Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-05-13
ECLI:NL:OGEAM:2025:88
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,124 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202300126
Vonnis d.d. 13 mei 2025 (bij vervroeging)
inzake
[naam eiser],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. C.M. Marica
tegen
[naam gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 23 juli 2024;
de akte van 18 februari 2025 na tussenvonnis aan de zijde van [eiser];
de akte van 18 februari 2025 na tussenvonnis aan de zijde van [gedaagde];
de bij e-mail van 7 mei 2025 door [gedaagde] toegezonden stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden, mr. Bommel en namens mr. Brooks, mr. Marica. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet en gereageerd op vragen van het Gerecht.
1.3.
Partijen hebben vervolgens verzocht om vonnis te wijzen. De datum van de uitspraak van het vonnis is bepaald op 3 juni 2025. Partijen hebben verklaard er geen bezwaar tegen te hebben als het vonnis eerder wordt gewezen.
Geschil
2.1.
Bij zijn akte van 18 februari 2025 heeft [eiser] zijn vordering gewijzigd en vermeerderd. Zakelijk weergegeven vordert hij dat de woning tegen een minimale prijs van $ 350.000,- moet worden verkocht en dat dit vonnis in de plaats treedt van alle toestemmingen en handelingen die moeten worden verricht, als een van beide partijen niet meewerkt aan de verkoop.
3De verdere beoordeling van het geschil
3.1.
In het tussenvonnis van 23 juli 2024 heeft het Gerecht een aantal bindende eindbeslissingen genomen. Het Gerecht ziet in wat partijen hebben aangevoerd geen aanleiding daarvan terug te komen.
Sinds het begin van deze procedure hebben de zaken zich zo ontwikkeld, dat beide partijen inmiddels uitgaan van verkoop van de woning. Daarbij spelen nog verschillende aspecten een rol. Hierover zal het Gerecht hierna beslissingen nemen.
Minimum bedrag verkoop woning
3.2.
Bij zijn gewijzigde eis van 18 februari 2025 heeft [eiser] gevorderd dat de woning verkocht zou moeten worden voor elk bedrag vanaf $ 350.000,-. De woning stond vanaf juni 2024 te koop voor $ 495.000,-. Ter zitting heeft [gedaagde] een taxatierapport uit 2023 laten zien, waaruit een marktwaarde van op dat moment $ 510.000,- zou volgen. Dit stuk is niet aan het Gerecht overgelegd.
Verder werd meegedeeld dat de vraagprijs in overleg met de verkopend makelaar inmiddels is bijgesteld naar $ 440.000,-.
Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat als minimum ‘laat-prijs’ een bedrag van $ 400.000,- kan gelden. Gelet op de eerdere taxaties vindt ook het Gerecht dat een redelijke uitkomst van dit onderdeel van de procedure. Daarom zal ook zo worden beslist.
Te verrekenen bedragen
3.3.
In het tussenvonnis is al beslist dat de door [gedaagde] betaalde hypotheeklasten worden verrekend met de door haar aan [eiser] te betalen gebruikersvergoeding, zodat partijen op dat punt – nog steeds – niets aan elkaar verschuldigd zijn.
3.4.
Voor de kosten van onderhoud (waaronder die voor het zwembad) die [gedaagde] heeft gemaakt, zijn partijen het erover eens dat die vanaf oktober 2018 mogen worden verrekend. Gelet op wat partijen naar voren hebben gebracht en onderbouwd, vindt het Gerecht daarvoor een bedrag van $ 250,- per maand redelijk. Hiervan komt dus de helft, $ 125,- per maand, voor rekening van [eiser]. Tot en met de maand mei 2025 is [eiser] dus een bedrag van $ 10.000,- aan [gedaagde] verschuldigd.
3.5.
Het Gerecht ziet geen aanleiding tot verrekening van bedragen die partijen over en weer voorafgaand of tijdens het huwelijk door verbouwingen in de woning hebben geïnvesteerd.
3.6. [
gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat zij ná ontbinding van het huwelijk nog de nodige verbouwingen heeft gedaan, die tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid. [eiser] is het daar ook mee eens, maar partijen zijn het niet eens kunnen worden over de hoogte ervan. Het Gerecht is van oordeel dat [gedaagde] door de door haar in het geding gebrachte producties voldoende heeft onderbouwd dat dit bedrag op – door het Gerecht afgerond - $ 30.000,- kan worden gesteld. Dat betekent dat [gedaagde] dit bedrag van de overwaarde mag aftrekken, voordat tot verdeling daarvan wordt overgegaan.
Vertrek uit de woning
3.7. [
gedaagde] heeft verklaard dat zij op 6 juni 2025 uit de woning zal vertrekken. Dat heeft gevolgen voor de betaling van de vaste lasten en het onderhoud van de woning. Partijen zijn op de zitting het volgende overeengekomen:
[gedaagde] zal ervoor zorgen dat [eiser] vóór 6 juni 2025 de beschikking krijgt over de sleutel van de woning.
[eiser] zal vanaf die datum zorgen voor periodiek onderhoud, zolang de woning niet is verkocht.
De woning blijft leeg staan, in die zin, dat geen van partijen bewoning door een ander zal toestaan.
De vaste lasten die betaald worden aan de WIB-bank (zoals rente, aflossing en verzekering), zullen vanaf de datum van vertrek van [gedaagde] door beide partijen voor 50% betaald worden.
4Proceskosten
4.1.
In de aard van de procedure en de relatie tussen partijen ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin, dat beide partijen de eigen kosten dragen.
4.2.
De kosten van het gelegde beslag komen echter voor rekening van [gedaagde]. De woning staat uitsluitend op haar naam en zij heeft de woning buiten medeweten van [eiser] te koop aangeboden. Het beslag is door [eiser] gelegd om te voorkomen dat de woning zou worden verkocht en [gedaagde] geen verhaal meer zou bieden. De kosten worden begroot op $ 1.517,15 voor de kosten van het beslag en $ 249,50 voor de kosten van overbetekening van het beslag. Het totaalbedrag van $ 1.766,65 is door [gedaagde] verschuldigd, maar hoeft zij pas aan [eiser] te voldoen na de verkoop van de woning, uit het bedrag aan overwaarde.
Dictum
Het Gerecht:
5.
5.1.
bepaalt dat de voormalige echtelijke woning, [adres], in Sint Maarten, dient te worden verkocht tegen een minimale prijs van $ 400.000,-;
5.2.
bepaalt dat elk van beide partijen de nodige medewerking en toestemming dient te verlenen en alle rechtshandelingen moet verrichten om de verkoop en overdracht van de woning te bewerkstelligen, zodra er een koper is voor de minimale prijs;
5.3.
bepaalt dat dit vonnis de toestemming en alle rechtshandelingen in verband met de verkoop en overdracht van de woning vervangt, in geval een van beide partijen in gebreke blijft om de nodige rechtshandelingen te verrichten binnen een week na betekening van dit vonnis;
5.4.
machtigt de andere partij na de in 5.3 omschreven termijn door overlegging van dit vonnis de verkoop van de woning zelf te doen bewerkstelligen, zonder de medewerking en toestemming van de andere partij;
5.5.
bepaalt dat met inachtneming van wat hiervoor onder 3.4, 3.6. en 4.2. is overwogen de resterende overwaarde in gelijke delen tussen partijen wordt verdeeld;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025.