestempelen; verdachte en medeverdachten hun vriendschappelijke relatie niet kenbaar hebben gemaakt aan het publiek en/of andere (relevante) ambtenaren; nevenfuncties niet gedeeld zijn, in het bijzonder door [medeverdachte 1] binnen het bedrijf [bedrijf 1]. Aldus zouden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich hebben voorgedaan als respectievelijk een betrouwbare en integere Chef de Kabinet en minister van het ministerie van VROMI, waardoor het Land Sint Maarten bewogen is tot afgifte van de projecten en geldbedragen. [Verdachte] wordt onder feit 2 verweten dat hij de ontvangen geldbedragen voor voornoemde projecten, te weten een totaalbedrag van NAf 238.987,62, samen met (onder andere) [medeverdachte 1] heeft witgewassen, en dat zij samen met hem van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging met betrekking tot het tenlastegelegde – in essentie – bepleit dat niet bewezen kan worden dat er in strijd is gehandeld met procedurele regels. De Procure-to-Pay (PtP)-procedure gold immers (formeel) niet ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De projecten zijn bovendien toegekend binnen het mandaat van [medeverdachte 2] als minister van VROMI. De partner van de verdachte, [medeverdachte 1], had bij het toekennen van de projecten geen beslissingsbevoegdheid. [verdachte], die geen ambtenaar is, had eveneens geen zeggenschap over de interne aanbestedingsprocedure en had geen toegang tot het besluitvormingsproces door de minister. Bovendien kon de verdachte niet weten dat zijn offertes lager waren dan [bedrijf 2] en ook niet dat de offertes van [bedrijf 2] niet waren ondertekend. [verdachte] kon aldus geen wetenschap hebben van een vermeende schijnconstructie. Een eventuele procedurele tekortkoming van de overheid kan niet zonder meer aan [verdachte] worden toegerekend, aldus de verdediging. [Medeverdachte 1] had daarnaast toestemming om nevenwerkzaamheden te verrichten naast haar functie als Chef de Kabinet. Verder was de urgentie van deze projecten een gegeven, gelet op de noodtoestand waarin het Land Sint Maarten destijds verkeerde na de orkaan. De werkzaamheden met betrekking tot deze projecten zijn ook allemaal gestart en het merendeel is afgerond door [verdachte]. Met betrekking tot specifiek het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging bepleit dat het merendeel van de ontvangen gelden zijn gebruikt voor deze projecten. De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Het Gerecht zal hierna allereerst het juridisch kader van oplichting en (gewoonte)witwassen weergeven. Vervolgens zullen de feiten en omstandigheden met betrekking tot de tenlastegelegde feiten en de rol van de verdachte en medeverdachten worden besproken. Het Gerecht zal vervolgens beoordelen of sprake is geweest van strafbaar handelen door de verdachte. 4.3. Het juridisch kader van de tenlastegelegde feiten Oplichting (2:305 Sr) Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het kenmerk van oplichting is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te kunnen maken (Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889). Daartoe moet de verdachte één of meer van de in de wet bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt om de ander te bewegen tot bepaalde gedragingen, zoals het aangaan van een schuld of de afgifte van goederen of geldbedragen. Van het in het bestanddeel ‘bewegen tot’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot die bepaalde gedragingen. Het antwoord op de vraag of de ander mede onder invloed van die onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot dit gedrag, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren de mate waarin de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Oplichting in de zin van de wet is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Tot slot moet voor een bewezenverklaring van oplichting worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen. Uit het hiervoor aangehaalde standaardarrest van de Hoge Raad inzake oplichting leidt het Gerecht verder af dat het bij het oplichtingsmiddel “een samenweefsel van verdichtsels” in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen, die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Daarvan kan sprake zijn als meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook als een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden, tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. De oplichtingsbepaling beschermt niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat voor een bewezenverklaring van dit oplichtingsmiddel niet is vereist dat elke gesproken en/of geschreven uiting een leugenachtige mededeling oplevert. Bij de beantwoording van de vraag of van een samenweefsel van verdichtsels sprake is geweest, moeten in casu de aan het Land Sint Maarten gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen, zoals uitgewerkt in de verschillende gedachtestreepjes, in onderling verband en samenhang worden bezien. Witwassen Voor een veroordeling van witwassen is vereist dat aannemelijk is dat het voorwerp, waaronder chartaal en giraal geld, afkomstig is uit enig misdrijf. Het misdrijf hoeft niet nader te worden aangeduid of omschreven. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf (gronddelict), kan niettemin bewezen worden geacht dat het een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (vgl. Hoge Raad 10 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 en Hoge Raad 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194). Op het moment dat het verband tussen een voorwerp en het gronddelict wel helder is, dan is het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ snel bewezen. Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die ‘onmiddellijk’ uit een door de verdachte begaan misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de ‘onmiddellijke’ afkomst uit een zelf gepleegd misdrijf zijn als factoren vooral van belang of: naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160, ro. 2.3.1 en 2.3.2 en Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het omzetten van een voorwerp, het wisselen van geld of goederen met een andere geldswaarde of met handelsartikelen betekent. Aan het bestanddeel omzetten komt voldoende feitelijke betekenis toe (Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770). Voor de strafbaarheid van witwassen is vereist dat de pleger ‘wist’ dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig goed betrof. Onder weten is voorwaardelijk opzet begrepen. De wetenschap kan al bestaan ten tijde van de gedraging, maar kan ook later ontstaan. Blijft de verdachte het voorwerp dan desondanks onder zich houden, dan maak hij zich vanaf dat moment schuldig aan witwassen. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een ‘gewoonte’ van witwassen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat de verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf (Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701 en Hoge Raad 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:734), of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan. In de tenlastelegging komt aan de term ‘gewoonte’ voldoende feitelijke betekenis toe (Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701 en Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770). Als wordt bewezenverklaard dat de verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. 5 Overwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 Op 6 september 2027 heeft de orkaan Irma het land Sint Maarten geteisterd en verwoestingen aangebracht. Het zwaartepunt in die periode lag bij het opruimen van puin en de wederopbouw van wegen, gebouwen en – ondermeer – het vliegveld van Sint Maarten. Voor iedereen betrokken bij het opruimen en de wederopbouw is het een zware periode geweest, ook voor betrokken ministers en ambtenaren. Het Gerecht moet evenwel beoordelen of het handelen dat de verdachte wordt verweten strafrechtelijk verwijtbaar is, los van de impact van de orkaan op ministers, ambtenaren en betrokken burgers. Startpunt bij deze beoordeling is dat [medeverdachte 1] Chef de Kabinet was bij het ministerie van VROMI en [medeverdachte 2] de minister van het ministerie van VROMI. [Medeverdachte 2] was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het toekennen van overheidsprojecten die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van VROMI vielen. [Verdachte], de partner van [medeverdachte 1], was managing-director van het bedrijf [bedrijf 1]. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] waren toen, en zijn tot en met de dag van vandaag, beiden aandeelhouders van het bedrijf [bedrijf 1]. Het Gerecht zal nu eerst stilstaan bij de van toepassing zijnde regelgeving ten aanzien van (aanbestedings)projecten. 5.1. Van toepassing zijnde regelgeving Het Gerecht stelt bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 vast dat de Comptabiliteitsverordening (hierna: de verordening) gold in de ten laste gelegde periode. Met name artikel 47 van de verordening is naar het oordeel van het Gerecht van belang, namelijk: De uitvoering van werken, en het inkopen van goederen of diensten door het Land wordt in het openbaar aanbesteed. Het vaststellen van de begroting houdt geen afwijking van het eerste lid in. In afwijking van het eerste lid, is een openbare aanbesteding niet vereist indien de geprojecteerde besteding: a. het bedrag van NAf. 50.000,00 niet te boven gaat in geval van de inkoop van diensten of goederen; b. het bedrag van NAf. 150.000,00 niet te boven gaat in geval van de uitvoering van werken. 4. Bij landsbesluit op voordracht van Minister van Financiën kan van het eerste lid en derde lid worden afgeweken, indien: a. het inkopen van goederen of diensten, of de uitvoering van werken noodzakelijk is als gevolg van een ramp, of b. het algemeen belang zich verzet tegen uitstel van de aanbesteding. 5. Een landsbesluit als bedoeld in het vierde lid wordt terstond aan de Staten gezonden. 6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels vastgesteld voor de wijze waarop een aanbesteding wordt ingericht en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het vierde lid. Uit de woorden ‘geprojecteerde besteding’ in lid 3 leidt het Gerecht af dat voorafgaand aan een project moet worden bepaald hoeveel dat project waarschijnlijk zal gaan kosten om te kunnen bepalen of een overheidsproject openbaar moet worden aanbesteed of, indien de hiervoor vermelde drempelbedragen niet worden gehaald, het project onderhands kan worden aanbesteed. 5.2. Aanleiding onderzoek Op 12 februari 2018 stuurde toenmalig Secretary General (SG) van het ministerie van VROMI, [getuige 1], naar toenmalig minister van het ministerie VROMI, [betrokkene 1], een e-mailbericht. Op verzoek van [betrokkene 1] had [getuige 1] onderzoek gedaan naar relevante overheidsopdrachten (inzake Werken) in de laatste weken van de vorige regering. Uit voormelde e-mailbericht kan worden afgeleid dat de volgende drie projecten als betwistbaar konden worden beschouwd, aldus [getuige 1]: IV 5769 for Emergency to the Prince Bernhard Bridge van 11 oktober 2017 (NAf 149,768,25) IV 5753 for construction of a basketball court in Great Bay van 11 oktober 2017 (NAf 49.873,44) IV5757A Emergency repairs to Roadside barriers van 11 oktober 2017 (Naf 137.023,23; 4 separate assignments) [Getuige 1] geeft verder in dit e-mailbericht aan [betrokkene 1] – samengevat en zakelijk weergegeven – aan dat: er geen openbare aanbestedingen nodig waren voor deze drie projecten; voor deze projecten wel drie offertes vereist waren, terwijl in bovengenoemde zaken slechts twee offertes waren ingediend; de twee offertes telkens waren ingediend door dezelfde twee aannemers; de projecten alle drie zijn gegund aan [bedrijf 1] (hierna weer: [bedrijf 1]), het bedrijf van de echtgenoot/compagnon van de Chef de Kabinet van VROMI (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 1]); de offertes van [bedrijf 2] (hierna weer: [bedrijf 2]), ook vragen oproepen; voor deze drie als betwistbaar aan te merken projecten een aanbetaling van 50% was goedgekeurd, voordat de werkzaamheden werden uitgevoerd en zonder enige vorm van garantie voor de aanbetalingen. [Getuige 1] schrijft dat dit zeer ongebruikelijk is binnen de overheid; in alle drie de gevallen de beleidsadviseur en het hoofd van de afdeling Infrastructure Management (hierna: IM) genoemd zijn als contactpersonen voor de projecten, maar er geen documentatie verstrekt is over de uitvoering van de projecten; het hoofd van de afdeling IM van het ministerie van VROMI beweerde in het geheel niet betrokken te zijn geweest bij de projecten. [Getuige 1] komt in zijn e-mail tot de conclusie dat hij vermoedt dat [bedrijf 2] een nepbedrijf is en er gefraudeerd is om de indruk te