Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-05-27
ECLI:NL:OGEAM:2025:83
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,607 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummers: SXM202401058 en SXM202500216
Vonnis van 27 mei 2025
in de zaken van
de stichting
Foundation of the Apostolic Faith Church Trinity of Sint Maarten,
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres in de zaak SXM202401058,
gemachtigde: mr. V.C. Choennie,
en
[naam X],
wonend in Sint Maarten,
gedaagde in de zaak SXM202401058 en eiser in de zaak SXM202500216,
gemachtigde: mr. N.R. Joubert,
en
[naam Y],
wonend in Sint Maarten,
gedaagde in de zaak SXM202500216,
gemachtigde: mr. V.C. Choennie.
De partijen worden hierna ‘FAFCT’, ‘[X]’ en ‘[Y]’ genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop van de zaak SXM202401058 blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, dat op 30 augustus 2024 is ingediend;
de akte aanvulling op het verzoekschrift van FAFCT;
de conclusie van antwoord met producties;
de brief van de gemachtigde van FAFCT van 3 maart 2025, met producties;
de brief van de gemachtigde van [X] van 3 maart 2025, met producties;
de brief van de gemachtigde van FAFCT van 4 maart 2025, met een productie;
de akte uitlating regeling van [X], met producties.
1.2.
Het procesverloop van de zaak SXM202500216 blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, dat op 28 februari 2025 is ingediend;
de conclusie van antwoord met producties.
1.3.
De mondelinge behandeling van beide zaken gezamenlijk heeft op 6 maart 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4.
De uitspraak van dit vonnis is bepaald op vandaag. Daartoe heeft het Gerecht beide zaken gevoegd vanwege verknochtheid.
Beoordeling
Waar gaat de zaak om?
2.1.
In 2011 was [Y] hoofdpastor en [X] hulppastor van de kerkgemeenschap Apostolic Church. Zij hebben samen een perceel gekocht (SXM [perceelnummer]). Zij zijn daar allebei voor de helft eigenaar van. Op dit perceel is inmiddels een kerk gebouwd, die wordt gebruikt door de kerkgemeenschap. Er is vanaf 2023 onenigheid ontstaan tussen [X] en [Y] en vervolgens is er een splitsing ontstaan tussen de gemeenteleden. Het overgrote deel staat achter [X] en enkelen achter [Y].
2.2.
Volgens FAFCT was het de bedoeling dat het perceel en het gebouw aan haar zouden toebehoren. [X] heeft volgens FAFCT echter laten weten dat hij zijn deel wil overdragen aan een andere kerkelijke stichting: Eglise Mission Pour Christ Foundation (hierna: Eglise). FAFCT wil deze overdracht voorkomen. Zij eist daarom dat het Gerecht [X] veroordeelt om mee te werken aan het leveren van zijn deel aan FAFCT, op straffe van een dwangsom. Als [X] weigert, wil zij dat het Gerecht haar een vervangende machtiging daarvoor geeft.
2.3. [
X] is het niet eens met de eis. Volgens hem is hij niet verplicht om zijn helft van het eigendom over te dragen aan FAFCT. Hij wil dat het eigendom niet langer onverdeeld is en eist daarom zelf dat het Gerecht het eigendom volledig aan hem toedeelt, zodat hij dit kan overdragen aan Eglise. Hij eist voorts dat dit vonnis in de plaats komt van een akte van inschrijving van dit eigendom in de openbare registers. Verder eist hij dat [Y] wordt veroordeeld om het conservatoire beslag, dat gelegd is op het deel van [X], op te heffen.
2.4. [
Y] is het niet eens met deze eis. Volgens hem moet [X] zijn deel overdragen aan FAFCT.
Samenvatting van het oordeel
2.5.
Het Gerecht wijst de eis van FAFCT af. Zij deelt het eigendom van het perceel met het kerkgebouw daarop toe aan [X], zonder dat [X] daarvoor een vergoeding hoeft te betalen aan [Y]. In dit vonnis legt het Gerecht dit oordeel uit.
FAFCT heeft wel belang bij haar eis
2.6. [
X] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat FAFCT geen belang heeft bij haar eis en dat die daarom moet worden afgewezen (artikel 3:303 BW). Dat verweer passeert de rechter. Als het betoog van FAFCT klopt, dat [X] verplicht is zijn aandeel aan haar te leveren, dan heeft zij er wel belang bij dat hij daartoe wordt veroordeeld. Zo kan zij voorkomen dat het eigendom in handen van derden komt. Of het betoog inhoudelijk opgaat is een tweede vraag, maar dat FAFCT belang heeft bij haar eis is duidelijk.
