Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-05-27
ECLI:NL:OGEAM:2025:85
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,013 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202500427
Vonnis d.d. 27 mei 2025
inzake
[verzoeker],
wonende in Sint Maarten,
verzoeker,
procederend in persoon,
tegen
SINT MAARTEN MEDICAL CENTER,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,
gemachtigde: mr. W. Princee.
Partijen zullen hierna [verzoeker] en SMMC worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 20 maart 2025 ter griffie ingediend;
het verweerschrift van SMMC van 3 april 2025;
het verzoek tot het dagvaarden van diverse personen, ingekomen ter griffie op 24 maart 2025;
de aanbiedingsbrief met een auditrapport van 12 mei 2025 van [verzoeker].
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1. [
verzoeker] heeft een gerechtelijke procedure geëntameerd tegen SMMC, waarbij hij heeft gevorderd:
i) een verklaring voor recht dat SMMC aansprakelijk is voor de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii) veroordeling van SMMC tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;
iii) SMMC te bevelen de beveiligingsopnames van [datum] tussen 2.30 uur en 4.00 uur te overhandigen;
iv) SMMC te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
2.2.
Bij eindvonnis in de zaak met nummer SXM202400625 van 18 maart 2025 heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen.
Geschil
3.1. [
verzoeker] vordert:
I. primair herziening van het vonnis in de zaak SXM202400625, subsidiair expliciete beoordeling van de bewijsstukken in de zaak SXM202400625, meer subsidiair een gemotiveerde uitleg waarom de bewijsstukken niet zijn meegewogen;
II. het verweerschrift van SMMC niet-ontvankelijk te verklaren;
III. herbeoordeling van de primaire verweren, te weten schending van de geheimhoudingsplicht en onrechtmatige verspreiding van vertrouwelijke informatie;
IV. opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat op het herzieningsverzoek is beslist.
3.2. [
verzoeker] legt aan de vordering samengevat het volgende ten grondslag. Het verzoek is gebaseerd op schending van art. 6 EVRM. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die een herziening noodzakelijk maken. Die feiten en omstandigheden zijn schending van de geheimhoudingsplicht, het verspreiden van vertrouwelijke informatie en de brief van 27 februari 2025 van [verzoeker], waarbij hij de rechter heeft verzocht rekening te houden met nieuwe feiten die betrekking hebben op de behandeling van de zaak met nummer SXM202400625. Voorts voert [verzoeker] aan dat de bewijsstukken die zijn ingediend herbeoordeeld dienen te worden omdat er een onvolledige bewijswaardering heeft plaatsgevonden.
3.3.
SMMC heeft het volgende tot verweer gevoerd. Ten eerste heeft SMMC aangevoerd dat het verzoekschrift gebreken bevat. Ten tweede betoogt SMMC dat er geen grond is voor schorsing van de tenuitvoerlegging, gelet op het (standaard)arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECCL:NL:HR:2019:2026. Ten derde stelt SMMC dat een belangenafweging de tenuitvoerlegging van het vonnis rechtvaardigt. Ten slotte voert SMMC aan dat [verzoeker] niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat herroeping op grond van art. 382 Rv alleen kan worden verzocht bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Indien het Gerecht oordeelt dat [verzoeker] wel ontvankelijk is, dan voldoet het verzoek niet aan de vereisten van art. 382 Rv, aldus SMMC.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het Gerecht zal geen acht slaan op de rapportage disciplinaire maatregelen en geconstateerde problematiek betreffende [naam] van 22 mei 2025 alsmede de e-mailberichten van 22 en 23 mei 2025 van [verzoeker] wegens strijd met de beginselen van de goede procesorde. Daarnaast heeft SMMC bij e-mailbericht van 23 mei 2025 terecht gesteld dat de rechter reeds de uitspraakdatum heeft bepaald – te weten 27 mei 2025 – en dat nagekomen stukken slechts met instemming van de wederpartij in behandeling worden genomen (vide art. 22 Procesreglement 2023). SMMC heeft bij voornoemd e-mailbericht aangegeven niet te kunnen instemmen.
4.2.
Het Gerecht stelt het volgende voorop. Het (buitengewoon) rechtsmiddel herroeping is een uitzondering op de regel dat procedures een einde moeten hebben en dat een eenmaal afgedane zaak niet opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden wordt op deze regel inbreuk gemaakt, doordat een procespartij gelegenheid krijgt een vonnis, dat reeds in kracht van gewijsde is gegaan, aan te tasten. De gronden voor herroeping, genoemd in artikel 382 Rv, zijn:
a. het vonnis berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
b. het vonnis berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;
c. een van de partijen heeft na het vonnis stukken van beslissende aard in handen gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Ingevolge artikel 383, eerste lid, Rv moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan.
4.3. [
verzoeker] is niet ontvankelijk in zijn verzoek tot herroeping van het vonnis, gewezen onder nummer SXM202400625 van 18 maart 2025, nu het betreffende vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. [verzoeker] is immers in hoger beroep gegaan van dit vonnis. De procedure loopt dus nog. De primaire en subsidiaire vordering I, vordering II en III komen in wezen op hetzelfde neer, namelijk herbeoordeling van de zaak en dus heropening middels het rechtsmiddel herroeping. De meer subsidiaire vordering I zal niet worden toegewezen. Het Gerecht heeft in het vonnis van 18 maart 2025 haar beslissing gemotiveerd en uitleg gegeven over de bewijsstukken.
4.4.
De vordering tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat op het herzieningsverzoek is beslist zal worden afgewezen bij gebrek aan belang omdat thans vonnis wordt gewezen in het verzoek tot herziening. Mocht [verzoeker] bedoeld hebben te vorderen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 maart 2025 sowieso moet worden opgeschort, dan is de vordering evenmin toewijsbaar omdat een dergelijke vordering bij het Hof moet worden gedaan. Artikel 272 Rv luidt immers: “Indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan het Hof van Justitie op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging schorsen”.
4.5. [
verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van SMMC tot op heden begroot op een bedrag van Cg 1.250,00.
Dictum
Het Gerecht:
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk is zijn verzoek tot herroeping;
5.2.
wijst af de overige vorderingen;
5.3.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van SMMC tot op heden begroot op Cg 1.250,00;
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.