wekken dat er twee offertes zijn uitgebracht. Het toewijzen van de projecten voldoet volgens [getuige 1] niet aan de minimumeisen van de overheid voor het toewijzen van projecten en het financieel beheer ervan. Op basis van het voorgaande en de daarop betrekking hebbende stukken in het dossier stelt het Gerecht vast dat [getuige 1] ten tijde van voornoemd e-mailbericht van 12 februari 2018 (weer) in functie was als SG van het ministerie van VROMI en dat hij dit onderzoek heeft uitgevoerd naar aanleiding van een door de minister [betrokkene 1] van VROMI gegeven opdracht aan [getuige 1]. Het onderzoek naar relevante overheidsprojecten tijdens (de laatste periode van) het ministerschap van [medeverdachte 2] was aldus niet op initiatief van [getuige 1] en heeft pas plaatsgevonden op het moment dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geen rol meer vervulden binnen het kabinet van het ministerie van VROMI. De stelling van de verdediging dat [getuige 1] geen enkele wetenschap kon hebben van de projecten omdat hij niet werkzaam was als SG in die periode, is gelet hierop niet relevant nu uit het dossier duidelijk blijkt dat het ging om een onderzoek achteraf en [getuige 1] op dat moment wel (weer) in functie was als SG. 5.3. De aanbestedingsprocedure Het Gerecht acht het bij de beoordeling of sprake is geweest van strafbaar handelen door de verdachte en medeverdachte(n) allereerst van belang om vast te stellen of er ten tijde van de tenlastegelegde periode een aanbestedingsprocedure gold en, zo ja, of deze ook gevolgd diende te worden, gelet op de door de verdediging gestelde noodsituatie naar de orkaan Irma. De verdediging heeft in dit kader namelijk betwist dat er beleid bestond binnen het ministerie van VROMI bij het aanbesteden van overheidsprojecten, in het bijzonder (direct) na de orkaan Irma, nu er op dat moment sprake was van een noodsituatie. De verdediging heeft hier toe aangevoerd dat (het pilotproject van) de Procure to Pay-procedure (verder: PtP-procedure) destijds niet zou hebben gegolden binnen het ministerie van VROMI. Uit het dossier leidt het Gerecht af dat de PtP-procedure – kort gezegd – een (financiële) procedure betreft die gebruikt wordt bij het inkopen van diensten en werken door de overheid. In de PtP-procedure staat bijvoorbeeld beschreven hoeveel offertes opgevraagd moeten worden, afhankelijk van de (vooraf berekende) totaalprijs van een project. Ook heeft de verdediging in dit kader aangevoerd dat de minister van het ministerie van VROMI het mandaat (het Gerecht begrijpt: ex artikel 47 lid 4 van de verordening) had gekregen om alles te doen wat nodig was in de periode na de orkaan Irma. Het toekennen van de tenlastegelegde overheidsprojecten, zonder een adviesronde, viel binnen dit mandaat van de minister, aldus de verdediging. Het Openbaar Ministerie heeft zich in dit verband – samengevat – op het standpunt gesteld dat er weldegelijk sprake was van een te volgen aanbestedingsprocedure, ook in de periode na de orkaan Irma. Daarbij hebben zij met name verwezen naar door getuigen beschreven aanbestedingsprocedure. Het Gerecht stelt vast dat zich in het dossier diverse getuigenverklaringen bevinden, waarin door ambtenaren van (onder andere) het ministerie van VROMI beschreven wordt op welke wijze overheidsprojecten gegund zouden moeten worden door de overheid. Het Gerecht acht de volgende getuigenverklaringen van belang om in dit kader te bespreken. [Getuige 2] Eén van de getuigen betreft [getuige 2] en ten tijde van de tenlastegelegde feiten was zij financial controller binnen het ministerie van VROMI. Zij heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard bij de rechter-commissaris en de politie. Bij de aanbestedingsprocedure werd gebruikt gemaakt van de Comptabiliteitsverordening, de PtP-procedure en het mandaatregister. Deze drie documenten vormen het kader bij aanbestedingen. De PtP-procedure is gebaseerd op de Comptabiliteitsverordening en het mandaatregister bepaalt wie binnen het Land Sint Maarten geautoriseerd is om verplichtingen aan te gaan voor het Land Sint Maarten. De Comptabiliteitsverordening geldt voor alle aanbestedingen, dus ook voor onderhandse aanbestedingen. De getuige [getuige 2] verklaarde verder dat zij in haar rol als financial controller de projecten beoordeelde en advies gaf aan de SG van het ministerie van VROMI. Na het plaatsen van haar handtekening ging het adviesblad naar de SG. De SG maakte vervolgens een memo en het gehele adviesblad ging daarna naar de afdeling Financieel Beheer en Beleid van de Begroting (hierna: FBBB) van het ministerie van Financiën. Als er werd afgeweken van de PtP-procedure, dan moest dit – ook tijdens de rampperiode – worden uitgelegd in een schriftelijk stuk. Ook indien er een mandaat zou zijn afgegeven aan de minister om af te wijken van procedures, geldt volgens [getuige 2] dat uitgelegd moet worden waarom er wordt afgeweken, want ‘ anders kan je de opdracht aan je moeder, zus en broertje zomaar geven ’, aldus de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris. Een advies met daarin een afwijking van de PtP-procedure gaat bovendien altijd naar de ministerraad. Over het benaderen van bedrijven door de overheid voor het aanbesteden van projecten verklaarde zij dat het inderdaad voorkwam dat er maar één of twee reacties binnenkwamen van aannemers. Echter, de reden hiervan moest vervolgens wel blijken uit de aangeleverde stukken, bijvoorbeeld uit een e-mail, WhatsApp-bericht of een brief. Het voorgaande gold ook in de periode na de orkaan Irma. Deze onderbouwende stukken worden aangeleverd bij de SG of de hoofd van de departementen. Als een stempel ‘urgent’ op het advies stond, dan controleerde zij waarom het een urgent project was. Dit deed zij ook weer op basis van onderbouwende stukken, bijvoorbeeld een e-mailbericht. De minister moest uiteindelijk verantwoorden waarom hij een project urgent vond. [Getuige 3] Een andere getuige betreft de heer [getuige 3], sectiehoofd van de afdeling personeel en organisatiebeleid van het Land Sint Maarten. Over de procedure van binnengekomen aanvragen/verzoeken verklaarde de getuige als volgt, samengevat en zakelijk weergegeven. Als een verzoek bij het ministerie van VROMI binnenkomt, dan wordt er een behandelaar aangewezen. De behandelaar heeft dan het contact over het maken van een afspraak of het aanleveren van stukken. De behandelaar maakt vervolgens een advies op. Dat advies met onderliggende stukken gaat vervolgens naar de hoofd van de afdeling waar de behandelaar werkt. Als er financiële consequenties aan een besluit verbonden zijn, dan moet ook het hoofd van financiën tekenen. Ook de controller en de SG van het ministerie moeten het advies tekenen. Vervolgens gaat de aanvraag naar de minister. De minister is de persoon die beslist. Dit proces geldt voor alle aanvragen (het Gerecht begrijpt: dus ook voor aanbestedingsprojecten). Over de regels met betrekking tot de inkoop door de overheid verklaarde de getuige dat daarvoor regels golden. Vanaf 2010 gold de Comptabiliteitsverordening. Daarnaast zijn er interne regels binnen de verschillende ministeries. Als een aanvraag bij het ministerie van Financiën kwam en niet voldeed aan de offertevereisten, dan konden er problemen ontstaan. Verder verklaart de getuige bij de rechter-commissaris nog het volgende, samengevat en zakelijk weergegeven. Er zijn ministers die artikel 8 van de Landsverordening Inrichting en Organisatie Landsoverheid (verder: LIOL) misbruikt hebben en hun minister buitenspel hebben gezet door dit artikel aan te halen. Daar is dit artikel niet voor bedoeld. Wij hebben – onlangs nog – geadviseerd om dit artikel te schrappen. De getuige geeft aan dat hij weet wie [medeverdachte 2] is, maar kent hem niet persoonlijk of privé. Hij is één van de mensen die artikel 8 van de LIOL gebruikte om de SG buitenspel te zeten. De minister van Justitie voor hem heeft dit ook gedaan, maar er was nog nooit een minister van VROMI die dat gedaan had. De getuige weet niet waarom [medeverdachte 2] de SG buitenspel heeft gezet, anders dan ‘hear say’. [Getuige 4] De getuige [getuige 4] is ook gehoord bij de rechter-commissaris. Hij was destijds diensthoofd van de afdeling Nieuwe Werken binnen het ministerie van VROMI en verklaarde samengevat en zakelijk weergegeven voor zover relevant als volgt. Zijn afdeling adviseerde over de technische aangelegenheden van een aanvraag. Ook bij onderhandse aanbestedingen is er sprake van een term of references (verder: TOR). Over het toewijzen van een project aan bedrijf, specifiek na de orkaan Irma, verklaarde de getuige als volgt. De Comptabiliteitsverordening overstijgt de PtP-procedure. Voordat personen werden benaderd voor een project werd een kosteninschatting gemaakt, omdat dit van belang was voor de vraag hoeveel offertes opgevraagd moesten worden. Het bedrag dat uit de kostenraming komt, is alles bepalend voor de vraag welke procedure gevolgd moest worden (het Gerecht begrijpt: een openbare of een onderhandse aanbesteding). Dit is een harde grens. Zij (het Gerecht begrijpt: de afdeling Nieuwe Werken) benaderde aannemers met de vraag of zij bereid waren om een project kunnen doen. Nieuwe Werken probeerde zoveel mogelijk aannemers te bereiken voor de benodigde offertes, maar soms moest worden volstaan met één offerte. In die situatie moest in het advies worden onderbouwd waarom er toch aan deze aannemer gegund moest worden. In het advies werd eveneens opgeschreven welke en hoeveel aannemers waren benaderd en uitgenodigd om een offerte in te dienen. Het vereiste van het aanvragen van meerdere offertes bestond altijd al. [Getuige 5] Getuige [getuige 5], destijds minister van Financiën, heeft, samengevat en zakelijk weergegeven, verklaard dat de afdeling IM verantwoordelijk was voor het benaderen van de bedrijven, maar in deze gevallen werd dat klaarblijkelijk gedaan door het kabinet van de verdachte. Het vergelijken van offertes valt normaliter onder de Beheersdienst. [Getuige 1] De getuige [getuige 1] is op 11 maart 2022 bij de politie gehoord als getuige. Hij verklaarde – samengevat en zakelijk weergegeven – dat hij van juni/juli 2010 tot en met eind juni/juli 2021 SG van het ministerie van VROMI was. In zijn functie was hij verantwoording schuldig aan de minister van VROMI, [medeverdachte 2], en de ministerraad van Sint Maarten. Vanaf ongeveer 29 augustus 2017 werd hij door [medeverdachte 2] aan de kant geschoven als SG. Vanaf dat moment wilde [medeverdachte 2] niet meer dat [getuige 1] zich bemoeide met de dagelijkse werkzaamheden bij het ministerie van VROMI. Voordat [getuige 1] op non-actief werd gesteld, kwamen de TOR en het bijbehorende adviesblad in het kader van de aanbestedingsprojecten altijd langs hem om te beoordelen. [Getuige 1] gaf aan dat de Comptabiliteitsverordening van toepassing was bij het toekennen van een project aan een bedrijf en wees daarbij specifiek op artikel 47 van de verordening. Hij heeft verklaard dat de PtP-procedure een intern handboek betreft ten aanzien van onderhandse aanbestedingen, opgesteld door het ministerie van Financiën, waarin de procedure staat beschreven die de financiële afdeling volgt om betalingen te faciliteren. [getuige 1] verklaarde dat de normale procedure binnen het ministerie van VROMI in de periode 2017-2018 met betrekking tot het toekennen van een project aan een bedrijf als volgt was. Bij projecten onder de NAf 150.000,- bereidt de afdeling IM een TOR voor. Deze TOR wordt naar de aannemer gestuurd en de aannemer wordt uitgenodigd om een bieding te doen (het Gerecht begrijpt: uitgenodigd om een offerte in te dienen). In een dergelijk geval worden minimaal drie aannemers benaderd en gevraagd om een offerte in te dienen. Vervolgens wordt de aannemer met de beste prijs uitgekozen. De afdeling IM bekijkt de offertes en bereidt dan een aanbesteding voor. De afdeling moet het advies tekenen om de opdracht voor het werk te kunnen geven. Daarna gaat het advies naar de financial controller van het ministerie van VROMI die het advies ook moet tekenen. Vervolgens gaat het advies naar de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën waar het advies ook getekend moet worden. De SG van Financiën moet het advies ook tekenen. [Getuige 1] verklaarde verder dat destijds de toegewezen Werken (het Gerecht begrijpt: de overheidsprojecten) afgehandeld werden door het kabinet van minister [medeverdachte 2]. Normaal gesproken werd dit gedaan door de afdeling IM. Met betrekking tot de procedure van aanbesteden van projecten was er geen onderscheid voorafgaand aan de orkaan Irma en na de orkaan Irma, hooguit gold er een uitzondering voor de opruimwerkzaamheden in de periode na orkaan Irma. Met betrekking tot betalingen gaf [getuige 1] aan dat bij werkzaamheden altijd een betaalschema werd opgesteld. Er werden nooit betalingen gedaan voordat diensten werden verleend tenzij door een aannemer een bankgarantie was afgegeven. Dit gold ook voor aanbestedingen. De verdediging heeft de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] betwist. Het Gerecht stelt vast dat de verklaring die de getuige heeft afgelegd bij de politie gedetailleerd is en bovendien op essentiële punten in overeenstemming is met hetgeen door de andere getuigen is verklaard en – zoals hierna ook zal blijken – ook uit de overige inhoud van het dossier kan worden afgeleid. Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen. Het Gerecht zal deze verklaring dan ook betrekken bij de beoordeling van het bewijs. Conclusie aanbestedingsprocedure De verdediging heeft betwist dat er beleid bestond binnen het ministerie van VROMI bij het aanbesteden van overheidsprojecten. Echter, bovengenoemde getuigen verklaren – in de kern – allen gelijkluidend over de gangbare procedure bij het gunnen van overheidsprojecten binnen het ministerie van VROMI. Het Gerecht heeft geen aanleiding om aan deze verklaringen en de daarin beschreven werkwijze te twijfelen. Deze beschrijving van de procedure bij het gunnen van aanbestedingsprojecten vindt ook steun in de opmaak van de adviesbladen, nu daaruit zonder meer kan worden afgeleid dat er meerdere controlemechanismes waren ingebouwd ten behoeve van een zorgvuldige afhandeling van een aanbestedingsprocedure en een goed onderbouwde gunning van een overheidsproject. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam dat er ten tijde van de tenlastegelegde projecten een intern vastgestelde en geldende procedure bij het aanbesteden van projecten bestond. Of deze procedure wel of niet ‘de PtP-procedure’ werd genoemd en/of de PtP-procedure al (definitief) was vastgelegd in beleidstukken, acht het Gerecht dan ook niet van belang. Het Gerecht verwerpt de verweren van de verdediging op dit punt. Voor zover de verdediging naar voren heeft willen brengen dat in de onderhavige periode lid 4 onder a van artikel 47 van de verordening van toepassing was (rampsituatie), dan wel een andere uitzonderingsgrond van toepassing was, passeert het Gerecht dit verweer, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting nergens het vereiste Landsbesluit, dan wel een ander officieel stuk van het Land Sint Maarten, voor deze vermeende uitzonderingssituatie naar voren is gekomen of is overgelegd door de verdediging. Ook uit de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het Gerecht niet gebleken dat [medeverdachte 2] als minister van VROMI destijds alles mocht beslissen wat hem op dat moment goed leek om te doen, zonder daarbij de (interne) procedures te volgen. Bovendien acht het Gerecht de aanwezigheid van (onvolledige) adviesbladen, passend in de door de getuigen beschreven procedure, juist een contra-indicatie voor de stelling van de verdediging dat [medeverdachte 2] als minister van VROMI, naar aanleiding van de orkaan Irma, als het ware een zogenaamde vrijbrief (mandaat) had gekregen. Hoewel sprake was van een uitzonderlijke situatie als gevolg van de orkaan Irma, is het Gerecht van oordeel dat gelet op de beschreven getuigenverklaringen voldoende vast is komen te staan dat ook onder deze omstandigheden de regels voor het gunnen van overheidsprojecten golden. De hiervoor omschreven gangbare procedure bij aanbestedingen van projecten binnen het ministerie van VROMI, zal hierna, voor zover van belang, dan ook als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling of sprake is geweest van strafbaar handelen. 5.4. De tenlastegelegde aanbestedingsprojecten De bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 1] Uit voornoemde e-mailbericht van de heer [getuige 1] was ten aanzien van de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten al gebleken dat de offertes waren ingediend door twee bedrijven, namelijk het bedrijf [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. Het bedrijf [bedrijf 2] is opgericht op 24 maart 2016 met als eigenaar [medeverdachte 3]. Het bedrijf [bedrijf 1] is opgericht op 6 januari 2012 met als managing director [verdachte]. Het Gerecht zal nu eerst de relevante feiten en omstandigheden met betrekking de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten beschrijven. Basketball Court Het project Basketball Court is toegekend aan het bedrijf [bedrijf 1]. Het bedrijf [bedrijf 1] heeft op 10 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 49.873,44 . [bedrijf 2] heeft op 11 oktober 2017 een offerte van NAf 58.750 ingediend. Bij beide offertes is het totaalbedrag niet gespecificeerd. In de offerte van [bedrijf 2] ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en er is een eveneens door [medeverdachte 2] getekende brief opgesteld met een stempel daarop met de datum 11 oktober 2017, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het ‘basketball court’-project in Great Bay. Ook wordt in deze brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] (politiek adviseur van het kabinet) en [betrokkene 3] (hoofd van IM) de contactpersonen zijn voor deze opdracht. [Betrokkene 2] heeft verklaard geen van de tenlastegelegde projecten te kennen en zijn naam komt verder ook niet op het adviesblad voor. Deze verklaring van [betrokkene 2] geldt ook voor de hierna nog te bespreken overheidsprojecten. Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 24 november 2017 opgesteld. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG van het ministerie van VROMI. Op pagina twee lijkt de minister van Financiën op 30 november 2017 geen akkoord te hebben gegeven voor deze financiering. Vervolgens lijkt er toch een akkoord te zijn van de minister van Financiën op 1 december 2017, met de notitie: ‘ reasons for not approving have been addressed’ . Op pagina drie staat bij contactpersoon 1: [betrokkene 3] en bij contactpersoon 2: [betrokkene 4]. Op pagina drie van het advies staat dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat uit het adviesblad en de overige inhoud van het dossier niet is gebleken of daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd en door wie. Wel wordt aangegeven dat [bedrijf 1] de opdracht heeft gekregen. Verder ontbreekt op pagina drie de handtekening van het hoofd van Financiën. De afdeling FBBB merkt op 29 november 2017 op dat er niet voldaan is aan de PtP-procedure, aangezien er op basis van het bedrag drie offertes waren vereist. De afdeling FBBB merkt verder het volgende op (vrij vertaald): ‘ Het advies maakt gebruik van een speciaal projectnummer voor uitgaven gerelateerd aan de orkaan Irma. Uit de toelichting op het advies blijkt echter dat het moeilijk zou zijn om een derde partij ervan te overtuigen dat dergelijke uitgaven verband houden met orkaan Irma ’. Op 4 december 2017 is door de overheid van Sint Maarten een bedrag van Naf 49.873,44 naar de rekening van [bedrijf 1] overgemaakt met als omschrijving: ‘Contstruction of Basketball Court Gr Bay’. Het Gerecht stelt vast dat hierdoor het totale bedrag is overgemaakt aan [bedrijf 1], terwijl in het advies werd aangegeven dat er een aanbetaling van 50% zou worden gedaan. Emergency Repairs Keys Bridge (Sucker Garden) Ook dit project is toegekend aan het bedrijf [bedrijf 1]. Het bedrijf [bedrijf 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 13.598,18 en op 5 oktober 2017 heeft [bedrijf 2] een offerte ingediend ten bedrage van NAf 15.278,10. Op de offerte van [bedrijf 2] staat geen naam van de vertegenwoordiger van het bedrijf, geen CRIB-nummer en de offerte was niet ondertekend. Ook de offerte van bedrijf 1] is niet ondertekend en is niet voorzien van een naam van een vertegenwoordiger van het bedrijf. Het Gerecht stelt vast dat in beide offertes niet is gespecificeerd hoe zij aan het totaalbedrag zijn gekomen. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en er is een getekende brief met een datumstempel van 11 oktober 2017, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het project Emergency Repairs Keys Bridge. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 1 december 2017 opgesteld. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG van VROMI. Op de derde pagina van het advies is opgeschreven dat twee bedrijven met laservaring zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat uit het adviesblad en de overige inhoud van het dossier niet is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd en door wie. Wel wordt aangegeven dat [bedrijf 1] de opdracht heeft gekregen. Verder ontbreekt op de derde pagina een handtekening van het hoofd van Financiën en zijn de namen van de contactpersonen niet ingevuld. Op 8 december 2017 ontving het bedrijf NAf 6.794,59 van de overheid (50% Emergency repairs Keys Bridge). Op 20 september 2018 heeft [medeverdachte 1], met haar e-mailadres van haar werk, navraag gedaan over de betalingen aan [bedrijf 1] voor de Keys Bridge. Op 21 september 2018 ontving [bedrijf 1] vervolgens het resterende deel. Prince Bernhard Bridge Dit project is eveneens toegekend aan het bedrijf [bedrijf 1]. [Bedrijf 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 149.768,25 en [bedrijf 2] op dezelfde datum een offerte van NAf 164.350. Op de offerte van [bedrijf 2] staat geen naam van de vertegenwoordiger van het bedrijf, geen CRIB-nummer en de offerte is niet ondertekend. In beide offertes is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en er is een getekende brief van [medeverdachte 2] met een datumstempel van 11 oktober 2017, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor de reparatie van de Prince Bernhard Bridge. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Verder zit in het dossier met betrekking tot dit project een urgent adviesblad van 24 november 2017. De handtekening van de SG van het ministerie van VROMI ontbreekt en ook de handtekening van de minister van Financiën en het hoofd van Financiën ontbreken. Op de derde pagina van het advies is op 24 november 2017 opgeschreven dat twee bedrijven met laservaring zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht stelt vast dat uit het adviesblad en de overige inhoud van het dossier niet is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd en door wie. Voorts wordt aangegeven dat [bedrijf 1] de opdracht heeft gekregen. Vervolgens heeft (vermoedelijk) [getuige 2] genoteerd dat de PtP niet is gevolgd, omdat er maar twee in plaats van drie offertes zijn. Op pagina drie van het adviesblad staan geen namen genoteerd bij de vakjes ‘contactpersoon 1’ en ‘contactpersoon 2’. Ook de afdeling FBBB merkt op dat de PtP niet is gevolgd, omdat er maar twee in plaats van drie offertes zijn opgevraagd en dat de offertes te simplistisch zijn opgesteld om het totaalbedrag te kunnen rechtvaardigen. Als het de bedoeling is dat de uitgaven teruggevorderd moeten worden van de hulpfondsen van Nederland, dan moet men zorgvuldiger zijn in het accepteren van offertes om de uitgaven op een transparantere manier aan een derde partij te rechtvaardigen, aldus de afdeling FBBB. De afdeling FBBB voegt aan hun advies een drietal voorbeeld-offertes toe. Bij onderhavig project zit ook een beslisblad van de ministerraad. De beslissing van de ministerraad is gelijkluidend aan het advies, namelijk dat er een akkoord is voor de betaling van bovengenoemd bedrag en de aanbetaling van 50%. Op 11 december 2017 is door de overheid van Sint Maarten een bedrag van NAf 146.395,75 overgeboekt naar en ontvangen door het bedrijf [bedrijf 1]. Op het overzicht van de overboeking stond vermeld ‘50% dep. for emergency repairs – NAf 74.884,13 en 50% dep. emer repairs road side barriers Naf 68.511,62’. [Medeverdachte 1] heeft op 20 september 2018, met het e-mailadres van haar werk, navraag gedaan over de betalingen aan [bedrijf 1] met betrekking tot de Prins Bernhard Bridge. Vervolgens is op 21 september 2018 door de overheid van Sint Maarten een bedrag van Naf 81.678,71 overgeboekt naar en ontvangen door [bedrijf 1]. Op het overzicht van de overboeking staat vermeld: ‘Final Pay for Emergency repairs to the Prins Bernhard Bridge Naf. 74.884,12’ en ‘Final Pay of emergency repairs to the Keys Bridge-Vromi Naf. 6.794,59’. Het Gerecht acht in dit kader verder nog van belang dat in de laptop van [medeverdachte 1] twee offertes zijn aangetroffen met betrekking tot reparatiewerkzaamheden aan de Prins Bernhard Bridge, opgemaakt geruime tijd voor de orkaan Irma. Het Gerecht stelt vast dat de offertes van destijds gespecifieerd zijn en dat de genoemde (totaal)bedragen aanzienlijk lager zijn dan de uiteindelijke ingediende offerte in onderhavige zaak. Repairs to Roadside barriers & raillings Bij dit project gaat het om vier verschillende ‘repairs’-projecten, waarbij door de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] voor