FAFCT heeft onvoldoende onderbouwd wat de grondslag van haar eis is
2.7.
FAFCT eist dat [X] wordt veroordeeld om het perceel aan haar te leveren. Zij moet dan ook duidelijk maken op basis waarvan [X] dit volgens haar verplicht is (artikel 129 Rv). In het verzoekschrift heeft FAFCT geen juridische grondslag gesteld voor haar eis. Ze heeft alleen geschreven dat “de bedoeling altijd is geweest dat het land (…) in eigendom dient te behoren” aan haar. Zij heeft ook later in deze procedure niet duidelijk gemaakt hoe dit betoog juridisch moet worden begrepen. Het Gerecht interpreteert het zo dat FAFCT stelt dat er een mondelinge overeenkomst was op basis waarvan [X] verplicht zou zijn om zijn eigendom over te dragen aan haar. Dat betoog heeft FAFCT onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is het volgende van belang.
FAFCT heeft onvoldoende onderbouwd dat [X] een overeenkomst heeft gesloten
2.8.
De partijen zijn het erover eens dat in ieder geval de gemeenteleden van het kerkgenootschap Apostolic Church, [Y] en [X] gezamenlijk hebben besloten om het perceel aan te schaffen. Volgens FAFCT en [Y] waren ook de Apostolic Faith World Headquarters in de Verenigde Staten en de stichting Apostolic Faith Mission Sint Maarten bij die keuze betrokken. Of dat laatste klopt, laat het Gerecht nu in het midden. Er waren in ieder geval dus meerdere partijen betrokken bij de keuze om het perceel aan te schaffen. Volgens FAFCT was het ‘de bedoeling’ dat [X] het perceel op enig moment zou leveren aan haar. Wiens bedoeling dat was en wie daarover afspraken hebben gemaakt, heeft zij verder niet duidelijk gemaakt. In ieder geval heeft zij niet gesteld en onderbouwd dat hierover met [X] een overeenkomst is gesloten.
FAFCT heeft onvoldoende onderbouwd dat [X] aan haar moet leveren
2.9.
Zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat [X] wel is overeengekomen dat hij het perceel zou leveren aan een derde, dan heeft FAFCT ook onvoldoende onderbouwd dat zij die derde is. Het staat vast dat FAFCT op het moment dat het perceel werd gekocht nog niet bestond. FAFCT had dus moeten onderbouwen waaruit volgt dat de partijen hebben afgesproken dat het eigendom aan een nog niet bestaande rechtspersoon zou worden overgedragen en dat zij die bewuste rechtspersoon is. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft daar eerder verwarring over geschapen. Zij heeft een testament overgelegd waaruit volgt dat [Y] en [X] het eigendom nalaten aan Foundation of the Apostolic Faith Mission Sint Maarten. Dat betreft een andere stichting, die volgens FAFCT nog steeds bestaat. Ook dat kan dus geen onderbouwing vormen. Ze heeft ook een verklaring van [Y] overgelegd, die schrijft: “I was secure that the property would one day be for the church. (…). The Apostolic Faith Church is the rightful owner.” In een andere verklaring die FAFCT heeft overgelegd, schrijft een vertegenwoordiger van de Headquarters dat “ownership would ultimately transfer to Apostolic Faith Mission”. Wat daar ook van zij, uit niets volgt dat [X] aan FAFCT zou overdragen.
FAFCT heeft ook niet onderbouwd wanneer en onder welke voorwaarden [X] zou leveren
2.10.
Nog los van al het voorgaande staat vast dat het eigendom door zowel [X] als [Y] niet is overgedragen in de afgelopen veertien jaar. FAFCT heeft ook niet onderbouwd waarom [X] op basis van de overeenkomst op dit moment zou moeten leveren en onder welke voorwaarden.
Conclusie
2.11.
Kortom, FAFCT heeft onvoldoende onderbouwd door wie deze overeenkomst zou zijn gesloten, waaruit volgt dat aan haar zou moeten worden geleverd, wanneer zou moeten worden geleverd en onder welke voorwaarden. FAFCT heeft geen andere grondslag voor haar eis aangevoerd. Die is het Gerecht ook niet gebleken. De eis van FAFCT wordt daarom afgewezen.
Het Gerecht zal het eigendom verdelen
2.12.