deze vier projecten offertes zijn ingediend. Alle vier de projecten zijn aan [bedrijf 1] toegewezen. Het eerste project betreft de ‘emergency repairs to roadside barriers L.B. Scott Road, Little Bay en Emmaplein’. Het bedrijf [bedrijf 2] van [medeverdachte 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 50.123,46. In de offerte van [bedrijf 2] is niet gespecificeerd hoe aan dit totaalbedrag is gekomen en ook is de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening niet opgenomen in de offerte. Het bedrijf [bedrijf 1] heeft ook op 5 oktober 2017 een offerte ingediend ter hoogte van NAf 43.087,81. Op de offerte van [bedrijf 1] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en [medeverdachte 2] heeft een brief opgemaakt of laten opmaken met een datumstempel van 11 oktober 2017 die hij heeft ondertekend, gericht aan [verdachte], inhoudende de mededeling dat hij de opdracht kreeg voor het ‘Emergency repairs to Roadside barriers & raillings’-project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Verder is voor dit project een adviesblad van 17 november 2017 aangetroffen. Het Gerecht merkt hierbij op dat dit project kennelijk niet als urgent werd bestempeld, althans dat de stempel daarvan – anders dan bij de andere projecten – ontbreekt op het adviesblad. Op de eerste pagina ontbreekt de handtekening van de SG en van de controller van het ministerie van VROMI. Ook van de SG van Financiën ontbreekt een handtekening. Verder staat op de eerste pagina in grote letters het woord ‘Void’ (vrij vertaald betekent dit: nietig). Vermoedelijk is dit opgeschreven door de controller van het ministerie van VROMI, [getuige 2], omdat er rechtsboven op het advies een handtekening staat met ‘[getuige 2]’ en de datum van 28 november 2017. Verder merkt het Gerecht op dat pagina twee van het adviesblad ontbreekt. Op deze pagina wordt normaalgesproken de handtekening van de minister van VROMI, de minister van Financiën en de handtekening van de controller van het ministerie van Financiën genoteerd. Ook de handtekening van het hoofd van Financiën ontbreekt. Op de derde pagina van het advies is op 6 oktober 2017 opgeschreven dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat uit het adviesblad en de overige inhoud van het dossier niet is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd en door wie. Wel wordt aangegeven dat [bedrijf 1] de opdracht heeft gekregen. Op pagina drie van het adviesblad staan geen namen genoteerd bij de vakjes ‘contactpersoon 1’ en ‘contactpersoon 2’. Verder merkt de afdeling FBBB ook hier in het kader van onderhavig project op dat de offertes te simplistisch zijn opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen. Als het de bedoeling is dat de uitgaven teruggevorderd worden van de hulpfondsen van Nederland, dan moet men zorgvuldiger zijn in het accepteren van offertes om de uitgaven op een transparantere manier aan een derde partij te rechtvaardigen. FBBB voegt aan hun advies een drietal voorbeeld-offertes. Het tweede project betreft ‘painting of raillings in Ebenezer, Arbutus Road, Gladiola Road en Zagersgut Road’. Het bedrijf [bedrijf 2] van [medeverdachte 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 31.586. In de offerte van [bedrijf 2] is niet gespecificeerd hoe aan dit totaalbedrag is gekomen en ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. [Bedrijf 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 27.379,80. Op de offerte van [bedrijf 1] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en [medeverdachte 2] heeft een brief opgemaakt of laten opmaken met een datumstempel van 11 oktober 2027 die hij heeft ondertekend, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het ‘painting of raillings’-project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Van dit project is in het dossier geen apart adviesblad aangetroffen. Het derde project betreft ‘reparing to railings’. Het bedrijf [bedrijf 2] van [medeverdachte 3] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 53.985,22. In de offerte van [bedrijf 2] is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen en zijn de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening niet genoteerd. [Bedrijf 1] heeft op 5 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 47.055,45. Op de offerte van [bedrijf 1] staat geen naam genoteerd, maar wel een handtekening. De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en [medeverdachte 2] heeft een brief opgemaakt of op laten maken met een datumstempel van 11 oktober 2017 die hij heeft ondertekend, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het repairing to raillings project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Voor dit project is geen apart adviesblad aangetroffen. Het vierde project betreft ‘emergency reconstruction of rails at Apricot Road’. Het bedrijf [bedrijf 2] van [medeverdachte 3] heeft op 9 oktober 2017 een offerte ingediend voor een bedrag van NAf 24.540,10. In de offerte van [bedrijf 2] is niet gespecificeerd hoe het totaalbedrag tot stand is gekomen en ontbreken de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. Het bedrijf [bedrijf 1] heeft ook op 9 oktober 2017 een offerte ingediend van NAf 19.500,17. Op de offerte van [bedrijf 1] staat niet gespecificeerd hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Verder is er geen naam genoteerd op de offerte, maar er staat wel een handtekening op de offerte. In de tekst van de offerte staat de volgende passage: ‘Our company was subsequently requested to make an assessment of all other railings, guardrails, roadside barriers, gates and bridges on the island that would need attention. Our initial assessment was submitted in the month of August, however due to the passing of Hurricanes Irma and Maria a reassessment of the situation was executed. It recently came to our attention that the rails located at Apricot Road substained additional damage after passing of the storm due to the persons that frequently sit on them. The entire rails need to be reconstructed as a result as they no longer standing upright as they shoud’ . De offerte van [bedrijf 1] is op 11 oktober 2017 gestempeld door de minister van VROMI met de tekst ‘approved for execution’ en [medeverdachte 2] heeft een brief opgemaakt of op laten maken met een datumstempel van 11 oktober 2017 die hij heeft ondertekend, gericht aan [verdachte], inhoudende dat hij de opdracht kreeg voor het emergency reconstruction of rails at Apricot Road project. Ook wordt in de brief aangegeven dat 50% van het bedrag wordt aanbetaald. In de brief wordt tot slot aangegeven dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de contactpersonen zijn voor deze opdracht. Verder is voor dit project een urgent adviesblad van 28 november 2017 opgesteld. Op de eerste pagina van het adviesblad staat bij het beslispunt onder andere de betaling van NAf 137.023,23 aan [bedrijf 1] vermeld. Gelet op dit bedrag en de algemene toelichting in het adviesblad gaat het Gerecht ervan uit dat dit adviesblad is opgesteld voor alle hiervoor genoemde (vier) projecten. Verder stelt het Gerecht vast dat de handtekening van de SG van het ministerie van VROMI ontbreekt. Op pagina twee ontbreekt de handtekening van de minister van Financiën. Op pagina drie ontbreken de namen van de contactpersonen en ook lijkt de handtekening van het hoofd van Financiën te ontbreken. Op pagina drie staat wel vermeld dat volgens de PtP-procedure er drie in plaats van twee offertes opgevraagd hadden moeten worden, met daarbij vermoedelijk de handtekening van [getuige 2], gelet op de stempel van de financial controller van VROMI. Verder staat op pagina twee van het advies een kruisje bij ‘to be handled in the Council of Ministers’. In het dossier zit ook een beslisblad van de ministerraad van 6 december 2017. De beslissing is volgens advies, namelijk een betaling van Naf 137.023,23 en een aanbetaling van 50%. Op pagina drie van het advies is opgeschreven dat twee bedrijven zijn benaderd om een offerte in te dienen. Het Gerecht merkt op dat uit het adviesblad en de overige inhoud van het dossier niet is gebleken dat er daadwerkelijk twee bedrijven zijn uitgenodigd en door wie, maar wel wordt aangegeven dat [bedrijf 1] de opdracht heeft gekregen. Zoals hiervoor al genoemd heeft op 11 december 2017 een betaling plaatsgevonden van de overheid van Sint Maarten aan [bedrijf 1] ten bedrage van Naf 146.395,75 met de omschrijving ‘50% dep for emergency repairs – Naf. 74.884,13’ en ‘50% dep emer repairs road side barriers Naf 68.511,62’. Op 12 december 2017 wordt op de bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van Naf 146.395,75 bijgeschreven met als omschrijving ‘(...) emergency repair Prince Bernhard Bridge’. Op 22 januari 2019 werd een bedrag van Naf 22.455,49 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 1] met als omschrijving ‘50% repair railings @ LB Scot RD/Apricot’. Op 23 april 2019 werd een bedrag van Naf 17.091,91 overgeboekt naar [bedrijf 1] met als omschrijving ‘repair road side barriers – VROMI’. De betalingen aan en de uitgaven van [bedrijf 1] Uit de bankgegevens van de RBC-bank blijkt het volgende met betrekking tot de voor de tenlastegelegde aanbestedingen overgemaakte bedragen aan [bedrijf 1]: op 5 december 2017 ontvangt het bedrijf NAf 49.873,44 van de overheid; op 8 december 2017 ontvang het bedrijf NAf 6.794,59 van de overheid; op 12 december 2017 ontvangt het bedrijf NAf 146.395,75 van de overheid; op 21 september 2018 ontvangt het bedrijf NAf 81.678,71 van de overheid. In voornoemde periode is eveneens een bedrag van in totaal NAf 9.338,17 bijgeschreven op de bankrekening. In 2019 werden er ook nog bedragen overgemaakt aan [bedrijf 1] in het kader van de aanbestedingsprojecten: op 22 januari 2019 werd door het Land Sint Maarten een bedrag van NAf 22.455,49 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 1] met als omschrijving ‘50% repair railings @ LB Scot RD/Apricot’; op 23 april 2019 werd door het Land Sint Maarten een bedrag van NAf 17.091,91 overgeboekt naar [bedrijf 1] met als omschrijving ‘repair road side barriers – VROMI’. In de periode van 5 december 2017 tot en met 31 december 2018 van [bedrijf 1] zijn de volgende uitgaven gedaan : [ [medeverdachte 1] neemt cash bedragen op van in totaal NAf 86.418,05 ; [ [verdachte] neemt cash bedragen op van in totaal NAf 11.364,- ; Aan [betrokkene 5] wordt op 7 december 2017 een cheque uitgeschreven van NAf 4.987,- ; Betalingen van belastingen aan de Landsontvanger van in totaal NAf 55.706,- ; Op 8 januari 2018 wordt een bedrag van NAf 29.700,- overgemaakt naar [bedrijf 3]. Dit bedrijf is op hetzelfde adres ingeschreven als [bedrijf 1]. De moeder van [medeverdachte 1], [betrokkene 6], is de managing director van dit bedrijf. De bedrijfsdoelstelling van [bedrijf 3] is volgens het uittreksel in de KVK: beleggingen en onroerend goed; Op 5 oktober 2018 wordt een bedrag van NAf 25.812,- overgemaakt naar [betrokkene 6] ; Op 12 januari 2018 wordt een betaling verricht aan [bedrijf 5] van in totaal NAf 26.200,- ; Op 12 oktober 2018 wordt een cheque afgeschreven aan [bedrijf 6] ter waarde van NAf 9.000,-. Deze uitgaven hebben een totaalbedrag van NAf 249.187,05. In dit kader acht het Gerecht van belang om op merken dat voorafgaand aan de overheidsbetalingen op 5 december 2017 het saldo van de bankrekening van [bedrijf 1] NAf 2.440,88 bedroeg. Het eindsaldo op 31 december 2018 bedroeg NAf 1.629,-. Het onderzoeksteam van de landsrecherche komt tot de conclusie dat vermoedelijk een bedrag van NAf 238.987,62 (NAf 249.187,05 - NAf 9.338,17 (overige inkomsten en - eindsaldo bankrekening NAf 1.629,62) afkomstig van het geld voor de aanbestedingen, niet daadwerkelijk is gebruik voor de aanbestedingen. Verklaringen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] [Medeverdachte 1] verklaarde bij de politie – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende. In de periode van december 2016 tot en met januari 2018 was zij de Chef de Kabinet bij het ministerie van VROMI. In haar functie van Chef de Kabinet assisteerde zij de minister van het ministerie van VROMI. [Medeverdachte 2] was minister van het ministerie van VROMI van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018. Zij was onder meer belast met het lezen van adviezen met betrekking tot aanbestedingsprojecten voordat de adviezen naar de minister gingen. Het was belangrijk om, als onderdeel van het advies, de juistheid van de informatie te controleren voordat de minister het in behandeling zou nemen. Wanneer de offertes onderdeel waren van het advies, dan las zij deze offertes ook. De minister bepaalde of een bedrag in een factuur realistisch was voor een project. Met betrekking tot de projecten kan zij zich niet herinneren door wie binnen het