Het voorgaande betekent dat [Y] en [X] nog steeds samen eigenaar zijn van het perceel. [X] heeft het Gerecht gevraagd het eigendom te verdelen. Dat recht heeft hij (artikel 3:178 BW). Omdat de partijen zelf geen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling, zal het Gerecht de verdeling vaststellen. Het moet daarbij rekening houden met de belangen van de partijen en het algemeen belang (artikel 3:185 BW).
[Y] en [X] hebben allebei persoonlijk weinig belang bij toedeling
2.13.
Het Gerecht stelt vast dat [Y] en [X] allebei persoonlijk weinig belang hebben bij toedeling van het eigendom aan hen. De reden daarvan is dat het nooit de bedoeling was dat zij zelf economisch/materieel eigenaar zouden zijn en dat zij persoonlijk ook weinig aan het perceel en pand hebben. Dat licht het Gerecht hierna toe.
2.14. [
Y] stelt dat hij alleen eigenaar is geworden omdat FAFCT op haar eigen naam geen hypothecaire lening kon afsluiten. [X] stelt op zijn beurt dat hij alleen eigenaar is geworden omdat de kerkgemeenschap nog niet bestond als stichting. Wat klopt laat het Gerecht nu in het midden. De partijen zijn het er in ieder geval dus over eens dat zij alleen maar op papier eigenaar zijn geworden en dat het niet de bedoeling was dat zij zelf economisch profijt zouden hebben van het eigendom. Het betrof een formele juridische constructie. Uiteindelijk waren het perceel en het gebouw namelijk bedoeld voor (de kerkdiensten van) de kerkgemeenschap.
2.15. [
Y] en [X] hebben persoonlijk ook weinig aan het pand. Het betreft immers een kerkgebouw. Ze hebben er alleen iets aan in de zin dat zij allebei pastor zijn en het gebouw willen gebruiken voor het houden van diensten.
Het Gerecht deelt het perceel aan [X] toe, omdat de meeste kerkleden achter hem staan
2.16.
Omdat [Y] en [X] persoonlijk naar het oordeel van het Gerecht evenveel belang hebben bij toedeling van het perceel, vindt het Gerecht doorslaggevend wat in het algemeen belang is.
2.17.
De partijen zijn het erover eens dat het perceel is aangeschaft zodat de gemeenteleden van de kerkgemeenschap Apostolic Faith daar kerkdiensten konden houden. Het Gerecht wil het perceel daarom op zo’n manier verdelen dat zoveel mogelijk leden van die kerkgemeenschap perceel en gebouw kunnen gebruiken. Dat leidt ertoe dat perceel en gebouw worden toegedeeld aan [X]. Het overgrote deel van de gemeenteleden wil namelijk dat het perceel terechtkomt bij Eglise. Als het perceel aan [X] wordt toegedeeld is dat het geval.
2.18. [
X] heeft een petitie bij zijn stukken gevoegd. Die petitie is ondertekend door honderd gemeenteleden. Zij verklaren daarin dat zij er tegenstander van zijn dat het perceel wordt toegedeeld aan [Y]. Zij willen dat het perceel wordt toegedeeld aan een nieuw op te richten stichting. [X] heeft onbetwist gesteld dat Eglise die nieuwe stichting is. Hij heeft een overeenkomst tussen hem en Eglise bij de stukken gevoegd. In die overeenkomst hebben de partijen afgesproken dat wanneer het Gerecht het perceel toedeelt aan [X], hij het eigendom vervolgens zal overdragen aan Eglise.
2.19.
Het Gerecht is zich ervan bewust dat er een soort kerkscheuring is geweest tussen ‘volgers’ van [Y] enerzijds en [X] anderzijds. Niet alle gemeenteleden hebben de petitie getekend. Sommigen willen juist dat het eigendom via [Y] bij FAFCT terechtkomt. [X] heeft echter onbetwist gesteld dat de volgers van [Y] op twee handen te tellen zijn, tegenover de ongeveer honderd volgers van [X]. Daarom moeten de belangen van [Y] en zijn volgelingen wijken.
2.20.
De conclusie is dat wanneer het perceel aan [X] wordt toegedeeld, dit ten goede zal komen aan het overgrote deel van de gemeenteleden van de kerkgemeenschap. Dit ligt het meest in de lijn met het doel waarmee het perceel is gekocht. Daarom zal het Gerecht het perceel op die manier verdelen.
[X] hoeft geen vergoeding aan [Y] te betalen
2.21.
Het Gerecht oordeelt dat [X] geen vergoeding hoeft te betalen aan [Y]. De reden daarvan is dat zoals hiervoor al is geoordeeld, de partijen het erover eens zijn dat zij alleen maar formeel juridisch eigenaar zijn van het perceel. Het was nooit de bedoeling dat hij daadwerkelijk economisch eigenaar van het perceel zouden zijn en financieel profijt zouden hebben van het eigendom. Doordat [Y] het eigendom van het perceel verliest, verliest hij dus ook niet een bepaalde waarde die voor vergoeding in aanmerking komt. Hij verliest alleen de juridische eigendomsconstructie, die ook volgens zijn eigen stellingen alleen maar een noodgedwongen formele keuze was.
2.22. [
Y] heeft ook niet gesteld dat hij persoonlijke investeringen in het perceel of het pand heeft gedaan. Ook dat is dus geen reden om aan hem een vergoeding toe te kennen. Weliswaar heeft hij in het verleden (samen met [X]) persoonlijk een lening afgesloten ten behoeve van de aankoop van het perceel, maar de maandelijkse aflossingstermijnen kreeg hij betaald door de gemeenteleden.
2.23.
De partijen hebben er in hun stukken ook nog over gediscussieerd of FAFCT, de Apostolic Faith World Headquartes en Foundation of the Apostolic Faith Mission Sint Maarten hebben geïnvesteerd in de kerk. Wat daar ook van zij, eventuele investeringen van die partijen kunnen niet leiden tot een vergoeding voor [Y].
2.24.
Het gevolg van deze verdeling is dat de ‘volgers’ van [Y] wellicht op zoek moeten naar een nieuwe plek om samen te komen, als zij zich niet met de volgers van [X] kunnen verzoenen. Dat rechtvaardigt echter ook niet het toekennen van een vergoeding aan [Y]. Het zou Eglise wel sieren als zij, met inachtneming van de christelijke principes die zij ook in haar processtukken heeft genoemd, financieel dan wel praktisch zou meedenken met haar geloofsgenoten.
Het bevel om over te gaan tot scheiding en deling wordt afgewezen
2.25. [
X] eist ook dat het Gerecht [Y] beveelt om over te gaan tot scheiding en deling van het perceel. Die eis wordt afgewezen, omdat het Gerecht de verdeling zelf al heeft vastgesteld.
Het vonnis treedt in de plaats van inschrijving in de openbare registers
2.26. [
X] eist verder dat dit vonnis in de plaats treedt voor iedere akte die nodig is voor inschrijving van het eigendom in de openbare registers. Daarnaast wil hij gemachtigd worden om zelf het eigendom in te schrijven (artikel 3:299 en 3:300 BW). Deze eis wordt toegewezen, omdat [Y] daar geen verweer tegen heeft gevoerd.
[X] hoeft de beslagkosten niet te vergoeden, maar het beslag wordt niet opgeheven
2.27.
Voorafgaand aan deze procedure heeft FAFCT conservatoir beslag laten leggen op het perceel, ten laste van [X]. FAFCT eist dat [X] wordt veroordeeld om de kosten daarvan te vergoeden. Die eis wordt afgewezen, omdat de eis waarvoor beslag is gelegd ook wordt afgewezen (artikel 706 Rv).
2.28. [
X] eist in de procedure tegen [Y] dat het Gerecht dit beslag opheft. Die eis wordt afgewezen, omdat het beslag niet door [Y] is gelegd.
Dictum
Het Gerecht:
in de zaak met nummer SXM202401058
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt FAFCT in de proceskosten, die aan de kant van [X] tot op vandaag begroot worden op Cg 2.500,-;
in de zaak met nummer SXM202500216
3.3.
stelt de verdeling van perceel [perceelnummer], gelegen aan [adres] in Sint Maarten, met een grootte van 1330 m2 vast, door te oordelen dat het perceel volledig wordt toegedeeld aan [X], zonder dat hij daarvoor een vergoeding is verschuldigd aan [Y];
3.4.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt voor een in wettige vorm opgemaakte akte van [Y] die benodigd is voor de inschrijving van de eigendomstitel van [X] in de openbare registers en machtigt [X] om dit vonnis in te schrijven in de openbare registers;
3.5.
veroordeelt [Y] in de proceskosten, die aan de kant van [X] tot op vandaag begroot worden op Cg 2.950,-, met de wettelijke rente daarover vanaf 10 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, 3.5
Hoge Raad 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, 3.8.2