ministerie van VROMI het bedrijf [bedrijf 1] is benaderd. Op de vraag waarom 50% werd aanbetaald bij bepaalde projecten, gaf zij aan dat een aannemer een bepaald deel vooraf krijgt, zodat het bedrijf met het werk kon beginnen. Over haar werkzaamheden bij het bedrijf van [bedrijf 1] – in de periode waarin zij ook Chef de Kabinet was bij het ministerie van VROMI – verklaarde [medeverdachte 1] bij de politie dat zij het bedrijf hielp bij administratieve zaken, zoals het invullen van belastingaangiften en het ophalen van geld bij de bank. [Verdachte] deed al jarenlang zaken met de overheid van Sint Maarten. Zij verklaarde ook dat zij in de periode dat zij Chef de Kabinet was, zij 50% aandeelhouder van het bedrijf [bedrijf 1] was. [Medeverdachte 2] is op 15 januari 2025 verhoord bij de politie. Hij verklaarde – in de kern en zakelijk weergegeven – dat hij in het Kabinet van VROMI een ‘chief of staff’ had die alles regelde (het Gerecht begrijpt: een Chef de Kabinet, te weten [medeverdachte 1]). Als alles was geregeld dan tekende [medeverdachte 2]. Met betrekking tot de brief met de datumstempel van 11 oktober 2017 (D-133) waarin staat dat het Basketball-project wordt gegund aan [bedrijf 1], verklaarde [medeverdachte 2] dat deze brief de beslissing om te gunnen inhoudt. Het Gerecht leidt hieruit af dat de brieven met de datumstempel van 11 oktober 2017 van [medeverdachte 2] ten aanzien van de andere aanbestedingsprojecten hetzelfde doel hadden, nu deze brieven – in de kern – dezelfde inhoud bevatten. [Verdachte] is op 17 mei 2023 verhoord als verdachte bij de politie. De projecten kwamen (het Gerecht begrijpt: in algemene zin) onder zijn aandacht door een nieuwsbericht in de krant of via een projectleider van VROMI. Dan ontving hij vervolgens een TOR en diende hij daarna zijn offerte in, op basis van de informatie in de TOR. Als werkers betaalde, dan gebeurde dat per cheque of cash en het is de bedoeling dat dat wordt geregistreerd in zijn computer, omdat hij later niet wilde hebben dat iemand zou zeggen dat hij door [verdachte] niet was betaald. [Verdachte] verklaarde ter terechtzitting – in de kern en zakelijk weergegeven – het volgende. In de offertes stond vermeld: de werkzaamheden, de kosten en de duur van het project. De specifieke werkzaamheden werden vermeld in de offerte. Hij calculeert zelf de bedragen voor het werk dat gedaan moet worden. De aanbetalingen van 50% waren bedoeld voor de inkoop van materialen, zoals metaal en draden. [Medeverdachte 3] is op 17 december 2024 verhoord als verdachte bij de politie. In de kern verklaarde [medeverdachte 3] met betrekking tot de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten dat de offertes uit naam van [bedrijf 2] niet door hem zijn opgemaakt en vals zijn. 5.5. Tussenconclusies ten aanzien van de aanbestedingsprojecten In de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vallen het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden op. Uit de door de getuigen beschreven werkwijze bij het gunnen van aanbestedingsprojecten volgt dat aannemers worden benaderd door de afdeling IM van het ministerie van VROMI met het verzoek om een offerte in te dienen. De offertes worden bekeken en beoordeeld door de afdeling IM. Van enige betrokkenheid van de afdeling IM bij de aanbestedingsprojecten zoals opgenomen in de tenlastelegging lijkt naar het oordeel van Gerecht echter geen sprake, ook niet achteraf, althans dat kan niet worden vastgesteld. In het dossier bevinden zich ten aanzien van alle tenlastegelegde projecten steeds twee offertes, namelijk van de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt door het Gerecht niet vast te stellen of en, zo ja, door wie van het ministerie van VROMI deze bedrijven zijn uitgenodigd om een offerte in te dienen voor de verschillende projecten. Mogelijk dat het minister [medeverdachte 2] is geweest die (in ieder geval) [bedrijf 1] heeft benaderd aangezien [bedrijf 1] in de offertes schrijft dat ‘ as per your request’ ( vrij vertaald : ‘op verzoek van’) [medeverdachte 2] de locaties van de volgende projecten zijn bezocht: Basketball Court, Prins Bernhard Bridge, en Emergency Repairs Keys Bridge (Sucker Garden). Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen kan ook worden vastgesteld dat [bedrijf 1] haar offertes ook steeds richtte aan [medeverdachte 2]. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen valt op dat bij de aanbestedingsprojecten een kostenraming en/of een TOR ontbreekt. Hierdoor is het onduidelijk hoeveel de projecten volgens de overheid (ongeveer) hadden moeten gaan kosten en is ook onduidelijk gebleven wat de doelstellingen waren van de aanbestedingsprojecten en wie de verantwoordelijken waren van het specifieke project. De aanbestedingsroute kan hierdoor – zo die gevolgd is – niet gecontroleerd worden, sterker nog die route kan niet worden vastgesteld. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of het Land Sint Maarten een marktconform bedrag heeft betaald. In de offertes van beide bedrijven is niet gespecificeerd waaruit de werkzaamheden bestonden en welk (totaal)bedrag daarbij hoorde. De afdeling FBBB van het ministerie van Financiën constateerde dat de offertes van [bedrijf 1] te simplistisch waren opgesteld om het totale bedrag te kunnen rechtvaardigen. Het Gerecht kan door deze wijze van opstellen van offertes de juistheid van de inhoud van de betreffende offertes ook niet toetsen. In de offertes van [bedrijf 2] ontbrak verder bij alle offertes de naam van een vertegenwoordiger, een CRIB-nummer en een handtekening. Het doel van een aanbestedingsprocedure is om dit proces van offreren en bieden zo open en transparant mogelijk te laten plaatsvinden, juist omdat het om belastinggelden gaat die benut worden ten algemenen nutte. Daar hoort transparantie en verantwoording bij. Dat ontbreekt in dit geval ten ene male. Met betrekking tot de offertes van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1], met uitzondering van de offerte voor het Basketball Court-project , stelt het Gerecht vast dat de offertes op dezelfde dag zijn ingediend. Anders dan bij de andere projecten werd bij het Basketball Court-project bovendien op dezelfde dag als het indienen van de offerte door [bedrijf 1], het project al toegezegd door minister [medeverdachte 2] aan [bedrijf 1]. Bij de overige projecten zat hier een periode van enkele dagen tussen. Verder merkt het Gerecht nog op dat [medeverdachte 2] zonder motivering de adviesbladen voor akkoord heeft ondertekend, ondanks de bezwaren van (onder andere) zijn financial controller en de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën. In dit kader merkt het Gerecht op dat uit de afgelegde en hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen blijkt dat de minister kan afwijken van de adviezen, maar dat bij een afwijking door de minister gemotiveerd moet worden waarom wordt afgeweken. Van een dergelijke motivering is uit het verhandelde ter terechtzitting en de overige inhoud van het dossier niet gebleken. Het is het Gerecht ook opgevallen dat zowel de SG van het ministerie van VROMI en het hoofd van Financiën geen enkel advies hebben getekend. Ook ontbreekt in sommige gevallen de handtekening van de minister van Financiën. De verklaring van [getuige 1], voormalig SG van het ministerie van VROMI, inhoudende dat hij door de verdachte niet meer werd betrokken bij de adviezen in het kader van de aanbestedingen, vindt eveneens ondersteuning, in deze specifieke gevallen, uit het ontbreken van zijn handtekening op de adviesbladen. De persoon die in voornoemde brief van [medeverdachte 2] als contactpersoon is genoemd, [betrokkene 2], heeft verklaard geen van de onderhavige projecten te kennen, wat ook wordt ondersteund door het feit dat zijn naam op geen enkel adviesblad voorkomt. De stempel ‘urgent’ op de adviesbladen roept bij het Gerecht eveneens vraagtekens op. [Medeverdachte 1] noch [medeverdachte 2] heeft deze gestelde urgentie naar het oordeel van het Gerecht voldoende concreet kunnen onderbouwen. Daar komt bij dat een nadere motivering van die urgentie – die, zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, in dat geval vereist zou zijn ook in de situatie na de orkaan Irma – niet in de stukken is aangetroffen. De stelling van de verdediging dat op basis van de aard van de projecten en de staat van het Land Sint Maarten, de urgentie voor de projecten automatisch volgt, volgt het Gerecht dan ook niet. Tot slot overweegt het Gerecht dat bij alle projecten een aanbetaling van 50% van het totaalbedrag is afgesproken in de brieven van [medeverdachte 2]. Los van de vraag of dit gebruikelijk is, blijkt uit de inhoud van de stukken, waaronder de verklaring van de verdachte zelf dat deze aanbetalingen bedoeld waren om materialen voor de projecten aan te schaffen, om zodoende – zo begrijpt het Gerecht – voortvarend te kunnen starten met de werkzaamheden. Bij alle projecten is de helft van het totaalbedrag na de toezeggingen van [medeverdachte 2] ook overgemaakt aan [bedrijf 1], waarbij het Gerecht volledigheidshalve nog opmerkt dat in het geval van het Basketball Court-project zelfs het gehele bedrag in één keer is overgemaakt. Uit het hiervoor weergegeven onderzoek naar de bankgegevens van [bedrijf 1] volgt naar het oordeel van het Gerecht dat vrij kort nadat bedragen vanuit het Land Sint Maarten worden overgemaakt, contante geldopnamen worden gedaan door [medeverdachte 1] en [verdachte], geld werd uitbetaald aan derden (onder andere) in de vorm van cheques en geld werd overgemaakt naar (het bedrijf van) de moeder van [medeverdachte 1], de Landsontvanger en andere bedrijven. Het Gerecht heeft uit het dossier en op basis van het verhandelde ter terechtzitting – anders dan de verklaring van [verdachte] hieromtrent – niet kunnen verifiëren of de opgenomen cashbedragen inderdaad zijn gebruikt voor de aanschaf van materialen en stelt vast dat in ieder geval een groot deel van de aanbetalingen traceerbaar een andere bestemming heeft gekregen. 5.6. Is er sprake van (het medeplegen van) oplichting? Het Gerecht dient de vraag te beantwoorden of de verdachte, samen met zijn medeverdachte(n), het Land Sint Maarten heeft bewogen tot afgifte van goederen (geldbedragen) en het aangaan van schulden aan [bedrijf 1] door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels. De hiervoor omschreven gang van zaken kan naar het oordeel van het Gerecht tot geen andere conclusie leiden dan dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gedaan alsof ten aanzien van de onderhavige projecten – grotendeels achteraf – een rechtmatige procedure was gevolgd, waarbij is gedaan alsof het adviestraject zoals hiervoor beschreven werd nageleefd, het adviestraject bedoeld om te verzekeren dat het Land de beste prijs zou krijgen voor de betreffende aanbesteding. De tenlastegelegde projecten waren echter al – nog voordat er een adviesronde was gestart – door [medeverdachte 2] zoals blijkt uit de inhoud van zijn brieven gericht aan [verdachte], gegund aan [bedrijf 1]. [bedrijf 1], het bedrijf waarvan [medeverdachte 1] samen met [verdachte] eigenaar en directeur van is, en zij bovendien partners van elkaar zijn. Deze onjuiste voorstelling van zaken hebben de verdachte en zijn medeverdachten in het leven geroepen door middel van een combinatie van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Het Gerecht acht bij dit oordeel de volgende hiervoor besproken omstandigheden van belang, namelijk: het ontbreken van een TOR en een gespecificeerde kostenraming met betrekking tot de aanbestedingsprojecten; dat de offertes van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (met bijna identieke beschrijvingen van de kostenposten) in het merendeel van de gevallen steeds op dezelfde dag werden ingediend; de offertes van [bedrijf 1] enkele dagen later steeds op 11 oktober 2017 – zonder voorafgaand financieel en inhoudelijk onderzoek – al goedgekeurd werden door [medeverdachte 2]. Ambtenaren, zoals die van de afdeling IM en de SG van het ministerie van VROMI, werden – zonder uitzondering – niet betrokken bij deze goedkeuring. Terwijl de afdeling IM blijkens de inhoud van het dossier juist bij uitstek de (technische) deskundige afdeling is die hierover zou moeten adviseren; alle adviesbladen, die na de goedkeuring van [medeverdachte 2] van 11 oktober 2017 zijn ingevuld en/of opgesteld, het stempel ‘urgent’ hebben, terwijl die urgentie onvoldoende, of zelfs geheel niet uit het dossier naar voren komt en de vereiste motivering daarvoor ontbreekt; de niet toetsbare offertes van [bedrijf 1] en uiterst simplistisch opgemaakte offertes van [bedrijf 2] waarvan de eigenaar [medeverdachte 3] verklaart dat deze offertes vals zijn. Uit de hiervoor beschreven werkzaamheden van [medeverdachte 1] als Chef de Kabinet leidt het Gerecht – anders dan door de verdediging is bepleit – af dat [medeverdachte 1] wél degelijk directe invloed had op het proces van het toekennen van de overheidsprojecten aan [bedrijf 1], temeer nu meerdere ambtenaren, die normaalgesproken (inhoudelijk) adviseerden, niet betrokken waren bij het adviestraject. Zij was daarmee bij de onderhavige projecten de enige persoon die de adviezen van latere datum dan 11 oktober 2017 (inhoudelijk) bekeek, althans dat had zij moeten doen. Hiervoor heeft het Gerecht op basis van getuigenverklaringen al vastgesteld dat er regels golden met betrekking tot de het gunnen van overheidsprojecten. Op basis van deze getuigenverklaringen in combinatie met haar jarenlange ervaring als ambtenaar van Sint Maarten is het Gerecht van oordeel dat [medeverdachte 1] ook heeft geweten van deze procedures. [medeverdachte 1] heeft bovendien zelf verklaard dat zij alle adviezen las alvorens zij deze doorstuurde naar de minister. Het Gerecht gaat ervan uit dat zij de adviezen bij de tenlastegelegde projecten heeft gelezen en dat zij in ieder geval kennis droeg van de opmerkingen van de FBBB en de financial controller, inhoudende dat de procedures niet (goed) waren doorlopen. Aangezien [medeverdachte 1] de adviezen las en beoordeelde op fouten, komt het Gerecht tot het oordeel dat [medeverdachte 1] zelf ook heeft moeten hebben gezien dat de offertes (te) summier waren, niet inhoudelijk waren getoetst door de daarvoor beschikbare ambtenaren en er veel informatie ontbrak om tot een positief advies te kunnen komen. Daar komt bij dat, los van de vraag of [medeverdachte 1] in de functie van Chef de Kabinet wel of geen nevenfunctie had mogen hebben en of zij deze gemeld heeft, van [medeverdachte 1], gelet alleen al op haar aandeelhouderschap in het bedrijf [bedrijf 1] en dus overduidelijke financiële belangen bij het toekennen van de projecten aan het bedrijf, had mogen worden verwacht dat zij zich überhaupt niet had bemoeid met deze aanbestedingsprojecten. Nu zij dit wel deed en daar geen beletsel inzag had zij op zijn minst, gelet op de haar zelf beschreven werkzaamheden, bij het lezen van de adviezen bij de minister moeten melden dat de adviezen of ontbraken of negatief en evident incompleet waren. Dit heeft zij niet gedaan, althans daarvan is het Gerecht niet gebleken. Het Gerecht concludeert dan ook dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de geldende aanbestedingsprocedures en regels kenden maar deze willens en wetens niet hebben gevolgd. Het Gerecht leidt hieruit af dat [medeverdachte 2], met of zonder die adviezen, de projecten hoe dan ook aan het bedrijf [bedrijf 1] zou gunnen en dat ook feitelijk heeft gedaan, waarbij [medeverdachte 1] (zonder twijfel) een financieel belang had en in ieder geval vast is komen te staan dat zij niet ingreep. Het Gerecht beschouwt de afgifte van een schriftelijke opdracht, inhoudende de voormelde brieven van [medeverdachte 2] op 11 oktober 2017, als het aangaan van een schuld, nu daarmee door de (daardoor) ontstane overeenkomst een betalingsverplichting ontstaat tussen [bedrijf 1] en het Land Sint Maarten. Aan de stelling van [medeverdachte 2] in zijn verklaring bij de politie, inhoudende dat [medeverdachte 2] de gangbare procedures niet kende, dan wel niet behoefde te kennen, gaat het Gerecht voorbij. Naast het feit dat het Gerecht van oordeel is dat [medeverdachte 2] als minister van VROMI verantwoordelijk is voor de aanbestedingsprocedure binnen zijn ministerie en hij dus (op zijn minst in grote lijnen) moet weten van de geldende procedures, had [medeverdachte 2] naar het oordeel van het Gerecht in deze specifieke gevallen in ieder geval kennis van het feit dat de procedures niet goed waren doorlopen. Hij werd daar in de adviezen, opgemaakt na 11 oktober 2017 maar voorafgaand aan de ondertekening van de minister van Financiën of het akkoord van de ministerraad, namelijk duidelijk op geattendeerd door de financial controller van het ministerie van VROMI en de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën. Dat in sommige gevallen de minister van Financiën en de ministerraad het adviesblad hebben getekend en akkoord zijn gegaan met het toekennen van overheidsprojecten aan [bedrijf 1], doet naar het oordeel van het Gerecht niet aan het voorgaande af. Zij mochten erop vertrouwen dat de minister van VROMI en dus eindverantwoordelijke voor het gunnen van deze projecten, gelet op zijn ambtseed, integer en betrouwbaar zijn werk zou doen. Zij hadden er dan ook geen rekening mee hoeven te houden dat [medeverdachte 2], voordat zij hun adviezen/handtekening hadden gegeven, de projecten al had weggegeven aan [bedrijf 1]. Zij hoefden er ook geen rekening mee te houden dat de stukken die wel beschikbaar waren enkel tot doel hadden om te doen alsof de juiste procedure was gevolgd en er aldus een eerlijke en marktconforme (onderhandse) aanbesteding had plaatsgevonden. Aldus kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien. Oogmerk Het oogmerk van de verdachte was gericht op het wederrechtelijk bevoordelen van (in ieder geval) zichzelf en [medeverdachte 1] middels het gunnen van de projecten aan het bedrijf [bedrijf 1]. Hiervoor is reeds overwogen dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet valt te verifiëren dat met de contant opgenomen geldbedragen materialen zijn gekocht voor de aanbestedingsprojecten. Uit het overzicht van de uitgaven is gebleken dat een deel van de ontvangen gelden van het Land Sint Maarten zijn overgemaakt naar (het bedrijf van) de moeder van [medeverdachte 1], terwijl er op geen enkele wijze is onderbouwd dat zij (of haar bedrijf) een relatie heeft met de aan [bedrijf 1] gegunde projecten. De verklaring van de verdachte ter zitting dat dit – zakelijk weergegeven – zou zijn om een lening af te lossen in verband met een eerder aangeschafte wegmarkeermachine, is niet te verifiëren en valt niet – ook qua timing niet – in verband te brengen met de onderhavige projecten. Ook met betrekking tot de uitgeschreven cheques en de andere hiervoor omschreven uitgaven, zoals de betalingen aan de Landsontvanger en/of de betaling aan [bedrijf 5], is niet gebleken/te verifiëren dat deze geheel of ten dele zijn gebruikt voor het uitvoeren van de projecten terwijl zulks gelet op de aard van de ontvanger niet voor de hand ligt. [Medeverdachte 1] en [verdachte] hebben hiervoor geen, althans geen afdoende, verklaring gegeven of kunnen geven. Het Gerecht kan gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, dan ook geen ander conclusie trekken dan dat het oogmerk van de verdachte en zijn medeverdachten gericht was op het creëren van een gefingeerde situatie met als bedoeling om projecten toe te (laten) kennen aan het bedrijf [bedrijf 1] en – in het verlengde daarvan – geldbedragen van het Land Sint Maarten te ontvangen. Dat projecten vervolgens deels wel daadwerkelijk zijn gestart en uitgevoerd, doet naar het oordeel van het Gerecht aan het voorgaande niet af. Medeplegen Uit de gehele hiervoor beschreven gang van zaken kan naar het oordeel van het Gerecht geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met (in ieder geval) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de oplichting van het Land Sint Maarten heeft gepleegd. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. Om te doen alsof de normale aanbestedingsprocedure werd gevolgd bij het toekennen van de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten, althans dat dit werd geprobeerd, was [verdachte] nodig in de keten. [Verdachte] heeft immers de benodigde offertes voor de aanbestedingsprojecten opgemaakt en ingediend bij [medeverdachte 2]. Naar het oordeel van het Gerecht moet [verdachte] hebben geweten dat deze offertes voor [medeverdachte 2] voldoende waren om de projecten toegewezen te krijgen en dat hier tussen [verdachte] en [medeverdachte 2], al dan niet door tussenkomst van [medeverdachte 1], contact over moet zijn geweest. [Verdachte] deed immers al jarenlang zaken met de overheid van Sint Maarten en wist daarom hoe normaalgesproken offertes ingediend moesten worden en welke informatie daarin vermeld moest worden. Bij dit oordeel betrekt het Gerecht verder dat de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën bij (bijvoorbeeld) het advies voor het project Prins Bernhard Bridge heeft aangegeven dat de offertes van [bedrijf 1] te simplistisch waren, waarbij door FBBB werd verwezen naar een aantal (gedetailleerde) voorbeeld-offertes. [Verdachte] verklaarde bij de politie en ter terechtzitting dat hij normaal – nadat hij een TOR had ontvangen – zijn offertes baseerde op basis van een vooraf gemaakte calculatie, hetgeen ook bijvoorbeeld tot uitdrukking is gekomen in zijn eerdere offertes voor de Prins Bernhard Bridge. Bij onderhavige offertes blijkt niet van zo een calculatie. Het indienen van dergelijke beperkte offertes door [verdachte] zoals bij de ten laste gelegde projecten, de manier waarop – namelijk rechtstreeks aan [medeverdachte 2] – en de timing daarvan is naar het oordeel van het Gerecht de start en daarmee van wezenlijk belang geweest om ten opzichte van het Land Sint Maarten te doen alsof [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] een aanbestedingsprocedure volgden, terwijl de projecten al lang en breed aan [verdachte] waren toegekend door [medeverdachte 2] of voor [verdachte] duidelijk was dat dit zou gebeuren. Vervolgens heeft [verdachte] net als [medeverdachte 1] geldbedragen cash opgenomen en geldbedragen overgemaakt aan derden, zonder enige (te verifiëren) relatie met de aan hem toegewezen projecten. [Medeverdachte 1] was als Chef de Kabinet belast met onder andere het bekijken van de adviezen behorende bij de aanbestedingsprojecten. Naar het oordeel van het Gerecht staat genoegzaam vast dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contact moeten hebben gehad over de tenlastegelegde overheidsprojecten. Immers, dat maakte onderdeel uit van haar takenpakket en past in het contact dat zij – blijkens haar eigen verklaring bij de politie – hadden. [Medeverdachte 1] had gelet op haar takenpakket, in combinatie met het niet betrekken van andere ambtenaren bij het adviesproces, directe invloed op het toekennen van de overheidsprojecten aan het bedrijf [bedrijf 1]. Terwijl zij zich als Chef de Kabinet bij het ministerie van VROMI bezighield met de tenlastegelegde aanbestedingsprojecten, was zij eveneens aandeelhouder van en verrichtte zij ook werkzaamheden voor het bedrijf [bedrijf 1]. Uit de bewijsmiddelen volgt dat zij in die periode contact had met [verdachte] over het bedrijf [bedrijf 1], dat er geldbedragen van de bankrekening van [bedrijf 1] door haar (privé) werden opgenomen en dat zij direct contact had met het ministerie over de uitbetaling van een geldbedrag aan [bedrijf 1]. Zoals eerder overwogen staat, los van de vraag of zij deze werkzaamheden mocht uitvoeren tijdens haar functie als Chef de Kabinet, vast dat zij een direct financieel belang had bij het toekennen van de projecten aan [bedrijf 1]. Daarmee had zij er naar het oordeel van het Gerecht ook alle belang bij om de dubieuze en onvolledige offertes en adviezen niet te melden en had zij ook een duidelijk belang om de adviezen van de ambtenaren die wel opmerkingen hadden, te negeren. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] net als [verdachte] geldbedragen cash opgenomen en geldbedragen overgemaakt aan derden, zonder enige (te verifiëren) relatie met de aan [bedrijf 1] toegewezen projecten. [Medeverdachte 2] had in zijn bediening als minister van VROMI een cruciale positie bij het toekennen van overheidsprojecten die onder de verantwoordelijk van zijn ministerie vielen. Aangezien een project zonder zijn handtekening niet kon worden gegund, was [medeverdachte 2] van doorslaggevende betekenis bij het toekennen van de overheidsprojecten. [Medeverdachte 1] en [verdachte] hadden [medeverdachte 2] – als sluitstuk van de keten van handelingen – nodig voor het daadwerkelijk toekennen van de projecten aan het bedrijf [bedrijf 1]. Gelet op de inhoud van de adviesbladen werden ambtenaren van diverse afdelingen niet betrokken bij het beslisproces door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Dit gebeurde ook niet achteraf, zoals wel te doen gebruikelijk. Van de ambtenaren die wel betrokken waren, namelijk de ambtenaren die nodig waren om geldbedragen te kunnen ontvangen, werden zonder uitzondering (en zonder motivering) de opmerkingen genegeerd. [Medeverdachte 2] had [verdachte] in persoonlijke brieven al toegezegd dat zijn bedrijf, [bedrijf 1], de opdrachten zou krijgen, zonder de adviezen te hebben afgewacht. Hoewel niet precies is vast komen te staan hoe en wanneer de verdachten het een en ander hebben afgesproken en/of hebben afgestemd, is het Gerecht van oordeel dat desondanks het medeplegen van dit feit kan worden bewezen. Voor de hiervoor beschreven handelingen en aanpak is het noodzakelijk dat er afstemming plaatsvindt. De handelingen zijn op geen enkele andere wijze te verklaren. Om deze handelingen en deze aanpak te realiseren hebben [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] elkaar nodig. De handelingen volgen elkaar op en zonder ieders aandeel kan deze aanpak of dit plan niet gerealiseerd worden. Dat zij alle drie het oog hadden op hetzelfde uiteindelijke resultaat, namelijk de projecten gunnen aan [bedrijf 1] met listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, volgt genoegzaam uit de bewijsmiddelen. Dat voor het merendeel van de geldbedragen duidelijk is dat deze niet zijn gebruikt voor de tenlastegelegde projecten, sterkt het Gerecht in de overtuiging dat de verdachte en medeverdachten hun handelingen verrichtten voor een misdadig doel. Het Gerecht komt tot het oordeel dat gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] in een bewuste en nauwe samenwerking hebben gehandeld om de projecten aan [bedrijf 1] toegewezen te krijgen en daarmee ook aanzienlijke geldbedragen te ontvangen. De hiervoor omschreven handelingen van de verdachten waren – ieder afzonderlijk – van voldoende gewicht om hen als medepleger te kunnen kwalificeren. Het onder 1 tenlastegelegde feit kan op grond van het voren overwogene wettig en overtuigend worden bewezen. 5.7. Overwegingen ten aanzien van feit 2 Het Gerecht heeft hiervoor het juridisch kader weergegeven van (gewoonte)witwassen. Het Gerecht overweegt – indachtig wat betrekking tot de feiten en omstandigheden in het kader van feit 1 is opgenomen – hierover als volgt. Het Gerecht komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat [bedrijf 1] het bedrag van NAf. 238.987,62 heeft verkregen door het medeplegen van oplichting. Daarmee is voornoemd bedrag (voorwerp) door een misdrijf verkregen. Met de wetenschap dat het geldbedrag afkomstig is uit een misdrijf hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] dit totaalbedrag vervolgens op verschillende momenten en manieren omgezet (in cashbedragen) en overgedragen voor betalingen aan derden: [ [medeverdachte 1] nam cashbedragen op van in totaal NAf 86.418,05; [ [verdachte] nam cashbedragen op van in totaal NAf 11.364,-; [ Aan [betrokkene 5] werd op 7 december 2017 een cheque uitgeschreven van NAf 4.987,-; [ Betalingen van de Landsontvanger van in totaal NAf 55.706,-; [ Op 8 januari 2018 werd een bedrag van NAf 29.700,- overgemaakt naar [bedrijf 3]. Dit bedrijf is op hetzelfde adres ingeschreven als [bedrijf 1]. De moeder van [medeverdachte 1], [betrokkene 6], is de managing director van dit bedrijf. De bedrijfsdoelstelling van [bedrijf 3] is volgens het uittreksel in de KVK: beleggingen en onroerend goed; [ Op 5 oktober 2018 wordt een bedrag van NAf 25.812,- overgemaakt naar [betrokkene 6]; [ Op 12 januari 2018 werd een betaling verricht aan [bedrijf 5] van in totaal NAf 26.200,-; [ Op 12 oktober 2018 werd een cheque afgeschreven aan [bedrijf 6] ter waarde van NAf 9.000,-. Het Gerecht merkt op dat voor een groot deel onduidelijk is gebleven welke bedragen in relatie stonden tot de gegunde overheidsprojecten aan [bedrijf 1]. Dat mogelijk de opgenomen cashbedragen zijn gebruikt voor de aanschaf van materialen ten behoeve van de gegunde overheidsprojecten valt bovendien op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de overige inhoud van het dossier niet te verifiëren en ook niet uit te sluiten. Voor de bewezenverklaring voor witwassen maakt dit evenwel niet uit nu het de criminele herkomst van de gelden met de bewezenverklaring van feit 1 gegeven is. Wat naar het oordeel van het Gerecht wel vaststaat is dat [verdachte] en [medeverdachte 1] illegaal verkregen geld hebben uitgegeven. [Medeverdachte 1] en [verdachte] hebben zich naar het oordeel van het Gerecht in een bewuste en nauwe samenwerking schuldig gemaakt aan opzettelijk witwassen. [Verdachte] en [medeverdachte 1] waren immers ten tijde van het tenlastegelegde feit aandeelhouders van het bedrijf [bedrijf 1], hadden allebei toegang tot de bankrekening van [bedrijf 1] en hebben ook allebei geldbedragen cash opgenomen en overgemaakt naar derden. Gelet op de periode, de omvang en de intensiteit kan worden bewezen verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een gewoonte hebben gemaakt van het witwassen. Daarmee kan naar het oordeel van het Gerecht het onder 2 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend worden bewezen. 6 Verzoeken verdediging De verdediging heeft bij pleidooi de volgende (voorwaardelijke) verzoeken gedaan: Het horen van [medeverdachte 2] als getuige De raadsman heeft op pagina acht, voetnoot zes, van zijn pleidooi verzocht om [medeverdachte 2] te horen als getuige. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. Het Gerecht heeft – op verzoek van de verdediging – in een regiebeslissing van 13 maart 2025 beslist dat [medeverdachte 2] gehoord dient te worden bij de rechter-commissaris. Uit een afloopbericht van de rechter-commissaris is het Gerecht gebleken dat de raadsman op 1 september 2025 – op eigen initiatief – per e-mailbericht aan de rechter-commissaris heeft laten weten dat de verdediging vooralsnog afziet van het horen van de getuige [medeverdachte 2]. Op 14 oktober 2025 heeft vervolgens het verhoor plaatsgevonden van [medeverdachte 1] als getuige. Dit betrof het laatste getuigenverhoor in onderzoek Jasmine. Tijdens en na dit getuigenverhoor is door de verdediging, meer specifiek door mr. Bloem (dan wel zijn kantoorgenoot mr. L. Peterson), niet meer teruggekomen op het eerdere standpunt van de verdediging, inhoudende dat zij de getuige [medeverdachte 2] niet meer wenste te horen. De rechter-commissaris mocht er daarom vanuit gaan dat de verdediging af zag van het horen van de getuige [medeverdachte 2]. De verdediging heeft naar het oordeel van het Gerecht niet onderbouwd, althans onvoldoende, waarom op basis van nieuwe feiten en omstandigheden het noodzakelijk is dat [medeverdachte 2] nu wel gehoord dient te worden als getuige. De enkele onderbouwing dat [medeverdachte 2] mogelijk iets zou kunnen verklaren is daartoe, in ogenschouw nemend de meerdere momenten waarop de verdediging de mogelijkheid had een dergelijk verzoek te doen en het tijdstip waarop dit verzoek thans wordt gedaan, in een voetnoot van het pleidooi, onvoldoende. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Overleggen van de oorspronkelijke digitale gegevens met betrekking tot de WhatsApp-communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en het horen van [betrokkene 3] De verdediging heeft verder nog voorwaardelijke verzoeken gedaan, inhoudende het overleggen van de oorspronkelijke digitale gegevens met betrekking tot de WhatsApp-communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] (pagina 30 en 31 pleidooi) en het horen van [betrokkene 3] (pagina 6 e.v. van de dupliek). Nu het Gerecht de WhatsApp-communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en het e-mailbericht van [betrokkene 3] van 12 december 2016 niet gebruikt voor het bewijs, is de verdediging niet geraakt in haar belang en ook overigens is niet gebleken van de noodzaak tot het horen van [betrokkene 3] en/of het beschikken over de oorspronkelijke WhatsApp-communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. Gelet daarop behoeven deze voorwaardelijke verzoeken geen nadere bespreking. 7 Bewezenverklaring Het Gerecht acht – op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: feit 1: hij op één of meer tijdstippen in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, het Land Sint Maarten heeft bewogen tot de afgifte van enig(e) goed(eren) en/of het aangaan van schulden, te weten: Project “Basketball Court Great Bay” de afgifte van een schriftelijke opdracht d.d. 11 oktober 2017 waarbij een project tot het bouwen van een basketbalveld in Great Bay aan [bedrijf 1] ([bedrijf 1]) (hierna: “[bedrijf 1”) wordt gegund/verleend/aanbesteed; en de afgifte van geldbedragen van (in totaal) NAF. 49.873,44 aan [bedrijf 1]; en Project “Keys Bridge” de afgifte van een schriftelijke opdracht d.d. 11 oktober 2017 waarbij een project tot het verrichten van noodherstelwerkzaamheden aan de “ Keys Bridge ” aan [bedrijf 1] wordt gegund/verleend/aanbesteed; en de afgifte van geldbedragen van (in totaal) NAF. 13.589,18 aan [bedrijf 1]; en Project “Prince Bernard Bridge” de afgifte van een schriftelijke opdracht d.d. 11 oktober 2017 waarbij een project tot het verrichten van noodherstelwerkzaamheden aan de “ Prince Bernard Bridge ” aan [bedrijf 1] wordt gegund/verleend/aanbesteed; en/of de afgifte van (een) geldbedrag(en) en/of het aangaan van (een) schuld(en) van (in totaal) NAF. 149.768,25 aan [bedrijf 1]; en Project “Repairs Roadside barriers & railings” de afgifte van vier, althans één of meer, schriftelijk(e) opdracht(en) d.d. 11 oktober 2017 waarbij (verschillende) project(en) tot het verrichten van noodherstelwerkzaamheden aan vangrails op Sint Maarten aan [bedrijf 1] wordt/worden gegund/verleend/aanbesteed; en de afgifte van geldbedragen van (in totaal) NAF. 137.023,23 aan [bedrijf 1], hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergeven, listiglijk en/of bedrieglijk als volgt gehandeld: in naam van [bedrijf 2] worden er (valse) offertes opgemaakt en vervolgens ingediend/afgeleverd; en/of door (namens) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] wordt, in strijd met de daarvoor (intern) geldende (geschreven en ongeschreven) procedures bij VROMI, niet (kenbaar) onderzocht of getoetst of deze opdracht(en) en offertes marktconform zijn; en de offertes van [bedrijf 1] wordt/worden kort na ontvangst door [medeverdachte 2] in zijn hoedanigheid van Minister van het ministerie van VROMI geaccordeerd; en [medeverdachte 2] wendt zijn positie en gezag (als Minister van het ministerie van VROMI) aan om opdrachten toe te kennen/gunnen/aanbesteden aan [bedrijf 1], zonder in de beoordeling van de opdrachten en/of offerte(s) andere ambtenaren van VROMI te betrekken, en zet deze (waar mogelijk) buiten spel; en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] wenden hun positie en gezag als Minister en/of Chef de Kabinet van VROMI aan en/of nemen deel aan de beoordeling van de offertes en/of adviseren positief omtrent dergelijke offertes, teneinde te bewerkstelligen dat [bedrijf 1] opdrachten worden gegund/verleend/aanbesteed, en/of vervolgens wenden die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 1] zijn/haar/hun positie en gezag als Minister en/of Chef de Kabinet van VROMI aan om spoedig tot (volledige en/of gedeeltelijk) uitbetaling van deze opdrachten te komen, aldus doende hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich voorgedaan als een betrouwbare en integere ambtenaar en Minister van het ministerie van VROMI, waardoor het Land Sint Maarten werd bewogen tot de afgifte van bovengenoemde goederen en aangaan van schulden en opdrachten. feit 2: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 december 2017 tot en met 31 december 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met zijn mededader, [medeverdachte 1], meermalen, voorwerpen, te weten geldbedrag en van in totaal NAF. 238.987,62, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten en/of begrepen dat voormelde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte, en/of zijn mededader, van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring ( cursief ). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 8 Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn voorzien bij en strafbaar gesteld in artikelen 1:123, 2:305, 2:404 en 2:405 van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde feiten worden als volgt gekwalificeerd: feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. feit 2: medeplegen van gewoontewitwassen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. 9 Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. 10 Oplegging van straf Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, alsook op de straffen die in vergelijkbare gevallen door de Gerechten en het Hof plegen te worden opgelegd. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn partner (en toenmalig Chef de Kabinet van het ministerie van VROMI) en de toenmalig minister van het ministerie van VROMI schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) oplichting van het Land Sint Maarten en gewoontewitwassen. De verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan moreel besef en hij heeft zijn eigen financiële belangen laten prevaleren. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het schaden van het vertrouwen dat burgers in het openbaar bestuur moeten kunnen hebben, zeker als het gaat om het doen van zaken/aanbestedingen door de overheid met/aan bedrijven. Het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten heeft bovendien een ondermijnende invloed op de samenleving als geheel en levert eveneens ernstige imagoschade op voor het Land Sint Maarten. Door het witwassen in het bijzonder wordt bovendien de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Het voorgaande neemt het Gerecht de verdachte kwalijk. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft het Gerecht niet de indruk gekregen dat hij het kwalijke van zijn handelen inziet en heeft het Gerecht de indruk gekregen dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn handelen vooral bij anderen neer lijkt te leggen. De verdachte heeft geen blanco strafblad, maar het Gerecht constateert dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze strafzaak heeft onmiskenbaar diep ingegrepen in het leven van de verdachte, zoals ook is gebleken tijdens de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij onder meer is gebleken dat deze lopende strafzaak negatieve invloed heeft gehad op de verdachte, met name wat betreft het gebrek aan werkopdrachten voor zijn bedrijf, nadat (publiekelijk) bekend was geworden dat de verdachte verwikkeld was geraakt in onderhavige strafzaak. Het Gerecht heeft oog voor de gevolgen die dit voor de verdachte heeft gehad. Daarin wordt evenwel geen grond voor strafmatiging gevonden. Deze nadelige consequenties vloeien immers rechtstreeks voort uit zijn eigen handelen. Dat de bewezenverklaarde feiten inmiddels langer geleden hebben plaatsgevonden doet niet af aan de ernst van de feiten. Wel is het Gerecht van oordeel dat dit tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat. Het belang van generale preventie weegt in deze zaak zwaar. Voor de samenleving moet buiten twijfel staan dat een handelwijze als die van de verdachte en de medeverdachten ontoelaatbaar is, nu slechts op die wijze kan worden gewaakt over de integriteit van het landsbestuur van Sint Maarten. Eenieder die zaken doet met de overheid moet zich bovendien bewust zijn van zijn of haar eigen (juridische) verantwoordelijkheid en daarnaar handelen. Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden. Hiervan zal zes maanden voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. De op te leggen gevangenisstraf is wat lager dan de door de officier van justitie gevorderde straf, mede omdat het Gerecht rekening houdt met de relatief korte periode waarin de strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden en de rol van de verdachte in het geheel van gedragingen, die het Gerecht zwaarder meeweegt dan de officier van justitie heeft gedaan. Dat maakt dat het Gerecht een matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf op zijn plaats vindt. Redelijke termijn Het Gerecht constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Gerecht gaat ervan uit dat de termijn is aangevangen op de datum van zijn eerste verhoor in deze zaak, 17 mei 2023. Daarmee was sprake van een handeling waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Tussen die datum en de datum waarop het Gerecht vonnis zal wijzen (19 augustus 2026) ligt een periode die de redelijke termijn met ongeveer 15 maanden overschrijdt. Naar het oordeel van het Gerecht komt deze overschrijding voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking, in lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Het Gerecht zal een strafkorting toekennen aan de verdachte van twee maanden en kiezen voor een andere strafmodaliteit. Dit betekent dat de door het Gerecht passend geachte gevangenisstraf van 12 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wordt verminderd naar een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uur, bij niet verrichten te vervangen door vier maanden vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het Gerecht: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de zes maanden; bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vier (4) maanden vervangende hechtenis. Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.M.J. Brink, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittingsgriffier), en op 19 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het Gerechtsgebouw in Curaçao alwaar de rechter en de griffier zich bevinden). Hierna wordt in de voetnoten, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Voorts wordt opgemerkt dat in sommige bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Sint Maarten. Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2023, pagina 141 van het zaaksdossier 1, en een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 23 januari 2024, pagina 793 tot en met 817 van het persoonsdossier [medeverdachte 1]. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 15 januari 2024, pagina 779 tot en met 791 van het persoonsdossier [medeverdachte 1]. Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris van 14 oktober 2025. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 23 januari 2024, pagina 793 tot en met 817 van het persoonsdossier [medeverdachte 1]. Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris van 14 oktober 2025. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2022, pagina 173 en 174 van het zaaksdossier 2 en een door de verdachte op 28 juli 2026 ter terechtzitting afgelegde verklaring. Een door de verdachte op 30 juli 2026 ter terechtzitting afgelegde verklaring en een proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2022, pagina 175 tot en met 177 van het zaaksdossier 2, schriftelijke bescheiden, zijnde aangifte- en belastinggegevens [bedrijf 1] (D-204 tot en met D-206), pagina 1148 tot en met 1164 van de map Documenten en een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2023, pagina 178 en 179 van het zaaksdossier 2 en schriftelijk bescheid, zijnde een belastingaangifte over het jaar 2017 (ongenummerd). Een schriftelijk bescheid, zijnde een e-mailbericht van 12 februari 2018 (D-167), pagina 956 en 957 van de map Documenten. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 27 augustus 2025 en 14 oktober 2025 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 17 mei 2022, pagina 122 tot en met 130 van het zaaksdossier 1. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris van 28 augustus 2025. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris van 25 augustus 2025. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] van 12 oktober 2023, pagina 280 tot en met 283 van zaaksdossier 2 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris van 26 augustus 2025. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 11 maart 2022, pagina 110 tot en met 121 van het zaaksdossier 2. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2022, pagina 137 en 138 van het zaaksdossier 2, en een schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel uit het ‘Commercial Register’ (D-197), pagina 1139 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2022, pagina 173 en 174 van het zaaksdossier 2. Een proces-verbaal bevindingen van 9 april 2020, pagina 227 tot en met 230 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van [bedrijf 1] (D-131), pagina 900 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van [bedrijf 2] (D-132), pagina 901 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van minister [medeverdachte 2] (D-133), pagina 902 van de map Documenten. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] van 20 mei 2022, pagina 294 tot en met 301 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een adviesblad ‘Construction of basketball court in Great Bay) van 24 november 2017, pagina 904 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde advies van FBBB van 29 november 2017 (D-136), pagina 907 van de map Documenten. Schriftelijke bescheiden, zijnde bankoverschrijvingen door het Land Sint Maarten (D-185 en D-186), pagina 1052 tot en met 1056 van de map Documenten. Een proces-verbaal bevindingen van 29 mei 2020, pagina 235 tot en met 237 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-170), pagina 960 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-169, pagina 959 van de map Documenten Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van minister [medeverdachte 2] (D-171), pagina 961 van de map Documenten. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] van 20 mei 2022, pagina 294 tot en met 301 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een adviesblad ‘Emergency repairs tot he Keys Bridge’ van 24 november 2017 (D-172), pagina 962 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2022, pagina 197 tot en met 200 van het zaaksdossier 2, en schriftelijke bescheiden, zijnde bankafschriften (D-243 en D-244), pagina 1351 tot en met 1360 van de map Documenten, en een schriftelijk bescheid, zijnde een overboeking van het Land Sint Maarten (D-175.3), pagina 991 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2020, pagina 246 en 247 van het zaaksdossier 2 en schriftelijke bescheiden, zijn e-mailberichten (D-140 en D-141), pagina 913 en 914 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 244 en 245 van het zaaksdossier 2, en een schriftelijk bescheid, zijnde een overzicht van betalingen door de overheid van Sint Maarten (D-181, D-182 en D-183), pagina 1047 tot en met 1050 van de map Documenten. Een proces-verbaal bevindingen van 26 mei 2020, pagina 134 tot en met 136 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte (D-162), pagina 946 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte (D-161), pagina 945 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van minister [medeverdachte 2] van 11 oktober 2017 (D-163), pagina 947 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een advies van het ministerie van VROMI van 24 november 2017 (D-164), pagina 948 tot en met 950 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een advies van FBBB van 28 november 2017 (D-165), pagina 951 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een beslisblad van de Ministerraad van december 2017 (D-166), pagina 955. Schriftelijke bescheiden, zijnde documenten D-187 en D-188, pagina 1057 tot en met 1061 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2020, pagina 246 en 247 van het zaaksdossier 2 en schriftelijke bescheiden, zijnde e-mailberichten (D-140 en D-141), pagina 913 en 914 van de map Documenten. Schriftelijke bescheiden, zijnde overschrijvingen van het Land Sint Maarten (D-181, D-182 en D-183), pagina 1047 tot en met 1050 van de map Documenten. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2023, pagina 257 tot en met 260 van het zaaksdossier 2. Een proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2020, pagina 261 tot en met 266 van het zaaksdossier 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte (D-145), pagina 923 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte (D-146), pagina 924 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de minister van VROMI [medeverdachte 2] (D-147), pagina 925 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een adviesblad (D-148), pagina 926 en 927 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een advies van FBBB van 28 november 2017 (D-146), pagina 924 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-150), pagina 932 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-151), pagina 933 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de minister van VROMI [medeverdachte 2] (D-152), pagina 934 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-153), pagina 935 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-154), pagina 936 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de minister van VROMI [medeverdachte 2] (D-155), pagina 937 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 5 oktober 2017 (D-156), pagina 938 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte van 9 oktober 2017 (D-157), pagina 939 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van de minister van VROMI [medeverdachte 2] (D-158), pagina 940 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een advies van het ministerie van VROMI van 28 november 2017 (D-159), pagina 941 tot en met 943 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een beslisblad van de ministerraad van 6 december 2017 (D-160), pagina 944 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een overzicht van een betaling op 11 december 2017 (D-187), pagina 1057 tot en met 1060 van de map Documenten. Een schriftelijk bescheid, zijnde een bankafschrift (D-188), pagina 1061 van de map Documenten. Schriftelijk bescheiden, zijnde bankafschriften (D-189), pagina 1062 tot en met 1065 van de map Documenten. Schriftelijk bescheiden, zijnde bankafschriften (D-190), pagina 1066 tot en met 1069 van de map Documenten.